Donderdag 17/10/2019

Interview

Bart Stouten: "Ik heb jarenlang niet naar muziek kunnen luisteren en soms vind ik dat nog altijd moeilijk"

Beeld Karoly Effenberger

Bart Stouten, die op Klara Klassiek Leeft presenteert, stripte zijn woning van alle overtollige ballast. Hij wilde meer tot zichzelf kunnen komen, ruimte scheppen voor de verhalen in zijn hoofd. Het bracht hem zijn derde boek op, Het huilt voor jou, dat hij naar goede gewoonte beschouwt als het einde van een hoofdstuk in zijn leven.

Twee jaar geleden vertelde Bart Stouten dit: “Je mag het komen verifiëren als je me niet gelooft: ik heb thuis alleen nog een bed, een tafel, een pen en een computer. Ik kan je niet eens goed ­ontvangen omdat ik geen zetel heb en zelfs geen bier. Ik wil dat allemaal niet meer.”

De straat in Antwerpen waar hij woont, heeft een Italiaanse naam. Het is er rustig, andante zou je kunnen schrijven, hij woont vier hoog. We komen niet verifiëren, dit is alleen fijner dan een vergaderlokaal op de VRT.

De ruimte is niet zo groot. Een rijtje schoenen, allemaal zonder veters, er staat een ronde tafel met vier rieten stoelen, er is een keukenmeubel. Er zijn twee boekenkasten: veel gedichten – Eliot, Kaváfis, O’Hara, Bishop – en aan de andere kant onder meer Roland Barthes’ Rouwdagboek, Arthur Rimbaud, Peter Handke en Zo schrijf je een verdomd goede roman. Er is een keukenmeubel en tegen het raam een kleine schrijftafel waarop zijn laptop staat. Het bed moet in een andere ruimte staan. Er staat geen zetel. Er is geen cd.

“Als ik ’s avonds thuiskom, doe ik mijn jas uit en begin ik soms meteen weer te schrijven”, zegt Stouten, vorig jaar 60 geworden en de man die elke voormiddag tussen 9 en 12 Klassiek Leeft presenteert. Dat is je toch liever geworden dan ‘Girls Just Want To Have Fun’ gevolgd door ‘Don’t Go Breaking My Heart’ op maandagochtend in de file bij Radio 1. Dan liever Stouten die woorden als melismatisch, angeliek en christelijk miserabilisme niet schuwt en nog steeds verwonderd kan zijn over hoe Mendelssohn pas 15 was toen hij zijn eerste symfonie componeerde. Hij vertelt dat met zorg en is behulpzaam. Echt gebeurd: vanuit de file een mailtje naar hem gestuurd met de vraag wat we zonet hoorden en tijdens het volgende lied antwoordde hij al: “Dat was ‘Mentre io godo in dolce oblio’ van Scarlatti uit de Aria delle Speranza, gezongen door Cecilia Bartoli.”

Beeld Karoly Effenberger

Prachtig Syrië

“Ik had een heerlijke avond, gisteren”, zegt hij dan en dat is ook een beetje waarom we nu hier zijn. In de Permeke-bibliotheek werd Het huilt voor jou voorgesteld, zijn derde roman al na Kersen eten om middernacht en Bidden om verboden vruchten. Dit keer zijn we in Syrië, in 2012 en dit zijn de eerste vier zinnen van het voorwoord: “Mijn verhaal is dan wel verzonnen, het is geïnspireerd en gekleurd door de mooiste momenten van mijn leven. Ik denk met liefde terug aan mijn vele reizen naar Syrië, waar prachtige mensen mij met indrukwekkende gastvrijheid in hun midden ontvingen. Het nieuws van de gebeurtenissen in New York op 9/11 vernam ik letterlijk terwijl ik, in het gezelschap van een imam en enkele Syrische vrienden, in het woestijndorpje Deir-el-Sharjee zat te lunchen, met de heerlijkste lekkernijen voor mijn neus. Ik heb er geen idee van of ze nog leven.”

Maar eerst die avond van gisteren: “Ik had Abid Bahri uitgenodigd, een oed-speler. Een oed is een Arabische luit waarop hij ­fantastische makams speelde. En zo’n makam is een noten­sequentie of melodie die heel erg bekend is, maar waarop ze in Syrië vrij improviseren. Hij musiceerde samen met Floris De Rycker en ik las fragmenten uit mijn boek voor. Dat werd mooi. In het afstand nemen van het leven vind ik het boeiend om een link te behouden met de thema’s die me gevormd hebben.”

Zoals Syrië.

“In 1982 verhuisde ik van de stad naar een verkaveling in het Ekers bos, waar ik het huis van de boswachter betrok. Dat was pure euforie: ’s ochtends kreeg ik een concert van de vogels, er was veel groen en ik kon er wandelen. Maar wat gebeurt er? Op een avond kijk ik televisie, op de NOS zie ik Fred Emmer het journaal presenteren en hij brengt het bericht van een massaslachting in de Syrische stad Hama. In de nacht had de president misschien wel 30.000 mensen vergast. Door dat oxymoron met mijn eigen euforie sloeg het nieuws in als een bom. Het liet een diepe krater in mijn ziel na: ik vond eigenlijk dat ik dat geluk in dat bos niet verdiende. Niet dat ik Hama kende, maar intuïtief en bijna visionair dacht ik: ooit ga ik daarheen.”

Beeld Karoly Effenberger

De jaren rolden voorbij, zegt hij, en hij dankt Robert Fisk, 40 jaar lang journalist en correspondent in het Midden-Oosten voor de Britse krant The Independent, om als enige over het drama van Hama te schrijven. “Maar vijftien jaar later was ik voor een werkbezoek bij de (openbare omroep) WDR in Keulen, ik had een leuk hotel en wat doe je dan? Je checkt even de televisie: ik viel midden in een sfeerbeeld over het dagelijks leven in Syrië. Verbluffend goed gemaakt, straatbeelden met een grote esthetische gevoeligheid, het contrast met die massaslachting in 1982 was enorm. Nu wilde ik zeker gaan kijken.”

Hij klapt zijn laptop open en toont de powerpointpresentatie die hij de vorige avond op de boekvoorstelling liet zien. Op de kaart van Syrië zie je Qalat Semaan (“een ruïnestad met restanten van de zuil van Simeon de Pilaarheilige”), Apamea (“te vergelijken met Efese, ze hebben er een colonnade van 3 kilometer”) en Palmyra. Homs ook. “Een belangrijk knooppunt op de Zijderoute.” En dan Hama, stad met de aanblik van de 13de eeuw, de Orontes-rivier stroomt erdoor en de oude Arabische water­raderen zorgen voor een oorverdovende soundtrack. “Je ziét de middeleeuwen hier. Als ze in Syrië een film draaien over die ­periode, kun je de straatjes van Hama zo herkennen.”

In dit land speelt Het huilt voor jou zich af, het is het verhaal van een westerse homoseksueel die via een datingsite contact legt met een man in Syrië en ernaartoe trekt. “Er gebeurt heel veel”, glimlacht Stouten. “De liefde is altijd productief. Ze heeft veel obstakels, maar die kunnen ook gebruikt worden. Of misbruikt. Daar gaat dit boek over, over het duister gebied van gebruik naar misbruik. En over de veelkantigheid van liefde.”

Hoe anders zijn de ­verhoudingen er tussen ­mensen?

“Lichamelijk contact is er heel normaal. Je kunt er tussen een rij wachtende forenzen aan de bushalte staan en als het klikt, worden ze tactiel: ze knuffelen, geven je vier zoenen… En Syrië is een land met een grote eenheid tussen kunst en natuur. Voor de meeste monumenten hoef je geen ticket te kopen, de schaapherder leeft tussen zijn ruïnes.

“Ik was vijf keer in Syrië, was met mijn vriend Mark in Palmyra in 2001, leerde in de soek van Aleppo die uit de 14de eeuw stamde, de oudste ter wereld was en door de rebellen werd vernield, twee broers ­kennen die ginder elk een ­stalletje hadden. Maar allebei aan het andere uiteinde van de soek: ze hadden ruzie. Via pendeldiplomatie heb ik die twee weer samengebracht. En op 9/11 was ik in Deir-el-Sharjee. Daar speelt het verhaal van mijn boek zich af, omdat ik er een bijzonder fijngevoelige man leerde kennen, die zich als een soort ­wingerd rond mijn geest slingerde.”

Beeld Karoly Effenberger

Dit is geen boekeninterview en zelfs al wás het dat: het verhaal van Tewfik en Borg moet u hier niet lezen. Daar dient de roman voor. Maar hoe Stouten vertelt over het land dat hij natuurlijk al enkele jaren niet meer bezocht, intrigeert. Zoals Marguerite Yourcenar zich verplaatste in de wereld van Hadrianus, zo ­probeert Stouten dat te doen in een land dat in oorlog leeft. “De mooiste bladzijden zijn die waarin de personages in stilte door elkaars verbeelding lopen”, zegt hij.

Is zo’n boek een realiteitscheck?

“Ik heb die mensen echt bemind, door en door graag gezien. Voor de oorlog hadden we een heel intens contact via internet. Om in het reine te komen met die oude frustratie uit 1982 verplaatste ik me in hun oorlogssituatie. Het was mijn excuus om bij hen te zijn. Bijna een sensueel plezier om met die mensen contact te houden.”

In uw radioprogramma probeert u de schoonheid van muziek in woorden en beelden te vatten. Probeert u dat ook eens met Syrië?

“Veel zit in de mentaliteit. Syriërs zijn heel erg open. In het Centraal Station van Antwerpen kijkt iedereen meteen weg of naar de grond. Oogcontact is bij ons taboe. Syriërs zoeken altijd meteen oogcontact. Daar zit de schoonheid van die mensen in: ze willen samen ervaringen delen. En dat is het hele punt. Ik ken een ander soort Syriërs dan hoe ik er bij ons over lees in de kranten.”

Kunt u zich voorstellen hoe zij die ‘ontvangst’ bij ons dan ervaren? Ze lezen de kranten ook, zien dat bevoegde beleidsmakers ons schrik willen aanjagen met het dreigement dat ‘tientallen miljoenen Syriërs’ ons zullen overspoelen.

“Op vraag van vrienden heb ik Koteiba een beetje opgevangen: een Syrische jongen die naar hier is gevlucht. Ik zou hem ook wat Nederlands bijbrengen. Dat ging in het begin heel moeizaam, maar die jongen had een schriftje bij zich, en van week tot week zag ik hem onvoorstelbare vorderingen maken. Hij maakte er een zaak van om de uitdrukkingen die ik hem leerde, de volgende keer al te gebruiken. Na twee maanden begon hij vloeiend Nederlands te spreken.

“Waarom vertel ik dat? Om te tonen dat die mensen willen. Ze willen heel graag gemeenschap vormen, ook al merken ze hoe moeilijk dat voor ons is. Dat gebrek aan vanzelfsprekende gemeenschapszin ervaren ze als een handicap. En wij beroven onszelf, door onze houding, van veel openhartigheid. In de Lonely Planet las ik dat in de soek van Aleppo ‘al je wensen vervuld ­zouden worden’. Jaja, zal wel, dacht ik. Maar eigenlijk is het niet eens overdreven. Syriërs zijn gefascineerd door wie hen komt ­bezoeken.”

Hoe levensbepalend waren die reizen naar Syrië?

“Zoals mijn reizen naar Japan: allesbepalend. Al kun je de twee niet vergelijken. Ik heb vijf jaar avondonderwijs Japans gevolgd en spreek een mondje Japans zoals allochtonen bij ons Neder­lands spreken. Japanners proberen hoogte van je te krijgen: wat kom je hier doen en wat wil je? En ze praten je dan een beetje naar de mond. Syriërs doen dat niet. Zij zijn waarachtig ­geïnteresseerd in wie je bent.”

Twee jaar geleden vertelde u me dat u op een dag besliste bijna al uw boeken weg te doen en afstand te doen van bezit. Waarom deed u dat eigenlijk?

“Omdat ik ondergeschoffeld werd door een teveel. Via mijn beroep kom ik met veel muziek en boeken in contact. Ik kreeg het gevoel ondergesneeuwd te worden. Zo verlies je je focus. Ik vond het bevrijdend om veel weg te doen en meer en meer te worden wie ik was. De essentie van het leven te ontdekken. Bezit werd redundant. Ik héb echt niks met mooie kleren, auto’s of een dure sofa. Ik heb wel iets met ideeën, met poëzie en met het schrijven van boeken. Daarin vind ik de essentie van leven en waarom zou ik me dan nog laten afleiden? Schoonheid zit in de pure interactie van mens tot mens.”

Maar uw keukenmeubel, bijvoorbeeld, is ook mooi. Of schoonheid kan in een stoel van Jean Prouvé zitten.

“Absoluut en al ben ik ascetisch ingesteld, ik pleit helemaal niet voor een schamel leven. Ik denk alleen dat als je de focus van een natuurlijk leven naar iets kunstmatigs als een dure auto verlegt, dat je dan tegennatuurlijk bezig bent. Voor mij heeft de vervulling van een bestaan met kleine dingen te maken: je gezondheid ­verzorgen, je slaap, zorgen dat je huis proper is, goed eten. En dan genieten van wat anderen te bieden hebben. Ik bezit weliswaar weinig, maar ik heb wel veel geluk. En ik wil niet als Dirk De Wachter klinken, maar in 80 procent van zijn ideeën herken ik me wel: je moet er niet naar streven om té gelukkig te zijn."

Fotograaf Károly Effenberger belt aan en vanzelf spreken we daardoor over de legendarische tv-reeks Van de schoonheid en de troost die Károly’s vader Wim Kayzer maakte. Stouten herinnert zich het interview met Stephen Jay Gould, inmiddels overleden Amerikaanse paleontoloog, een man die een groot muziek­liefhebber was, maar er geen troost in vond bij de dood van ­geliefden. “En ik begrijp dat”, zegt hij. “Ik heb zelf ook jarenlang geen muziek kunnen beluisteren. En soms vind ik dat nog altijd moeilijk. Hier thuis luister ik er bijvoorbeeld zelden naar. Dat kleine radiootje is er hoofdzakelijk voor het nieuws.”

Dat klinkt een beetje gek voor iemand die elke dag drie uur lang mensen naar muziek laat luisteren.

“Muziek kruipt in je gevoelens, verdiept ze, maakt ze scherper en vileiner. Als je de dood van je ouders moet verwerken, gaat muziek daar te veel op zitten. En dan heb je geen ruimte meer over om zélf naar dat verdriet te kijken. Muziek intensifieert het gevoel, maar goede boeken kunnen je anders leren kijken naar de raadsels van het leven. Aan het Rouwdagboek van Roland Barthes heb ik meer om mijn rouw te observeren dan aan muziek. Met boeken krijg je een semantische en een filosofische invalshoek.”

Bart Stoutens verhaal is bij veel mensen bekend. Kort: hij was 15 toen hij met zijn ouders en zijn tweelingzus Kristien in Duitsland betrokken geraakte bij een auto-ongeval. Na weken coma werd hij wakker en hoorde dat zijn beide ouders en zus overleden waren. “Proust was mijn EHBO”, zei hij twee jaar ­geleden over hoe een vriendin van zijn mama hem bij een bezoek in het ziekenhuis A la recherche du temps perdu had meegebracht en ziekenzuster Schwester Anna Ursula hem dat boek had leren lezen. “Emotioneel heb ik al wat wateren doorzwommen”, zegt hij nu. “Maar het gaat me in muziek zelden om emotie. Ik heb in wezen geen behoefte aan emotie.”

Dat legt hij zo uit: “Als ik ‘When I'm laid in earth’ uit Dido en Aeneas van Purcell laat horen op de radio, kom ik wel in een bepaalde mood, maar dan luister ik toch nog meer naar de ­structuur van de muziek. Als ik een Bach-cantate speel, probeer ik te ontdekken waarom Bach zijn partituur zo gestructureerd heeft. Hoe de muziek aanzwelt en neergelegd wordt. Ik kan echt genieten van de handschriften van Bach terwijl ik uitzoek wat hij veranderd heeft in zijn compositie."

Beeld Karoly Effenberger

Is het woord dan belangrijker dan de muziek?

“Ik vind de symbiose tussen muziek en woord uiterst boeiend en op de radio bouw ik daarmee een sfeer op. In de klassieke muziek kwam een omslag vanaf Monteverdi. Ook Bach deed dat later: vanuit het respect voor het woord, keek hij naar wat het woord nodig had.”

Vaak is die muziek wel religieus. Pianist Reinbert de Leeuw zei me vorige zomer dat je niet gelovig moet zijn om de Via Crucis van Liszt te kunnen waarderen.

“Het mooie van muziek is dat je er op heel veel manieren kunt naar kijken. En dat de betekenis ervan kan veranderen. Je kunt muziek zien als een spel van ideeën, een omgang met grammaticale regels. En je kunt het ook in de liturgische context zien: hoe gaat Bach om met het thema van de boetedoening? Wat doet een componist in de opera met ontgoocheling?

Beeld Karoly Effenberger

“Dat is net het wezenskenmerk van grote kunst: het kan op verschillende niveaus tegelijk aantrekkelijk zijn. Een gewone lezer kan van Shakespeare genieten en de meer geletterde mens kan dat ook, die gaat dan naar extra lagen zoeken. Bach gebruikte ‘Mein G’müt ist mir verwirret’ van Hans Leo Hassler en tilde het in de Matteüspassie op tot ‘O Haupt voll Blut und Wunden’. Bartók is de boer opgegaan en nam Transsylvaanse liedjes op die hij later ook gebruikte. Muziek krijgt zo een zeer verbindende functie.”

Wat vindt u nog schoon?

“Dat kleine klokje achter je. Dat vind ik een objet d’art. Zo precies, zo meticuleus, zo eenvoudig van design en helemaal niet opdringerig. Het kunstgehalte schuilt in het op elkaar toegesneden zijn van de functionele elementen. (glimlacht) Dat geldt ook voor die keukenkast. Of voor een mooie man of mooie vrouw in de straat.”

Waarom vindt u Antwerpen mooi? De stad is niet te ­vergelijken met het Borgloon waar u geboren werd en het bos in Ekeren.

“Ik woon hier graag vanwege het verleden: Rubens, Jordaens, Plantin vooral. Hier voel ik me omringd door een verleden dat me heel dierbaar is. Drop me in het Plantinmuseum en ik word ­helemaal mezelf. Maar ook de haven of de sociale geschiedenis van deze buurt en hoe er met stadsplanning gewerkt wordt, boeit me. De oude school hiertegenover. Ik wil dat allemaal weten. En je kunt pas weten wie je bent, als je goed weet waar je vandaan komt. In de 17de eeuw telde Antwerpen bijvoorbeeld dertig klave­cim­bel­ateliers. Dat alleen al!

“Dit was een wereldstad. Of we dat vandaag nog zijn, weet ik niet, maar ik wil mijn contact met het Antwerps verleden verder uitbouwen. En ik vind het boeiend om deze stad te leren kennen. Als inwoner van Antwerpen moet je een havenrondvaart maken om ook dat aspect van de stad te ­ontdekken. Zoals je in Tokio ondergronds moet gaan.”

Maar hoe langer je ergens woont, hoe vertrouwder iets lijkt. En hoe minder makkelijk je nieuwe dingen ontdekt.

“Ik sta elke ochtend om 5 uur op, een half uurtje later stap ik naar het station en zie ik nachtelijk Antwerpen. Dat ik observeer en waar ik telkens een nieuwe dimensie ontwaar. Ik ga bij dezelfde Turkse bakkerij een broodje halen en drink er een koffie. De stad vervelt en het is mooi om te weten wat er onder die lagen ligt. Wat is de betekenis van de Kammenstraat, vraag ik me dan af. Of waar komt de oude omwalling vandaan. Ik doe niks anders dan rondkijken.

“En ik vind Antwerpen elk jaar mooier worden. Brugge wordt elk jaar middeleeuwser, Antwerpen niet. Al vind ik dat de stad, bijvoorbeeld op gebied van mobiliteit, nog niet de juiste verhouding heeft gevonden.”

Waarom staat een mens om 5 uur op?

“Omdat ik om 7 uur op de VRT wil zijn, dan kan ik rustig werken voor de uitzending begint. Maar het is ook een ritueel. De dag opstarten is een gelegenheid om nieuwe ideeën te verzamelen en fris en monter over passages in een boek na te denken. Ik kijk naar de passanten, ik laat me inspireren."

Op de bovenste legger van zijn boekenkast staan meer dan veertig schriftjes. Zeg maar schriften: ze waren dik, zeker in de jaren 80, en met gelijkmatig handschrift pende hij die vol. Hij toont ze, rolt lange vellen uit, heel proustiaans. Dat schrijven houdt nooit op, al zijn de boekjes nu klein geworden. De handige zak-Moleskines.

Beeld Karoly Effenberger

Zo’n boek als Het huilt voor jou, kun je dat overal ­schrijven?

“Op de trein maak ik een schets en schrijf zinnen die geen zinnen zijn. Thuis werk ik ze dan uit. Ik laat geen minuut verloren gaan. Ik heb een hekel aan tijdverspilling. Zo’n boek is belangrijk. Ik trek er een streep mee onder een bepaalde fase van mijn leven. Je komt ergens mee in het reine. Dit was een ode aan de liefdes in Syrië en aan al die mensen in dat land. Maar de geboorte van een boek is ook een eindpunt. Zoals elk afgewerkt gedicht dat is. Dan geef je het aan een publiek en dan vindt het zijn eigen leven. Ria Bollen (Limburgse concertzangeres, RVP) heeft altijd een dichtbundel van me, in een leren etui, op zak. Dat vind ik zo mooi. Een boek geeft je de kans je leven te herdenken.”

Hoe was 60 jaar worden?

“Oud worden vind ik afschuwelijk, maar ik koester een minimum aan middelen en daar doe ik het mee. Daarmee probeer ik het optimale te bereiken. Een van mijn grote angsten is ooit blind te worden. Maar stél dat ik het word, dan zal ik een heel andere ­techniek ontwikkelen om poëzie te schrijven. Het eroderen van je vermogens betekent niet dat je uitgeteld bent. Mijn hele leven bewijst dat als iets wegvalt, je toch creatief kunt zijn en dat je je geluk niet moet regisseren of achternalopen. Je kunt zélf beslissen dat je gelukkig bent. Misschien dat het zenboeddhisme ­daarmee in de buurt komt. Zen is toch het opruimen van alle overtolligheden in je geest.”

En dan valt op deze tafel nog één detail op. Een wit beeldje, klein, je zou het een postuurtje kunnen noemen, het is een luit­speler. Waarmee je zou denken bij de Syrische oed uit te komen, maar je zit ermee in Borgloon. Zijn ‘Combray’, zegt hij, het stadje waar Proust zijn vakanties doorbracht als kind, en aan terugdenkt in A la recherche du temps perdu. Stouten woonde in Borgloon en daar komt hij nu jaarlijks op Allerheiligen naar de graven. “Dit beeldje is het enige wat ik heb overgehouden uit het huis van mijn ouders”, zegt hij. “Veel kan ik er niet over zeggen. Ik herken mezelf in die luitspeler, want ik heb wel iets van een bard, een troubadour, een dichterlijke minnestreel. Het is een leuke gedachte dat net dit beeldje van toen is overgebleven.”

Het huilt voor jou van Bart Stouten is uitgegeven bij Vrijdag, 19,95 euro

Beeld rv
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234