Zaterdag 22/02/2020

Interview

Architect Glenn Sestig: "Een winkel moet een overzichtelijk doolhof zijn"

Beeld Tim Coppens

Hij excelleert in het ontwerpen van luxueuze boetieks en dito interieurs in Antwerpen, Zürich en Parijs. Maar voor een man met zijn cv is architect Glenn Sestig (49) zeer bescheiden gebleven. Een gesprek over glamour, mode en een zelf ontworpen kinderbed.

U hebt de afgelopen jaren verschillende modeprojecten gedaan. Is dat toevallig of was dat van in het begin de bedoeling?

“Voor een deel komt dat omdat ik mijn studies gedaan heb aan de Antwerpse Academie, waar ik meer kennissen had in de mode dan in de architectuur. En dat is eigenlijk nog altijd zo.

“Een van onze eerste opdrachten was Soap in Antwerpen, een bekend kapsalon. Op de opening was de beau monde van de Antwerpse winkels aanwezig: de artistiek directeur van Verso (bekende luxeboetiek, red.), de eigenaars van Coccodrillo (luxueuze schoenenwinkel) en de voormalige eigenaars van Louis (luxeboetiek)… Daar heb ik zowat iedereen leren kennen.

En omgekeerd zagen zij daar voor het eerst mijn werk. Heel snel is de bal aan het rollen gegaan en heeft Verso me gevraagd om hun eerste winkel in te richten, intussen ook al twintig jaar geleden.

“Via een van mijn beste vrienden heb ik dan Raf Simons wat beter leren kennen en heeft hij mij gevraagd om een retail unit te tekenen voor de stoffencollectie die hij voor Kvadrat ontworpen had. Hij was er heel tevreden over, dus mocht ik ook de corner inrichten voor zijn eigen label Raf Simons in Dover Street Market in Londen.

Geeft zo’n modeklant strenge richtlijnen of mag u meestal uw zin doen?

“Ze hebben allemaal hun eigen visie en een sterke mening over waar ze naartoe willen. Dat is heel aangenaam, we converseren dan echt in een soort symbiose. Ik stel me altijd voor wat voor type klanten ze hebben en daaraan pas ik me aan. Je hoeft immers niets te tekenen wat een klant van pakweg Xandres (waarvoor hij ook enkele boetieks ontwierp, red.) afschrikt. Een boetiek waar een merk niet in past, dat is nergens goed voor, tenzij voor de visibiliteit van de architect.

“Maar dat is het laatste wat je moet doen, en meestal is dat dan ook je laatste commerciële project. Ik voel doorgaans intuïtief aan wat zo’n klant wil. Ik sta overigens ook open voor low-end hoor, daar mogen ze me gerust voor vragen.”

Zo’n samenwerking met pakweg Raf Simons, hoe verloopt die in de praktijk?

“Dat gebeurt vooral met korte telefonische interventies, want zoveel tijd heeft hij niet. Al komt hij ook wel eens naar mij om de stalen te bekijken. Het is bij hem altijd direct ‘ja’ of ‘neen’, dat is heel aangenaam. Ik heb een of twee ontwerpen gemaakt waarbij ik allicht te veel naar hem had geluisterd en die hij uiteindelijk ook niet zo goed vond. Voor het derde ontwerp heb ik het wat losgelaten en toen vond hij het veel beter. Zo gaat dat vaak: er is, om de vergelijking te maken, ook geen enkele wagen op de markt die van in het begin ­helemaal goed zat.”

Beeld Tim Coppens

U ontwerpt zowel voor high-end projecten als Verso of Dover Street Market, maar ook voor het middensegment als Xandres en het wat lagere segment, genre New Paris Londres. Is het ene makkelijker dan het andere?

“Eigenlijk niet. Het is immers altijd hetzelfde verhaal: het ontwerp moet functioneel in elkaar zitten, de klant moet zich op zijn gemak voelen en er moét een wow-effect zijn. Dat zijn de hoofdingrediënten, wat er nadien bijkomt zijn de kruiden – de kleuren en materialen die het opsmukken. Los daarvan moet een kassa uiteraard op de juiste plaats staan, mag je je als klant niet bekeken voelen als je binnenkomt, noem maar op. Het is een beetje een spel: je moet als het ware een doolhof creëren, maar tegelijk moet het overzichtelijk blijven wegens het risico op diefstal.”

Wat hebt u het liefst: een klant die u carte blanche geeft of een die op de centen moet letten?

“Dat laatste is moeilijk, want het probleem is dat de kosten voor goede architectuur behoorlijk kunnen oplopen.”

Stel dat een klant zegt: ik wil mijn boetiek zodanig ontworpen zien dat er zoveel mogelijk verkocht wordt. Wat antwoordt u dan?

“Wel, dat is altijd mijn bedoeling. Bij de commerciële ruimten die ik teken, wil ik dat de verkoop vlot verloopt. Doe je dat niet, dan moet je het geen winkel noemen – dan is het een museum. Geef toe: het zou heel stom zijn om een winkel te ontwerpen waar niet veel verkocht wordt.” (lacht)

En hoe doet u dat dan?

“Er zijn niet echt specifieke technieken voor. Mensen moeten makkelijk een boetiek kunnen binnenstappen, dat is heel belangrijk. Maar hoe je dat toepast, gebeurt intuïtief.”

U doet ook privéopdrachten voor belangrijke modemensen. Wat kunt u daarover kwijt?

“We doen inderdaad privé-interieurs voor hen en wat opvalt: hun visie staat altijd volledig los van de mode. Het heeft er vaak zelfs nog weinig mee te maken. Ik heb het appartement van Pieter Mulier (rechterhand van Raf Simons, red.) in Antwerpen ontworpen, maar dat heeft dus niks te maken met wat hij vroeger bij Dior en nu bij Calvin Klein doet. Of kijk naar Madonna met haar vooruitstrevende imago: die woont heel klassiek, op het randje van de kitsch zelfs. Haar interieur heeft niks te maken met het imago waarmee ze zich altijd promoot.

“Bij mij is dat overigens, als architect, wél zo: moest ik in een heel klassiek interieur wonen, dan zou er iets niet kloppen. Dan zou het lijken alsof ik toneelspeel.”

Weigert u weleens klanten?

“Heel vaak. Dat hebben we altijd gedaan. We hebben de policy om nooit een tweede zaak met dezelfde inhoud in dezelfde stad te doen. Toen we Verso gerealiseerd hadden, kregen we meteen vragen van andere multibrand stores om hetzelfde te doen. Maar dat hebben we dus altijd geweigerd. De bouwheer vindt het nu eenmaal niet leuk dat er wat verder net hetzelfde komt, vandaar. Pas tien jaar na Verso hebben we Renaissance (bekende boetiek in Antwerpen, red.) gedaan, dan zit er intussen een heel ander verhaal ­achter.”

Weigert u met pijn in het hart?

“Ik moet opletten wat ik zeg, maar heel eerlijk: soms ben je blij dat je dat kunt doen. Want sommige bouwheren komen nu eenmaal niet voor de diepgang of voor het juiste verhaal. Nee, ze contacteren me vooral omdat ze mijn naam willen gebruiken voor hun project. Maar zo werkt het natuurlijk niet.”

Met Vincent Van Duysen hebben we nog een andere architect die internationaal boetieks ontwerpt. Hoe komt het dat de Belgen zo gegeerd zijn?

“We hebben elk onze kwaliteiten en onze stijl en dat valt allicht wel op. Ook hebben we beiden al heel wat projecten gedaan en dus kunnen we behoorlijk wat werk tonen aan een potentiële klant. Maar onze esthetiek zal ook wel meetellen.

“Vergeet anderzijds niet dat er heel veel ­winkels zijn en dat we lang niet altijd weten wie ze getekend heeft. Mensen hechten daar ook niet zoveel belang aan. Als architect ben je er in de eerste plaats om een goede winkel te ontwerpen die veel ­verkoopt. Kijk naar LVMH: die werken altijd met Peter Marino, die alle Vuitton-winkels ontwerpt. Hij doet perfect wat meneer Arnault (grote baas van het LVMH-concern, red.) verlangt. En: zijn winkels draaien, het cliënteel voelt de luxe die het merk wil uitstralen en it works.”

Beeld rv

Gaat u akkoord als ik uw stijl als subtiel, discreet en glamoureus omschrijf?

“‘Glamour’ vind ik een heel moeilijk woord, want het kan ook een wat negatieve bijklank hebben. Maar als het de chique glamour is van de jaren 20 en 30, vind ik het prima. Weet je, ik vind het zeer moeilijk om mijn eigen stijl te omschrijven. Het is geen minimalisme, ook al noemen sommigen het zo. Er zijn inderdaad weinig krullen en ik hou van een rechte belijning, dus ik snap het wel als men mij bij de minimalisten indeelt. De basis is weliswaar minimalistisch, maar die wordt aangevuld met heel veel details en mooie materialen die het luxueus doen ogen.”

Bent u een perfectionist?

“Dat denk ik wel, ja.”

Ik vraag het omdat u vaak ook meubels ontwerpt voor uw projecten. Alles moet bij elkaar passen, daar hebt u een patent op.

“Het moet allemaal juist zijn, zeker. Op mijn bureau is er net iemand begonnen die vandaag iets perfectionistisch aan het doen was. ‘Je zit hier duidelijk goed’, zei mijn personal assistent toen ze dat zag. Je zag haar denken: nu hebben we er hier zo twee rondlopen.” (lacht)

Bekende mode-ontwerpers laten het tekenen vaak aan hun team over. Ontwerpt u nog veel zelf?

“Ik teken alles nog altijd zelf. Echt, er is hier geen enkel plan buitengegaan dat ik niet zelf gemaakt heb. Ik kan alleen niet op de computer tekenen. Ik schets op de iPad, da’s echt magnifiek. Ik maak de schetsen, waarna alles door mijn medewerkers wordt uitgetekend. Vervolgens kom ik erop terug totdat alles juist zit. Zoiets zit trouwens vaak in de details.”

U werkt de jongste jaren steeds vaker in het buitenland. Is het belangrijk om buiten de Belgische context te treden?

“Zeker. Het is fijn dat klanten als Hieronymus (Zwitsers producent van luxueuze papierwaren, red.) ons vinden. Daarom geef ik graag al eens een interview, dan leren zulke mensen me kennen. (lacht) De voormalige studio in Parijs van Geert Bruloot en Eddy Michiels van Coccodrillo werd gepubliceerd in een internationaal magazine en dat werd vervolgens opgepikt door de artistiek directeur van Hieronymus. We waren overigens al het vijfde internationaal architectenbureau dat ze vroegen. (lacht) Maar we hadden meteen een heel goed contact. Ze zijn naar de burelen en de showroom gekomen en toen zeiden ze: het interieur van de winkel moet precies zo worden als deze interieurs.”

U hebt meer dan één club getekend, waarvan Culture Club de bekendste is. Bent u een nachtraaf?

“Ik ben dat gelukkig geweest, ja. Ik denk dat een mens daar niet vies van mag zijn, amusement is nu eenmaal deel van het leven. Als ik zie hoe plezant het was in Culture Club… Of neem nu Studio 54 (legendarische New Yorkse club, red.), echt jammer dat ik dat niet zelf heb kunnen meemaken. Uitgaan heeft me zelfs geholpen om bepaalde opdrachten binnen te halen. Zo zat ik in een kleine club en vroegen de eigenaars om hun volgende club, de Culture Club, te ontwerpen.

“Weet je, goede architectuur moet lang meegaan, maar met die clubs is dat jammer genoeg een beetje anders uitgedraaid. Je hoort vaak zeggen dat je om de vijf, zes jaar moet veranderen van interieur, maar dat vind ik verkooppraatjes. Een goed interieur moet minstens twintig jaar meegaan, alleen verdwijnt het bij clubs allemaal wat sneller.”

U hebt duidelijk iets met muziek: Studio Deewee van de broers Dewaele hebt u ook ontworpen.

“Dat was een heel specifiek project. Ik moest echt openstaan voor wat ze voor ogen hadden, want ze wilden absoluut geen witte doos, wel iets heel grafisch – daar zijn ze door gepassioneerd.”

U moet nog vijftig worden en toch hebt u een cv om U tegen te zeggen. Staat u daar wel eens bij stil?

“Soms denk ik: wat heb ik eigenlijk al gedaan? Ik kijk vooral naar de toekomst en vergeet dan wat ik al allemaal gerealiseerd heb. Maar we hebben inderdaad al heel veel projecten neergezet. Ik ben zeer tevreden dat ik dat heb mogen doen, maar ik heb niet het gevoel dat het er zoveel zijn.”

Op welk project bent u het meest trots?

“Dat durf ik echt niet te zeggen. Niet omdat ik bepaalde klanten niet wil voortrekken, ik weet het gewoon niet. Als iedereen tevreden is – wat doorgaans zo is – ben ik zelf ook tevreden. Wanneer de band met de bouwheer zo hecht is dat je het niet erg vindt dat er om elf uur ’s avonds nog een telefoon komt om iets te veranderen, dan krijg je iets magnifieks. Wanneer klanten daarentegen minder betrokken zijn, heb ik meteen ook een minder goed gevoel. Dat voelt aan alsof ik er mijn ziel niet inleg en lijkt het alsof ik gewoon een product aflever. Ik wil de bouwheer altijd triggeren, maar als het echt niet gebeurt, dan is dat maar zo. Het is ook zeer leuk als de bouwheer mij triggert!”

Beeld rv

Wanneer wist u dat u architect wilde worden?

“Ik was nog zeer jong, tien of elf. Mijn interesse ging toen vooral naar interieurarchitectuur. Ik heb op mijn twaalfde mijn eigen slaapkamer mogen tekenen en die is ook effectief uitgevoerd. Omdat mijn ouders die zo goed vonden, heb ik ook hun badkamer mogen tekenen. Op mijn dertiende. (lacht) Ik schetste de ideeën en zij lieten een goede aannemer dat dan realiseren. Die badkamer en slaapkamer staan er trouwens nog altijd.

“Het zetelbed heb ik ook nog altijd, ik heb het alleen opnieuw laten stofferen. Mijn stijl zat er toen al in, al is die natuurlijk in de loop der jaren wel verfijnd. Het was trouwens mijn moeder die een humaniora had ontdekt die in de twee laatste jaren een voorbereiding gaf op architectuurstudies. Ik ben toen wel eens een jaar gezakt, omdat ik te veel gefeest had. (schatert) Mijn vader wilde dan weer graag dat ik Academie deed, vandaar dat ik naar Antwerpen ben gegaan, want in Gent was de Academie gestopt.”

Wie waren uw voorbeelden?

“Oscar Niemeyer met zijn organische vormgeving. Le Corbusier. Frank Lloyd Wright en zijn horizontalisme en cantilevers. Mies van der Rohe ook zeker. Hoe simpel zijn ontwerpen ook zijn, ze zijn superluxueus. We hebben als architect nu eenmaal veel dezelfde voorbeelden. (lacht) Later kwam er ook nog Barragán bij. Minimaal van ontwerp, maar met veel kleur.”

Als architect hebt u een grote verantwoordelijkheid, want u verandert de publieke ruimte. Staat u daar vaak bij stil?

“Zeker, al hangt het sowieso ook een beetje van het pand af. Bij Verso stond er al een magnifiek pand met veel ornamenten – die moet je niet gaan afbreken of onder een vals plafond verbergen. Ik let erop dat ik iets toevoeg dat altijd weer wegneembaar is. Als iemand mijn architecturaal decor weg wil hebben, dan kan dat dus. En wanneer er een nieuw pand gebouwd moet worden, zorgen we ervoor dat het niet schreeuwerig oogt en dat het lang kan blijven staan.

“Maar wat ze over dertig jaar van mijn werk gaan vinden, dat weet ik niet. Misschien breken ze het dan wel gewoon af. (lacht) Weet je, de publieke ruimte moet zo juist mogelijk zijn omdat dat iets doet met het sociale leven. Ook een club is daarin belangrijk: als die goed en mooi is, vinden mensen het leuk om er te komen. En dat stimuleert hun zijn. Dat vind ik heel belangrijk – ik wil dat mensen genieten van mijn architectuur.”

Tien jaar geleden was er even sprake van een Sestig Hotel, maar dat was geen lang leven beschoren. Was dat een grote ontgoocheling?

“Eigenlijk niet. We vonden het een ongelooflijk mooi pand, dus hebben we het gerestaureerd en in zijn oude glorie hersteld. Het is uiteindelijk een pop-uprestaurant geworden. Ik hou er zeker geen slecht gevoel aan over.”

Hebt u nog een droomproject?

“Een magnifiek luxehotel, da’s echt one of my dreams. Bouwen of reconversie, dat maakt me niet uit. Liefst iets à la Oscar Niemeyer. Ik wil een mooie ritmiek, een strakke gevel, een zwembad op het dak, een spa, alles erop en eraan. Een toren bouwen voor dat hotel is ook een van mijn dromen. En het liefst van al woon ik dan in het penthouse. Maar dat laatste zal allicht een droom blijven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234