Dinsdag 22/10/2019

Reizen Slovenië

‘Apitoerisme’ in Slovenië: een duurzame reis langs de thuishonk van de blije bij

Beeld Josefien Tondeleir

Neem tweehonderd willekeurige Slovenen, en minstens eentje heeft bijen in de achtertuin. Het insectje werd zelfs de spil van een nieuwe reistrend: apitoerisme. Ideaal leesvoer ter voorbereiding van 20 mei, wereldbijendag. 

Goed, dan mag je nu langzaam één handschoen uittrekken en je blote hand hierheen brengen. Rustig blijven, lach maar naar de camera. Jij bent niet allergisch, toch?”

In een paniekflits bedenk ik me dat ik het antwoord schuldig moet blijven – als diplomahouder in de Bizarre Dans Ter Insectontwijking ben ik nog nooit door een bij gestoken. Snel ­probeer ik mijn hand terug te trekken onder de witte sluier. Het is te laat. Mijn wijsvinger wordt recht richting een dikke honingraat geleid, bevolkt door zo’n drieduizend ongedurige bijen. Ik knijp mijn ogen dicht. Plop! Mijn bovenste kootje maakt een zachte landing, middenin een kwakje honing. “Proef maar!” Imker Blaž Ambrožič lacht me verwachtingsvol toe. Met de triomf van iemand die net drie ritjes in de Typhoon heeft overleefd, breng ik de buit naar mijn mond. Pas later zal blijken dat ik niet allergisch ben.

Deze persoonlijke overwinning speelt zich af in Slovenië, op een boogscheut van postkaartjesmateriaal als het populaire Lake Bled en wandel­favoriet Bohinj. Alleen ben ik hier dus niet om in gondels te peddelen of blaren te kweken, wel voor de nieuwste niche binnen duurzaam reizen: api­toerisme. “Met onze tours willen we bewustzijn creëren rond de rol van bijen, maar het is vooral een geweldig excuus om te genieten van onze rijke natuur en tradities”, klinkt het bij ApiRoutes, ’s werelds enige reisbureau voor de betere bijenreis. Slovenië is daarvoor de gedroomde uitvalsbasis: het gestreepte wezentje bekleedt er niet alleen een prominente plek in folkloristische hitsongs, maar ook op schoolexamens, in een officiële beschermwet en zelfs op een limited edition 2-euroteken. Hoeksteen van alle zottigheid is 20 mei, de verjaardag van ’s lands eerste bijengoeroe en sinds vorig jaar officieel de World Bee Day.

Beeld Josefien Tondeleir

“Mijn vrouw zegt weleens dat ik duizenden minnaressen heb, zo graag zie ik mijn bijen”, zegt Blaž. “Je zal snel merken dat ze zoveel meer zijn dan een eng insect.”

De man die me net bijna de dood in dreef, moedigt me nu aan tot fase 2 van zijn ‘five star bee experience’: het strelen van een bij. Daarvoor duwt hij me midden in een zwerm, die zich al snel collectief op mijn capuchontrui nestelt. Het zoemen zwelt aan, maar heeft tegelijk een geruststellend effect. Blindelings laat ik een stel pootjes over mijn pols dartelen. “De Sloveense bij is de minst agressieve ter wereld, én razend efficiënt”, vertelt Blaž, met vaderlijke blik op ons gezelschap. “Een derde van ons voedsel hebben we aan hun bestuiving te danken. Ze zijn letterlijk van levens­belang.”

Midden in de landelijke Savinjavallei staan de bungalows van Beeland, in de vorm van een honingraat. Beeld Josefien Tondeleir

Aan de insectenhaters die in bovenstaande passage vooral een onversneden horrorscène lazen: blijf nog even bij ons, want apitoerisme is zoveel meer dan bijen knuffelen alleen (beloofd). Een tweede trendwoord is immers apitherapie, wat zoveel betekent als wellness met honing, was, propolis en zelfs bijengif. Waar sommige wondermiddeltjes minstens dubieus klinken – koninginnengelei als natuurlijke viagra, bijvoorbeeld – verdienden anderen ook wetenschappelijk hun strepen. Zo monteren heel wat Sloveense imkers een mondmasker aan hun bijenkast, waarvan de geurtjes astma zouden genezen.

Imker Blaž houdt het eenvoudiger: ik mag me neervlijen op een bedje langs het nest, netjes afgeschermd met een fijnmazig net. Ik adem diep in, de bijen reageren met een serene gons. Hun aroma’s sluipen mijn lichaam binnen, alsof ik met instant geborgenheid wordt volgepompt. Meteen doezel ik weg in een dagdroom vol kindernostalgie. “Als elke businessman dit dagelijks zou doen, hadden we misschien geen burn-outs meer”, lacht Blaž.

Een Beeland-bungalow. Beeld Josefien Tondeleir

De bijenlucht mag dan bijzonder heilzaam zijn, het houten bedje blijft toch een tikje rudimentair. In naam van de journalistiek laat ik me dus ook meetronen naar de meest luxueuze variant van apitherapie: spahotel Beeland. Dat valt gerust letterlijk te nemen, want in plaats van de gangbare hotelkamer krijg ik ‘Maya’ toegewezen, mijn persoonlijke honingraat (‘Don’t worry, bee happy!’, lees ik op de deurmat). Kitsch of niet, het is niet moeilijk om me meteen koningin van het nest te wanen. Van de privéjacuzzi in de onderste cel fladder ik gezwind naar de sauna op de tussenverdieping. Ik doe me tegoed aan de bijenvormige honingchocolaatjes, die als winterrantsoen in de keukenkast klaarliggen. Mijn werkbijen hou ik dan weer in de gaten vanuit de oppercel, met panorama’s op de (echte) bijenkast én zwemvijver van het hotel. Hier wil ik de rest van de week niet buiten.

Maar een bij moet bezig blijven, en dus word ik kordaat uit mijn nest geroepen voor een massage met huisgemaakte honing. De sympathieke Adriana behaalde een speciaal diploma voor dit type kneden, dat eigenlijk niets met kneden te maken heeft. In plaats daarvan pletst ze een smeuïge klodder honing op mijn rug, die ze met korte tikjes mijn huid in drukt. Daarna begint het ‘liften’: door de honing kleeft mijn huid aan haar vingertoppen, met een boterzachte peeling als resultaat. “De honing maakt de huid elastisch, zorgt voor betere bloeddoorstroming en helpt tegen veroudering. Eigenlijk is het een elixir voor eeuwige jeugd”, klinkt het boven de kabbelende regenwoudgeluiden – toch één element dat echt in elke spa hetzelfde is. Of mijn rimpels nu voorgoed bestreden zijn, betwijfel ik, maar de korte duwtjes voelen v­errassend aangenaam. Anders dan bij een klassieke massage, hoef ik ook niet bang te zijn om ineens in een of andere houdgreep te worden geplooid.

Ik rond de avond af in de jacuzzi met Beyoncé’s ‘Homecoming’ op play – Queen Bee’s onder elkaar, weet je wel.

Beeld Josefien Tondeleir

Dag twee: mijn huidvezels zijn zijdezacht en mijn spieren in topvorm. Dat moet ook, want er wacht ons een flinke wandeling in barokstad Ljubljana. Of wacht – ging dit artikel niet over bijen?

Geduld, kritische lezer: ook midden in de stad is imkeren even ingeburgerd als pakweg joggen. Intussen zijn er zo’n 4.500 bijenkasten in Ljubljana, opvallend vaak door jongeren verzorgd. Het is hier dan ook comfortabel leven als bij. Achter elke straathoek schuilt wel een fleurig volkstuintje, en 46% van de stad is nog pure wildernis. Het leverde Ljubljana in 2016 al de titel Green Capital of the Year op, sindsdien hét handelsmerk van de stad. Overal zie ik fietsboulevards, wandelzones en elektrische autootjes. Een hoogtepunt is de zero waste boerenmarkt in het stadscentrum, waar zelfs speciaal ­sorteerpersoneel de recyclage in goede banen leidt. Fijn detail: uit een machine vol loeiverse melk kan je zelf je herbruikbare beker voltappen. Daar kunnen zelfs de Scandinaviërs nog van leren.

Dankzij die groene beweging boomde in Ljubljana dus ook de bijentrend, met een gloednieuwe Urban Beekeeping Tour als kroonstuk. Enig obstakel: door het dichte wolkendek valt er in ons geval niet veel actie te spotten. We starten de tour dan maar bij de expo ‘Where bees are at home’ in het Etnografiemuseum, ook al in het kader van de fameuze World Bee Day. Eindelijk krijgen we antwoord op dé vraag: vanwaar komt die Sloveense bijengekte toch?

“Voordat de industriële groei van suiker opkwam, had elke Europeaan wel een kleine bijenkast”, schetst de curator, te midden van een stel antieke honingmachines. “In Slovenië bleef dat ook later in stand: er was nood aan bijenwas voor kaarsen en geneeskunde, en een stevig verankerde boerencultuur. Wij kennen maar al te goed het belang van zelfvoorziening, zeker sinds de burgeroorlog en economische crisis.” Een steeds terugkerend portret verraadt nog een tweede aansteker: Anton Janša, de Sloveense imker die aan het hof van Maria Teresa de allereerste bijenschool dirigeerde. Inmid­dels heeft de nationale held zijn eigen memorial apiary (bijenschans) en een aan hem gewijde jeugdboekenreeks.

Ljubljana. Beeld Josefien Tondeleir

Het hoogtepunt van de expo ontdekken we echter pas op het einde, in de vorm van een reeks antieke bijendeurtjes. Allemaal zijn ze bedrukt met grillige hersenspinsels, van bijbelfiguren en fabeldieren tot weinig vrouwvriendelijke satires. ‘Tot in de 19de eeuw geloofde men dat de panelen de bijen hielpen hun kolonie terug te vinden. Nog altijd is het een geliefde traditie’, aldus het infoplaatje. Als bezoeker kan je in het museum ook zelf een paneeltje bij elkaar kwasten, maar wij kiezen voor de minder inspannende praktijkles: een weldadige degustatie van honingwijn, honinglikeur, honingkoekjes en, nu ja, honing. Place to be is Lectarija, een antiek honingwinkeltje met modernistische allures. Het interieur werd nog ontworpen door Jože Plečnik, een soort plaatselijke Gaudí. De toparchitect studeerde onder Otto Wagner en renoveerde de Praagse burcht, maar was bovenal een groot bijenbewonderaar. Zijn passie zit in elk detail: de kasten hebben een jasje van bijenwas, de etalage de vorm van een honingspiraal. Alsof het kaviaar betreft, proeven we het verschil tussen bos- en bloemenhoning. De eerste is zacht en vloeiend, de ander krokant en stroperig. Een echte revelatie blijken de honingshots - breng dit naar de Brusselse kerstmarkt, en je hebt zeker een geslaagd businessmodel.

Maar dan breken de eerste zonnestralen door, hét startschot voor de bijen om eindelijk de vleugels te strekken. We reppen ons naar de rooftop van Park Hotel, actieterrein van Ljubljana’s meest fanatieke urban beekeeper Gorazd Trušnovec. Jaren geleden was hij nog een succesvol journalist, tot de bijengekte ook hem te pakken kreeg. Terwijl onze fotografe haar leven waagt voor een bijenportret, trakteert hij me op allerlei weetjes uit zijn persoonlijk archief. “Ljubljana is verrassend rijk in biodiversiteit”, wijzend naar de beboste heuvels in de verte. “Het groen reikt tot binnen de vliegafstand van de bijen. Bovendien worden inwoners aangemoedigd om nectarbloemen op hun balkons te hangen. Onze honing is zelfs van betere kwaliteit dan die van het platteland, want we kampen niet met pesticiden.”

Als hij ons bij afscheid een potje van zijn honing meegeeft, kan ik me geen mooier cadeau inbeelden.

Ecologisch bewustzijn domineert het straatbeeld van Green Capital Ljubljana. Beeld Josefien Tondeleir

Per definitie is apitoerisme ook ecotoerisme. Dat blijkt pas echt wanneer we vanuit de stad weer de wildernis intrekken, ditmaal naar het mystieke Triglav National Park. Nu pas valt me op hoe ongerept dit land eigenlijk is. 65% van de Sloveense oppervlakte is bedekt met dichte wouden, amper twee miljoen mensen leven in dorpen verspreid over de valleien. Onze autorit duurt ruim twee uur, maar op een zeldzame boerderij na blijven de bossen ononderbroken. Opgewonden houd ik mijn fototoestel omklemd; in elke donkere vlek zie ik wel een wolf, lynx of bruine beer. Dat enthousiasme wordt door de imkers niet gedeeld – het Winnie the Pooh-cliché blijkt realistischer dan ik dacht. “Als een beer honger heeft, slaat hij gemakkelijk je bijenstal aan diggelen”, getuigt een bewoonster uit de regio. “Al een tijdje belooft de regering om zo’n 200 beren af te knallen. De 800 exemplaren die we nu hebben, dat is te veel. De groene activisten kunnen dan wel protesteren, maar met hun loft in Ljubljana hebben ze geen idee waarover ze spreken.”

Vooralsnog blijven de beren gelukkig goed beschermd, en op zijn beurt is ook onze honing ongedeerd. Na een ellenlange kronkelweg bereiken we Gorjuše: het laatste dorpje voor het onherbergzame Pokljuka-plateau, en op dit moment een baken van beschaving. Relatief dan, want nog meer dan elders in Slovenië is ‘guacamole’ of ‘sushi’ hier Latijn. Bewoners zijn op lokale boerderijen aangewezen, de meesten telen zelf. Toch staan ook die eeuwenoude gewoontes onder druk. Jongeren ontvluchten steeds vaker hun dorp, waardoor de boerenbevolking slinkt. “Dankzij ons boerderijtoerisme willen we gasten opnieuw in contact brengen met het landelijke leven”, klinkt het bij de Ročnjek Tourist Farm. “Ze kunnen paddenstoelen plukken, hooi rollen of schapen hoeden. Helemaal in harmonie met de natuur.” Alsof de gastvrouw haar punt wil bewijzen, zet ze een dampende schotel voor onze neus. We proeven biologische prei uit de moestuin, zelfgebakken boekweitbrood, verse forel uit de rivier. “Voor ons staat kwaliteit boven kwantiteit, geduld boven manipulatie. Wat je zelf kweekt, smaakt nu eenmaal beter.” Het is exact dezelfde filosofie die ik ook bij de imkers hoorde, bijna alsof het een nationale leuze betreft. En dat zelfs zonder één hippe influencer in het spel.

Van de yoghurt tot de confituur: alles is eigen kweek in Ročnjek Tourist Farm. Beeld Josefien Tondeleir

De laatste etappe brengt ons naar het dorpje Radovljica, ook wel ‘hoofdstad van de imker’ genoemd. Niet alleen de ‘honing verkrijgbaar!’-bordjes worden talrijker, in het middeleeuwse centrum huist ook een kneuterig bijenmuseum en imkerschooltje. Iets minder schattig is de ‘Bee Our Guest Hop On Hop Off Tour’, een Disneylandachtige bus die sinds kort de lokale imkers afschuimt (geen grap). We bedanken vriendelijk – intussen aten we genoeg honing om een berenwelp door de winter te loodsen, en ook de bijenweetjes hebben we stilaan allemaal gehoord. In plaats daarvan schuiven we aan tafel bij Lectar, een stokoude herberg annex peperkoekfabriek. Alles oogt zo traditioneel dat het wel Bokrijk lijkt. Na een ongelooflijke truffelsoep (‘vanochtend geplukt’), goulash (‘onze specialiteit sinds 1822’) en verrukkelijke kaasrol (‘voor de vegetariërs’), volgt de ultieme apotheose. Een ­gigantische schaal ovenverse gebakjes op basis van lokale kastanjehoning. Uitbater Jože blijkt bovendien een bedreven mondharmonicaspeler, met voorliefde voor absurde tafelconcerten. Het wordt een filmpje om nooit nog te wissen, en bovenal een onvergetelijk diner.

Alleen enkele ecoboerderijen bevlekken de bossen van natuurpark Bohinj. Beeld Josefien Tondeleir

Voor een laatste keer duikt onze auto het Lord of the Rings-decor in, richting luchthaven. Daar bestel ik kruidenthee, vergezeld van een plastic buisje fabriekshoning. Nu ik weet welk bijenleven daarachter schuilt, vind ik het ding bijna een belediging. ‘Misschien toch niet zo’n slecht idee, dat bijenhotel’, stuur ik mijn vriend. En dat voor een rasechte insectenhater.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234