Woensdag 26/06/2019

Interview

“Altijd wilden ze Jean-Marie Pfaff vernederen en pijn doen, altijd wilden ze mij een hak zetten”

Beeld Geert Van De Velde

Jean-Marie Pfaff, de katachtigste aller topkeepers, de helmboswuivendste aller realitysoapsterren, de waardigste aller kraagreclamedragers, is 65 geworden. In Brasschaat wil Jan Jambon hem voor de gelegenheid ereburger maken van zijn gemeente, net als de burgemeesters van Beveren en Pfaffs geboorteplaats Lebbeke. Dertig jaar na zijn afscheid als keeper en zeven jaar na de laatste aflevering van De Pfaffs is el simpático nog altijd hot as hell: “Sommige voetballers zijn bekend, maar niet graag gezien. Ik ben bekend én graag gezien.”

De champ is drie kwartier te laat op de afspraak. Dat zit zo: 'Ons Shania had gisteren haar auto voor de garagepoort geparkeerd, maar ze is 's avonds met haar mama naar huis gereden. Nu zit ze op school.' Dochter Debby was de redster in nood. Zonder verpinken leende ze haar autosleutels uit aan de stamvader: 'Zo zijn wij.' 

Shania kwam gisteren mee je 65ste verjaardag vieren: is het een mooi feest geworden?

Jean-Marie Pfaff: “Gewoon. Rustig. Carmen heeft iets gekookt, de kinderen hebben haar geholpen en de kleinkinderen hebben de tafel gedekt en afgeruimd. (Spreidt de armen) Dat is de familie Pfaff.”

Doet het je iets, 65 worden?

“Neuh. Ik kijk niet achteruit, alleen vooruit. Dat is zoals wanneer je in de goal staat: als ge achteruit kijkt, zijt ge gezien.”

Je bent officieel pensioengerechtigd: ga je het rustiger aan doen?

“Nee, ik doe voort met mijn lezingen en actes de présence. En ik heb juist een kantoorbus gekocht. Dat is een oude droom van mij: buschauffeur worden. Als bedrijven of sportclubs mij bellen, dan voer ik ze naar waar ze maar willen.

“Achter het stuur van de bus word ik zen, en je zou het gezicht van de mensen eens moeten zien als ze mij zien zitten. Dan wuif ik vriendelijk: 'Dag jongens.' Dat houdt mijn leven spannend.”

Beeld Geert Van De Velde

Je bent geboren op 4 december 1953. Wat voor een dag was dat?

“Pfff, dat had je aan mijn ouders moeten vragen. Ze woonden toen in hun woonwagen in Lebbeke. Die stond op het plein voor het Zwambershof, het café van Jean De Lathouwer, of Jean De Lat zoals wij zeiden, een schitterende mens. Toen mijn moeder moest bevallen, is mijn vader het café binnengegaan en heeft hij Jean gevraagd of hij mijn peter wilde worden. Zo ging dat in die tijd. Later zijn we met de woonwagen naar Beveren verhuisd.”

Het gezin Pfaff telde zes zoons en zes dochters. Pasten die allemaal in de woonwagen?

“Maar nee, ge begrijpt het niet. De woonwagen was voor de mama, de papa en de kleinste kinderen: die sliepen in een stapelbed. De oudere dochters sliepen in één caravan, de jongens in een andere. In de zomer trokken we met de caravans naar de zee, dan waren we met drie, vier wagens onderweg. Natuurlijk werd er al 's geduwd en getrokken, als ik de schoenen van één van mijn broers aantrok of zo, maar eigenlijk waren we een hecht blok.”

Je ouders verkochten huis aan huis.

“Als ik niet naar school moest, ging ik mee naar het magazijn in Sint-Niklaas waar ze de tapijten gingen inkopen. Dan ging ik met mama de straat op: 'Dag mevrouw, per ongeluk geen carpetje nodig? Of een traploper?' Als mama teken deed, kwam papa met de koopwaar. Toen heb ik geleerd dat je altijd eerlijk en correct moet blijven, en niemand in de zak mag zetten.

“Mijn moeder kon niet lezen. Mijn vader wel, maar hij kon niet schrijven, alleen zijn handtekening zetten. Zo waren de meeste mensen vroeger, maar ze hebben me alles geleerd. Zonder dat ik één klets rond mijn oren heb gekregen, dat stond niet in hun bijbel. Als we stout waren, werden we op het matje geroepen: 'Vandaag geen voetbal.' Dat was het enige wat we echt graag deden.”

Beeld Geert Van De Velde

Kreeg het gezin Pfaff de eindjes gemakkelijk aan elkaar geknoopt?

“Jaja, mijn ouders verdienden goed. Maar dat was een ander soort leven, nu draait alles rond geld, geld, geld. We kwamen niets te kort: als we een nieuw paar voetbalschoenen nodig hadden, kregen we die. Daar moest wel iets tegenover staan, de auto wassen, bijvoorbeeld.

“Toen ik 10 was, is papa zwaar ziek geworden: op twee jaar tijd is hij van 110 naar 40 kilogram gegaan. Kanker, dat was het enige wat je te horen kreeg in die tijd. Op 11 november is hij naar de kliniek gebracht, op 4 december was het mijn verjaardag, op 8 december is hij gestorven, drie dagen later begraven. Terwijl iedereen Sinterklaas aan het vieren was, zaten wij te blèten in de kliniek.

“Onze moeder heeft de kinderen alleen grootgebracht, samen met mijn oudere zussen. Mijn oudste zus heb ik nooit gekend, die is al vóór de oorlog gestorven, maar Marie-Louise en Liske hebben enorm veel gedaan. We hadden geen wasmachine, ze deden de was in een teil water, met een wasbord. En maar schrobben. Vergeet niet dat de jongens allemaal voetbal speelden: zó'n berg was. Maar ze deden dat met fierheid.”

Vechter

Je zei daarnet: voetbal was het enige wat we echt graag deden.

“We speelden op straat, die van de Onze-Lieve-Vrouwstraat tegen die van de Kerkstraat. Die van de Kerkstraat tegen nog een andere straat. En elke keer was het bagarre, alsof het Antwerp tegen Beerschot was.

“Mijn broers speelden toen bij Eendracht Aalst, maar ze waren amateurs: vóór de middag hadden ze een gewone job. Mijn vader ging hen ophalen in Sint-Niklaas en voerde hen dan naar de training. Soms mocht ik mee. Dan zag ik Michel Verschueren bezig: hij was toen physical coach en keeperstrainer. Soms mocht ik ook 's in de goal staan, en dan trapte Michel op doel. Maar dan ging er geen enkele binnen. (Buigt zich naar dictafoon) Lachske, Michel!

“Ik zag die mannen met zandzakken op hun schouders trappen op en af lopen. Dat inspireerde mij. Ik zag ze pull-ups doen aan de reling van de tribune, zag ze duiken in de zandbak. Dat heb ik allemaal opgeslagen. Toen ik bij Beveren speelde, liep ik 's morgens vroeg op de tribune omhoog en omlaag: de mannen van 't stad dachten dat ik zot was geworden. Ik heb ook zo'n zandbak laten aanleggen, maar die is al lang weg, die werd niet meer gebruikt. Het enige waarop ze nog trainen, is spelvormen. Keepers van nu zijn eigenlijk meer volleyballers. Die van Anderlecht (Thomas Didillon, red.) komt er nog wel 's tussen gevlogen, maar de rest staat gewoon op de lijn te wachten.”

Heb jij altijd in de goal gestaan?

“Ja, maar als we achterstonden, ging ik het veld op. Om te storen. Nu zeggen ze: pressing zetten, hoog spelen. Allemaal geleerde woorden, maar vroeger heette dat: eigenzinnig. Als de keeper de bal naar de linksback speelde, vloog ik daarop. Dat hebben verdedigers niet graag. Dan vielen we aan en scoorde ik de 1-1. Dan ging ik weer in het doel staan.”

Klopt het dat je je vader op zijn sterfbed hebt beloofd dat je een grote keeper zou worden?

“De grootste van de wereld. Papa heeft me maar één keer zien spelen. Ik zie hem nog altijd staan, hoog in de tribune, met zijn sjaal om de nek. Dat zijn van die momenten die je niet vergeet. (Dept met een zakdoek de tranen op zijn wangen) Sorry, hè. (Zwijgt enkele tellen, schraapt zijn keel) Mijn vader stond daar en zei: 'Dat gaat een grote worden.' Een week later was hij dood.”

Je hebt je woord gehouden: je bent een grote geworden.

“Ondanks de grote tegenstand. Mijn eerste officiële match was tegen Crossing Schaerbeek. 's Morgens moest ik in het Kuipke in Gent eerst nog examen gaan doen, voor een job bij de posterijen: mijn moeder wilde dat ik bij de staat ging werken. Het was met de hakken over de sloot: ik was alleen met de match bezig. We hebben die wedstrijd tegen Crossing verloren, maar ik heb wel goed gepakt. Ik was gelanceerd.

“Toen ik bij Beveren speelde, deed ik ochtendshifts als postsorteerder, voor 8.000 frank in de maand. Een schone tijd: ik heb veel liefdesbrieven zien passeren van maten uit Beveren die in het leger zaten. Als we een naam herkenden, lazen we die brieven: oe-la-la (twinkelende blik). Wij deden die niet open, hè, ze waren al open toen ze bij ons aankwamen. Nadien plakten wij ze braaf toe.”

Het cliché luidt dat goeie keepers gek zijn.

“We hebben een specifiek karakter. Tegenwoordig zie je keepers amper nog spreken, maar wij dirigeerden het spel: eigenlijk waren we assistent-coaches. Ik deed dat al bij de cadetten. Dat werd niet altijd geapprecieerd.”

Je was wel bijgelovig.

“Ik speelde nooit in het rood. Ik draag het nog altijd niet. Dat heeft te maken met Mario, de kleine van mijn broer Louis. Op een regenachtige dag kwam ik doorweekt met de fiets aan bij de caravan. Er hing een briefje aan de deur: 'Marioke is dood.' (Stil) Mario was tweeënhalf, hij was mijn beste vriend, ik nam hem overal mee naartoe. Ik ben direct naar mijn broer gereden en daar heb ik gehoord wat er gebeurd was. Zijn moeder had hem gewassen en op de vloer gezet. Maar de huisbaas was aan het werken in de garage: Mario heeft een blootliggende elektriciteitsleiding vastgepakt. 380 volt. Het was gebeurd. Op de laatste foto van ons tweeën had ik een rode trui aan. Sindsdien heb ik maar één keer rood gedragen, tijdens een match voor het goede doel: ik heb er vijf om de oren gekregen.”

Vorig jaar schreef Jacques Sys van Voetbalmagazine over die keer toen hij als beginnend journalist met knikkende knieën de kleedkamer van Beveren betrad. Jij was de enige die hem begroette.

“Dat was ons eerste jaar in eerste klasse. We hadden thuis tegen Cercle gespeeld, een fantastische match, 0-0. Toen ik de Sys zag binnenkomen, heb ik hem een hand gegeven. Een les van de woonwagen: je moet de mensen altijd in de ogen kijken. Nadien heb ik hem zelfs nog naar het station gebracht, omdat het regende. Achteraf werd dan gezegd dat ik dat deed om goed te staan bij de journalisten, maar daar had het niets mee te maken: het was een kwestie van beleefdheid. Als journalisten een interview wilden, liet ik ze naar mij thuis komen, kort na het middaguur. Mijn vrouw maakte dan eten, waarop ik tegen de journalist zei: 'Schuif mee aan.' Dat is geen mouwvegerij, dat is planning: in de voormiddag moest ik werken en na de middag moest ik trainen. Maar dat werd dan weer geïnterpreteerd als Pfaff dit, Pfaff dat. Ik had die publiciteit niet nodig, mijn kwaliteit kwam bovendrijven.”

Sys schreef ook dat hij die avond al het vuur van de ambitie in je ogen zag branden.

“Ik was een vechter. En ik heb vaak moeten vechten. Als iemand van het bestuur een zoon had die ook keeper was, moest ik plaatsmaken. Dan vocht ik terug, tot ik weer op mijn plaats stond. Maar ik heb nooit iemand pijn gedaan, nooit iemand tekortgedaan. Pas op, tegen een grote ploeg durfde ik weleens tijd winnen. Als de bal buiten was, ging ik die op mijn gemak halen. Nu doet iedereen dat, maar ik dacht vroeger al verder dan een ander.”

Zeven borden soep

In Beveren had je intussen Carmen leren kennen, nu al bijna vijfenveertig jaar je vrouw.

“Op een zaterdagavond kwamen de mannen af: 'We gaan een pintje drinken.' We zijn te voet gegaan, drie kilometer, af en toe een stukske lopen: ge kent dat. Toen ik in het café binnenkwam, zag ik Carmen staan: ik was van de hand Gods geslagen. Ik heb vijf frank in de jukebox gestoken en heb een trage gekozen: 'Du' van Peter Maffay. Je moet die tekst eens beluisteren: dat is het verhaal van mijn leven. Of toch een samenvatting. Ik heb nog een paar keer vijf frank bijgestoken, we hebben toen heel lang geslowd. Toen ik haar vertelde dat ik voetballer was, vroeg ze: 'Voor welke caféploeg?' (lacht) Ik zag direct dat Carmen een lief en schoon maske was, maar ze kende niks van voetbal. Toen ik die avond alleen naar huis vertrok, kwam ze me achternagelopen. Ik heb een paar kusjes gekregen, mijn avond was goed.

“Carmen heeft een belangrijke rol gespeeld in mijn leven. Het doet me enorm veel pijn dat ze zo sukkelt met haar gezondheid: osteoporose, 65 procent invalide. Mijn schoonmoeder was de beste vriendin die ik ooit gehad heb en mijn schoonvader, den bompa, had een onovertroffen gevoel voor humor. Ik denk wel dat hij veel van mijn handschoenen en keeperstenues heeft weggegeven. Ik vind ze niet meer terug, ik kan me voorstellen dat hij tegen bezoekers gezegd heeft: 'Pak maar mee!' Ik hoop dat ze die ooit terugbrengen, want die spullen betekenen veel voor mij. Ik heb altijd veel aandacht gehad voor mijn kledij. In de woonwagen lagen mijn tenues de avond voor de match op het nachtkastje naast mijn bed, netjes gewassen en gestreken door mijn moeder. Later nam Carmen die taak over: Bayern heeft mijn wedstrijdkleren niet één keer moeten wassen of strijken. Ik kwam altijd met mijn eigen kabas met kleren naar de match, een toiletzakje onder de arm. Ik zou graag een galerij openen waar ik mijn kledij en de truitjes van Cruijff, Maradona en Rummenigge tentoonstel.”

Beeld Geert Van De Velde

Toen je in de eerste ploeg kwam bij Beveren, speelde de ploeg in tweede klasse. Je maakte de promotie mee, maar ook de absolute boerenjaren 1978 en 1979, toen de club de beker en het kampioenschap won. En jij de Gouden Schoen.

“Maar dat heb ik niet in de schoot geworpen gekregen, hè! Ik ben niet groot geworden in een luxeploeg. Bij Beveren vijf goals binnenkrijgen is iets anders dan bij Real Madrid vijf goals binnenkrijgen: ik moest het de dag erna horen bij de bakker en de beenhouwer. Maar ik wilde altijd de beste zijn. Als ik op training iemand zag die beter was, dan dacht ik: 'Dat wil ik ook kunnen.' Ik was heel leergierig, dat zit in mijn lijf. Ik bleef gaan: 'Nog een bal, trainer!' Ik heb mijn club mee groot gemaakt. Toen ik van mijn supportersvereniging een wasmachine kreeg, heb ik die aan Beveren geschonken. Achteraf hoorde ik dat de club ze aan een nieuwe speler had gegeven, en ben ik ze gaan terughalen.

“Ik ben van het principe: je moet op alle vlakken beter worden. Maar sommige mensen hebben dat niet graag, en dan ben je al snel een moeilijke jongen.”

Ben je dat dan niet? Jacques Sys schreef ook dat je – ondanks de successen – altijd omgeven was door controverse.

“Ik ben geen moeilijke mens. Dat beeld is gecreëerd door journalisten en mensen die achter mijn rug fezelden. Toen ik Rode Duivel werd, kwam ik als speler van het kleine Beveren terecht tussen vier man van Brugge, vier van Standard en vier van Anderlecht. Die speelden kaart. Maar ik kende de regels niet, en dus ging ik een wandelingetje doen in het bos. En dan begon het: 'De Pfaff moet weer speciaal doen.'”

Klopt het verhaal dat niemand van de nationale ploeg nog met jou op de kamer wilde liggen?

“Leugens. Pure judasserij. Degene die u dat verteld heeft, mag verdomme doodvallen. Ze zeiden: 'Jean-Marie komt uit een woonwagen, hij gaat altijd laat slapen.' Dat is niet waar: het licht moest om elf uur uit.

“Altijd wilden ze Jean-Marie Pfaff vernederen en pijn doen, altijd wilden ze mij een hak zetten. Zoals die affaire met die grensrechter, monsieur Thirion: ik zou hem zogezegd een kniestoot hebben gegeven. Toen ik voor de groene tafel moest verschijnen (de geschillencommissie van de Belgische Voetbalbond, red.), heb ik met de tranen in mijn ogen vijf woorden gezegd: 'Ik heb het niet gedaan.' En toch ben ik gestraft: zes maanden schorsing, terwijl er op de beelden niks te zien was. Mijn moeder heeft er een hartinfarct aan overgehouden, en mijn schoonmoeder een maagbloeding. Ze hebben mij aan de schandpaal genageld.”

Beeld Geert Van De Velde

Had men het op jou gemunt omdat je van eenvoudige komaf was?

“Ach, er zijn overal slechte mensen. Terwijl ik alleen maar probeer te helpen. Als jij me straks vraagt of ik je zoons keeperstraining wil geven, kom dan naar Antwerpen, dan geef ik die mannekes tips in mijn hof. Maar dan doe ik dat voor de Sam en den Jack, niet voor jou.”

Eén van de straffere verhalen gaat over die keer toen je tijdens de Mundial van 1982 bijna verdronk in een zwembad.

“Dat is echt gebeurd. We lagen na de training in Elche - kort na de match tegen Argentinië - aan het zwembad van ons hotel. Ze waren dat aan het reinigen, met chloor. Toen ik aan radioman Jan Wauters vertelde dat ik niet kon zwemmen, zei hij: 'Ik ga u dat leren.' Wij in dat zwembad. Maar op een bepaald moment dacht ik dat hij mij losliet, waarop ik panikeerde en om me heen sloeg: Jan liet mij los, waardoor ik naar de bodem zonk. (Maakt wilde bewegingen) Liters chloor binnen.”

Klopt het dat je nadien zeven borden tomatensoep hebt gegeten, als remedie tegen chloorvergiftiging?

“Ja! Ik heb het er een jaar geleden nog over gehad met dokter Redant, die er toen bij was en mij dat had aangeraden. Mijn maag stond in brand: wat moest ik anders doen?

“Het is echt gebeurd, maar er was geen sprake van kwaad opzet. Nadien is ook dat verhaal weer helemaal opgeblazen door journalisten.”

Ging het ook zo bij het incident met Eric Gerets, tijdens datzelfde toernooi?

“De match tegen Hongarije, de zestigste minuut: ik kom uit op een hoge bal van de Hongaren en raak Eric. Dat is ongelukkig, maar dat kan gebeuren in een match. Ik heb zeker niet gedacht: 'Ik ga den Eric kwetsen.' (Maakt wegwerpgebaar) Ik wil er eigenlijk niet meer over spreken, maar allez, voor de allerlaatste keer: volgens de journalisten ben ik toen ook in de ambulance gesprongen die Eric kwam ophalen. Ik zweer op de hoofden van mijn kinderen dat dat nooit gebeurd is. Maar die rotzakken hebben het toch geschreven.”

Je hebt 64 caps en memorabele toernooien op je naam, maar mag ik toch noteren dat het een moeilijk huwelijk was, Pfaff en de Duivels?

“Nee. Het was een goed huwelijk, waaruit veel is voortgekomen. Dat het nu goed loopt voor de nationale ploeg, is te danken aan onze inspanningen. Zo'n succes heeft met jarenlange planning te maken. Trouwens: het was in mijn tijd veel moeilijker om 64 caps te halen. Op het EK van 1980 was de vierde match al de finale, tegenwoordig spelen ze twee matchen per week.”

Is de ploeg die deze zomer brons haalde in Rusland in de eerste plaats niet gewoon een lichting briljante voetballers?

“Akkoord, maar ze zijn er ook geraakt omdat de jeugdopleiding verbeterd is. Wij moesten het doen in veel minder luxueuze omstandigheden.”

Welke generatie is de beste: die van '86 of die van '18?

“Onvergelijkbaar, omdat de tijden veranderd zijn. Die mannen verdienen 500.000 euro per maand: wij waren blij als we een huizeke en een auto konden betalen. We moesten zelfs onze schoenen zelf kopen. En laat ons wel wezen: die match tegen Brazilië was eigenlijk een match tegen één speler, Neymar, die meer op de grond lag dan hij rechtstond.”

Thibaut Courtois werd uitgeroepen tot keeper van het WK. Vergelijk hem eens met jezelf.

“Hij is twee meter groot en ik maar een meter tachtig (lacht).”

Hij is geen penaltyspecialist: zou je hem enkele tips kunnen geven?

“Ik heb belangrijke penalty's gepakt. Tegen Spanje op de Mundial. Tegen Schotland hier in Brussel. En voor Bayern, in de laatste minuut, bij 2-2 en voor 78.000 toeschouwers: je moet het maar klaarspelen, hè! Ik weet wat Courtois moet doen, maar zolang hij niets vraagt, ga ik me niet moeien.”

Kunnen we Europees kampioen worden?

“Ja, dat denk ik wel. Vooral omdat het toernooi in verschillende landen wordt gespeeld: geen enkel land heeft thuisvoordeel. En Eden Hazard heeft nog één toernooi nodig om een echte grote te worden. Dan mag hij voor mijn part zelfs nog een hamburger gaan eten. Ik snap niet dat ze daar indertijd zo'n spel van hebben gemaakt, ik deed dat ook. Als die jongen graag een hamburger eet, laat hem toch doen.”

Matchfixing

Je bent in 1982 naar het grote Bayern München verkast, maar je kon al eerder bij andere topploegen terecht.

“Constant Vanden Stock heeft me eens gezegd dat hij alle spelers gekocht heeft die hij wilde, 'op één na, de numero één van België'. Dat is het mooiste compliment dat ik ooit heb gekregen. Maar ik was trouw aan mijn ploeg. Veel ploegen trokken aan mijn mouw: Ajax, Espanyol Barcelona, Deportivo de La Coruña. Alle ploegen wilden mij, maar ze konden me niet betalen. En ik voelde me goed in Beveren: waarom zou ik weggaan? Ook al verdiende ik maar 25.000 frank en werden we maar tien maanden betaald. Ik heb al die contracten nog liggen.”

Is het waar dat je transfer naar Bayern beklonken is zonder makelaar?

“Eén vergadering in het SAS-hotel in Düsseldorf, er was alleen een tolk bij. Ik heb Uli Hoeness toen bedenktijd gevraagd, en na tien dagen heb ik toegezegd. Vanaf dan werd ik wel beter betaald.”

Toen je pas naar Bayern was getransfereerd, vertelde je aan Humo's Wilfried Hendrickx dat er een voetbalmaffia actief was in België, makelaars die de hoofden van spelers op hol brachten met het oog op competitievervalsing. Visionair, blijkt nu. Ben je geschrokken van de recente onthullingen over matchfixing?

“Nee. De clubs hebben het allemaal zelf in de hand gewerkt. Ik deed er niet aan mee. Anderen namen wel geld aan van ploegen, ik nooit. Geen rotte frank. Toen ik bij Bayern speelde, moest ik eens bij trainer Udo Lattek komen. Hij vroeg me naar de match van Beveren tegen Barcelona, de halve finale van de Europabeker: 'Ben je toen omgekocht?' 'Hoe dat? Nooit van mijn leven.' Ik heb op acht Europese matchen twee goals binnengekregen: twee penalty's die ik niet zelf veroorzaakt had. Toen bleek dat een bestuurslid van Beveren – een kerel die altijd met een pint op zijn kop danste – tijdens het diner voor de match tegen het bestuur van Barcelona had gezegd: 'Als je wilt winnen, moet je dat met onze keeper regelen.'”

Je bent wel benaderd?

“Soms kwamen ze weleens vragen: 'Kunnen we niks regelen?' Zo is het indertijd met Standard-Waterschei waarschijnlijk ook gegaan. En bij de recente schandalen ook. Maar ik vind dat de voorzitter van Beveren (Dirk Huyck, red.) te zwaar wordt aangepakt. Ik ken die mens, dat is een correcte jongen. Hij heeft toch eerlijk gezegd: 'Ik doe niet mee?' En dan nemen ze hem kwalijk dat hij niks is gaan zeggen bij de bond. Maar hij moet zijn collega's toch niet gaan verklikken?”

In 1988 kwam er een einde aan je Beierse droom. Je verkaste naar Lierse.

“Ik heb van niets spijt in mijn leven, maar... Wacht, ik zal iets laten zien. (Scrollt verwoed op zijn gsm) Dedju, waar zit dat nu? (Legt gsm opzij) Ik heb van één ding spijt: dat ik in 1988 bij Bayern ben vertrokken, ook al had ik nog een contract voor een jaar. Maar ik wilde niet op de bank zitten. Ik was beter gebleven. Na Lierse heb ik nog een jaar in Turkije gespeeld, bij Trabzonspor: één van de schoonste periodes van mijn leven. Veel gezien, veel gedanst.”

Nadien zette je een punt achter je actieve voetbalcarrière. In Humo gaf je te kennen dat je jezelf wel journalist of trainer zag worden.

“Journalist, maar geen analist. Ik zie soms ex-spelers die niet eens international zijn geweest, uitleggen wat José Mourinho had moeten doen. Dan denk ik: wie zijt gij? (Wuift naar vier scholieren die op de ruit staan te bonken) Dag jongens!

“Hoe zal ik het zeggen? Veel voetballers zijn bekend maar niet graag gezien. Ik ben bekend én graag gezien. Omdat ik mijn afkomst nooit verloochend heb.”

Klopt het overigens dat jij de kraagreclame hebt uitgevonden?

“Natuurlijk. Dat is... een instinct. Nu doet iedereen dat, maar verkeerd: het merk moet op de juiste plaats staan om goed in beeld te komen. Ja, ze zijn vaak met mijn ideeën gaan lopen. Zoals die mens van Reusch, aan wie ik heb uitgelegd hoe hij een goede handschoen moet maken, met de naad langs de binnenkant gestikt. Hij heeft duizenden paren handschoenen verkocht, nadien heeft hij zijn zaak voor veel geld verpatst.”

Eind 1998 keerde je terug naar het voetbal: je werd toen trainer bij KV Oostende. Het was geen succes, dat bleek nog maar eens uit de reconstructie die Het Nieuwsblad publiceerde.

“Ik heb met dat artikel mijn gat afgekuist. Ik zweer het. Toen ik daar tekende, verklaarde Lothar Matthäus mij zot: 'Wat ga je bij zo'n ploeg doen?' Het was een vriendendienst voor voorzitter Eddy Vergeylen. En voor Oostende, omdat ik daar altijd op vakantie ging. Ik dacht dat ik daar medewerkers ging krijgen, maar toen ik voelde dat het tégenwerkers waren, heb ik meteen gezegd: 'Ik stop ermee.' Als ik de favorieten van het bestuur niet opstelde, werd ik gedwarsboomd. Als ze hadden meegewerkt, dan had Oostende al langer gestaan waar het nu staat.”

Gelukkig kwam er snel rehabilitatie, in de vorm van De Pfaffs, de succesvolle soap die zich in en rond je Brasschaatse villa afspeelde.

“Tien seizoenen! Terwijl iedereen dacht dat we na vijf afleveringen afgevoerd zouden worden. Er gaat nu trouwens een petitie rond: 'Breng De Pfaffs terug'.”

Heb je er nooit spijt van gehad dat je je privéleven op straat hebt gegooid?

“Spijt? Jamais. Ik zal je eens iets tonen (grijpt gsm weer).

Je kleinkinderen hebben er nooit voor gekozen om en plein public op te groeien: nemen ze je niets kwalijk?

“Mijn kleinkinderen zijn mijn beste vrienden. We hebben het er gisteren nog lang over gehad: 'Weet ge nog, die keer op de boot?' Die beelden zijn schitterende souvenirs van ons leven, niet iedereen heeft dat. En wij zijn het niet gaan vragen, hè: VTM is naar ons gekomen.”

Er werd indertijd gefluisterd dat jullie 1 miljoen frank per aflevering kregen: niet slecht.

(wuift) “Zot. We zijn een prijs overeengekomen, in alle eerlijkheid. Nu zou ik het natuurlijk anders gedaan hebben: je komt slimmer terug van de markt dan je ernaartoe gaat. (Verder swipend) Ik heb de mensen altijd voor niks geholpen. Als ik op een sportavond ging spreken, kwam ik met een mand fruit naar huis. En dan nog noemden de jaloezeriken mij een geldwolf. Jaren heb ik dat moeten slikken. Awel, nu doe ik het anders: als ze tijdens een match met mij in de loge willen zitten, moeten ze betalen. Ik maak een factuur, zo simpel is het. Ik doe niks meer voor niks. Tenzij voor mijn beste vrienden. Ik ben te vaak bedrogen, maar dat is mijn eigen fout, ik ben te naïef geweest. (Scrollt nog altijd verwoed) Aha, hier, eindelijk. Kijk: dat is iets schoons voor uw artikel.”

De champ overhandigt me zijn smartphone, ik krijg exclusieve toegang tot zijn tijdlijn. Een inspirational quote, tegen een blauwe achtergrond: 'Ik heb van niets spijt, alleen van mijn goede daden voor de verkeerde mensen.'

(priemende vinger) “Ziede? Dat moet ge schrijven in uw artikel.”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden