Boekrecensie

Volgens Karl Ove Knausgård is dít de allerbeste roman ooit door een Noor geschreven

'De vogels' van Tarjei Vesaas: alweer een herontdekt meesterwerk

2 Tarjej Vesaas (1897-1970), de auteur van 'De vogels', over een broer en een zus die na de dood van hun ouders aan elkaar zijn overgeleverd in een huisje aan een meer. © rv

Een merkwaardige Noorse roman over het struikelende leven van een mentaal gehandicapte jongen krijgt een tweede kans. De vogels van Tarjei Vesaas verdient voluit zijn herontdekking.

2 © rv

Het is een tegenwoordig fervent bedreven volkssport onder uitgevers: speuren en spieden naar onder het stof geraakte ­raspaardjes van de literatuur. Zoek het gerust in een wat verwaarloosd hoekje of in een minuscuul taalgebied. Presenteer vervolgens je ontdekking met veel poeha en haal daarbij minstens de term ‘onontdekt meesterwerk’ van stal. Contacteer misschien ook nog een bekende auteur die je van een paar ronkende quotes ­voorziet. En klaar is Kees. Jammer dat er bij dergelijke heruitgaves vaak bespaard wordt op een omlijstend nawoord.

In ieder geval hebben we aan deze ­nijvere zielen de herlezing te danken van auteurs als bijvoorbeeld John Williams, Ida Simons, Sándor Márai, Hans Fallada of recent ook nog Maurice Pons of Sadegh Hedayat. Ook de website Schwob richt het vizier op 20ste-eeuwse vergeten ­klassiekers of parels.

Share

'Het proza is zo simpel en subtiel, dat het boek wellicht gerekend zou worden tot een wereldklassieker van de voorbije eeuw, mocht het in het Engels of Frans zijn geschreven'

Karl Ove Knausgård in de 'New York Times Book Review'

En ere wie ere toekomt: Oscar van Gelderen van Lebowski-uitgevers slooft zich al langer uit voor de revival van het zoveelste ondergesneeuwde cultboek.

Nu flikt hij het opnieuw met de roman De vogels van de Noorse auteur Tarjei Vesaas (1897-1970), in 1981 bij Agathon voor het eerst in het Nederlands verschenen. Je moet immers al een doorgewinterde Scandinavië-kenner zijn om de modernist Vesaas tot je parate kennis te rekenen. Literair Noorwegen associeer je eerder met kanonnen als de naturalistische toneelschrijver Henrik Ibsen, Knut Hamsun of Sigrid Unset, en tegenwoordig met Herbjørg Wassmo, thrillerauteurs als Karin Fossum of Jo Nesbø en natuurlijk met Karl Ove Knausgård, die met zijn autobiografisch vijfluik Mijn kamp menig lezer in katzwijm deed vallen.

Het was ook Knausgård die in The New York Times Book Review het boek De vogels (1957) aanprees als zonder meer de beste roman ooit in Noorwegen geschreven: “Het proza is zo simpel en subtiel, dat het boek wellicht gerekend zou worden tot een wereldklassieker van de voorbije eeuw, mocht het in het Engels of Frans zijn geschreven.”

Overal tekens

De vogels is alleszins een bevreemdende leeservaring, waarbij je vanaf de eerste pagina’s door een onbehaaglijk huis-clos-sfeertje wordt ingepalmd. De roman bestrijkt een volledige zomer op het Noorse platteland. De 40-jarige Mattis leeft met zijn zus Hege in een onaanzienlijk huisje nabij een meer. Ze zijn aan elkaar overgeleverd nadat hun ouders zijn gestorven. Hege puurt een bescheiden maar noodzakelijk inkomen uit het breien van truien.

Het duurt even voor je in de gaten krijgt dat er iets schort met Mattis. Hij beleeft zijn omgeving wel op een heel eigen manier en gaat ook snel door het lint als hij geen respons krijgt op zijn observaties over vogels of natuurfenomenen. Bovendien is het alsof hij Hege voortdurend opeist.

Zijn zus moedigt Mattis regelmatig aan om werk te zoeken. Maar elke keer weer draait zijn rondgang bij de omliggende boerderijen uit op een ontgoocheling. Wanneer Mattis de kans krijgt om onkruid tussen de rapen te wieden, kan hij het tempo niet volgen en raakt hij gefascineerd door een jong koppeltje dat ook op het veld werkt. ‘Hij moest steeds stoppen omdat zijn gedachten in de war raakten, zodat hij dat wat raap moest worden uittrok en het onkruid liet staan. (…) Zijn gebruikelijke verwarring tussen gedachten en werk nam toe.’

Achter zijn rug om wordt hij Slome Mattis genoemd. Want wanneer hij buiten zijn comfortzone treedt, loopt het goed mis. Het veiligst voelt Mattis zich in het woud. Daar kan hij zijn eigen universum creëren zonder dat iemand er last van heeft. Hij ontwaart overal tekens. In de hem bang makende bliksem, maar vooral in de houtsniptrek die pal boven hun huis plaatsvindt. ‘Een glimp, een beroering van een vleugel binnen in je, en weg weer.’

Mattis detecteert er een signaal van verandering in. En die zal er komen, maar niet op de manier waarop Mattis ze in gedachten heeft.

Vraagstaarterij

Vesaas bouwt de spanning deskundig op. De wrijvingen tussen broer en zus – gedwongen om op elkaars lip te zitten – escaleren, ook door het onophoudelijke gissen van Mattis naar haar onbevattelijke denkwereld. ‘Wat zou er binnen in haar zijn?, vroeg hij zich af. Zo scherp als ze was. Hij had daar veel ontzag voor. Het kon daar aardig tekeergaan, voor zover hij wist.’ En ook zijn vraagstaarterij breekt hem zuur op.

Alles gaat schuiven wanneer Mattis een veerdienst opzet op het nabije meer. Hij heeft welgeteld één klant: de houtvester Jørgen. Deze Jørgen wordt verliefd op Hege, die al jarenlang het gevoel heeft dat de tijd aan haar voorbij sluipt. Hun op elkaar ingestelde leventje valt in puin. En Mattis doet er onbewust alles aan om de indringer te weren.

Normaliteit op de helling

Share

Deze merkwaardige roman roept een heel spectrum aan ­sensaties op en dwingt tot een uiterst ­aandachtige lezing

Het proza van Vesaas is spaarzaam en tegelijk bevat het een uitgesproken ­lyrische dimensie, vol nauwgezet aangewende symboliek. Via Mattis zet Vesaas de normaliteit op de helling en besef je dat de denkwereld van de jongen niet zo heel ver verwijderd is van de onze. Zijn tragikomische pogingen om betekenis toe te kennen aan zijn omgeving zijn aandoenlijk. En in gesprekken slaat hij voort­durend de bal mis, tot grote animositeit en gêne van zijn toehoorders. Mattis verdraait zijn wensen tot zijn eigen ­waarheden.

Vesaas – die het verhaal van Mattis in de derde persoon schrijft – gebruikt (iets te overvloedig) cursiveringen om de eigenzinnige taal van Mattis te beklemtonen, in proza dat verwantschap toont met dat van de Hongaarse Ágota Kristóf (1935-2011). Ook daar regeert isolement, eenzaamheid, ongericht verlangen en verlies.

Maar Vesaas’ De vogels is misschien iets lichter van toon. Deze merkwaardige roman roept een heel spectrum aan ­sensaties op en dwingt tot een uiterst ­aandachtige lezing. Want er blijft veel onuitgesproken.

Terecht is dit boek uit het literaire maquis geplukt. Zonde wél dat ook hier weer een duidend voor- of nawoord ontbreekt.

Tarjei Vesaas, De vogels, Lebowski, 237 p., 19,99 euro. Uit het Noors vertaald door Marin Mars.

Dossier Boeken
Dossier Boeken

Lees alle artikels

zine