Zaterdag 19/09/2020

ReportageReizen

Van stammen en bomen, en Amerikaanse soldaten: Annelies Verbeke loopt door het Lippelobos

Beeld Thomas Sweertvaegher

Ergens tussen Willebroek en Dendermonde ligt een bos waar misschien wel weer een buizerd broedt. Op een tapijt van droge bolsters van beukennootjes maakt Annelies Verbeke hier een wandeling die ze al veel eerder had moeten maken. ‘Zie daar, een kabouterbadje!’

Er bestaan weinig plekken waarmee ik zo verbonden ben als met Lippelobos. Niet omdat ik er voortdurend wandel. Aangezien ik al zesentwintig jaar in Gent woon, gebeurt dat niet meer zo vaak als tijdens mijn kindertijd in Malderen en Londerzeel. Maar mijn familie – zowel die aan vaders- als aan moederszijde – heeft op allerlei manieren iets met dat bos te maken. Nu een virus de geografische grenzen waartussen ik mij doorgaans beweeg drastisch heeft vernauwd, voel ik de behoefte om aan de zijde van enkele van deze bloedverwanten de natuur en de geschiedenis van dit vertrouwde gebied in te duiken.

Annelies Verbeke tussen de majestueuze beuken van Lippelobos. Beeld Thomas Sweertvaegher

In vergelijking met het andere bos uit mijn kindertijd – Buggenhoutbos – is Lippelobos een jong bos. Er zullen voor 1780 al wel enkele bospercelen geweest zijn, maar in 1776 betrok burggraaf Jan Jozef Hyacinth de Beughem het nog steeds aanwezige Hof te Melis. Dat is een 15de-eeuws kasteel dat in de Eerste Wereldoorlog werd beschoten en afbrandde, en in 1920 werd heropgebouwd.

In 1780 begon die burggraaf met de aanplant van het bos. Als woudmeester van Brabant, die onder andere belast was met het beheer van het Zoniënwoud, kende hij iets van bossen in het leven roepen. Omdat alles wat Oostenrijks was in zijn tijd als modieus werd beschouwd, begon hij met de aanplant van dreven met beuken. De beuk is een inheemse boom, maar komt in een continentaal klimaat veel meer voor. Tot op heden zijn de dreven met majestueuze beuken het meest in het oog springende kenmerk van Lippelobos. De dikste bomen zijn die uit 1780. Vanaf 1860 werden de bospercelen tussen de dreven aangelegd.

Trotse boswachter

Een sprong in de tijd en naar een volksere familie. Begin jaren 1940 trad mijn overgrootvader Camiel Verbeke als boswachter in dienst bij een nazaat van de genoemde woudmeester-burggraaf. Door wie hem heeft gekend, wordt de overgrootvader-boswachter beschreven als een plichtsbewust, principieel en trots man, die in familiekring niet bijster vergezocht ‘peter Bos’ werd genoemd.

Ik ken hem alleen van foto’s, onder andere van een portret genomen in een van de dreven: een magere man met een jachtgeweer om de schouder, een Duitse herder aan de zijde.

De memoires van Annelies’ 78-jarige oom Willy aangaande Lippelobos.Beeld Thomas Sweertvaegher

Hij woonde met zijn vrouw en tien kinderen in Geluwe, in de Westhoek, en werkte aan weerszijde van de Franse grens als arbeider in een tabaksfabriek, toen hij hoorde over een betrekking in Zemst. Kort daarna werd hij boswachter in Lippelobos, op het geografische middelpunt van Vlaanderen, daar waar de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant aan elkaar grenzen. Ik zou ook liever boswachter zijn dan arbeider in een tabaksfabriek.

Het is niet overdreven die verhuis van de Westhoek naar het binnenland een ‘migratie’ te noemen. Mijn grootvader vertelde me hoe hij en zijn broers en zussen jarenlang als tolk Geluws-Malders optraden voor hun moeder, die voor haar nieuwe omgeving volstrekt niet te verstaan was.

Mijn grootvader noemde zijn kindertijd in Lippelobos trouwens consequent de beste tijd van zijn leven. Aan luxe zal dat niet hebben gelegen; het boswachtershuisje waar ze met negen mensen hebben gewoond, heb ik zelf nog gezien. Het deed vermoeden dat ze er rechtopstaand sliepen.

Een in de familie vaak verteld verhaal diende om alles wat er over standenverschillen te zeggen valt, samen te vatten: de toenmalige graaf had de meest modebewuste en fiere van mijn grootooms als dank voor een klus eens een oude broek cadeau gedaan. “Versleten! Vol gaten! Ge moet maar durven!”

Maar ze hadden ruimte en groen en dieren genoeg in het bos. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er weinig eten en onderwijs, dat wel. Meter Bos was vel over been. Een van de jongere boskinderen knipte een reep chocolade uit een tijdschrift en at die op. Dat werd allemaal goedgemaakt toen dat Derde Rijk er niet bleek te zullen komen en de vijand halsoverkop het bos en daarna het land ontvluchtte, met achterlating van tanks, munitie en andere feestartikelen, waarmee de boskinderen zich hartstochtelijk uitleefden. Er zijn daarbij geen noemenswaardige ongelukken gebeurd.

Wat enigszins mag verbazen, gezien de eigenzinnige aard van een van de broers. Deze opvallend grote grootoom, die later als een van de drieduizend Belgische vrijwilligers in UNO-verband naar de oorlog in Korea trok en bijgevolg Nonkel Koreaan werd genoemd, ging wel eens uit stropen in het bos dat zijn vader zo ijverig beschermde en kwam daarbij geregeld in botsing met de beroepseer van de man. Als zijn zussen of broers in het bos tot vriend gemaakte ratjes of vogeltjes als huisdier hielden, dan zorgden ze ervoor dat die uit zijn buurt bleven.

Bakschieten

Toen onlangs de quarantainemaatregelen wat versoepelden en ik de Gentbrugse Meersen zo beu was als koude pap, maakte ik met mijn vader een wandeling door Lippelobos, waarbij hij spontaan en honderduit begon te vertellen over zijn prilste herinneringen eraan. Idyllisch zijn die aan een huwelijksfeest van een van de broers dat er werd gehouden, en die aan de jaarlijkse lentesamenkomst, waarbij de vrouwen van de familie dieper het bos introkken om meiklokjes te plukken, terwijl de mannen bij het boswachtershuisje stonden te bakschieten.

Familie-uitje: Annelies op pad met haar vader, oom Willy en neef Siegfried.Beeld Thomas Sweertvaegher

Er zouden onder de supervisie van peter Bos nooit zoveel omgevallen bomen blijven liggen zoals nu, dat was ondenkbaar, het was een kraaknet bos – zo werd me verteld. Tijdens die wandeling dacht mijn vader ook lachend terug aan hoe Nonkel Koreaan op café geregeld met donderende stem verkondigde: ‘Ik ben de zoon van de graaf van Lippelo!’ En dan fijntjes, buiksprekend: ‘... zijnen boswachter.’

Wat ik nooit heb begrepen van mijn grootvader en minstens twee van zijn broers is dat mensen die zo in harmonie met de natuur opgroeiden, zich hun hele leven met dieren, bloemen en planten bleven omringen en zich op geen enkel ander vlak gedroegen als negenjarige hoofse juffers, bij het zien van een wesp of enkele andere insecten opsprongen met een hoog ‘wiii! wiii! wiii!’, een geluid dat ik nooit door iemand anders heb horen produceren, hysterisch met hun handen begonnen te flapperen en wegrenden met een gelaatsuitdrukking die eerder past bij een achtervolging door Satan.

‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit’, schreef Gerard Walschap, ook van deze streek.

Op de vlucht voor koeien

De boswachterszijde is dus niet mijn enige link met Lippelobos. Mijn moeders moeder woonde als kind aan de rand van het bos, op de Kruisheide, dicht bij de Echelput, ooit in trek bij medici omwille van de vele bloedzuigers die er huisden. En mijn familie aan moederszijde telt menig natuurfanaat, de meesten wonen nog in Malderen.

Mijn oom Willy Van Ingelgem startte in 1977 met enkele plaatselijke milieuverenigingen een procedure om Lippelobos als landschap te klasseren, in 1984 gebeurde dat eindelijk. Mijn neef Siegfried, actief bij Natuurpunt, stelde me voor om samen met onze intussen 78-jarige oom een wandeling te maken door het bos. Dat wilde ik heel graag. De oom en de neef in kwestie zijn wandelende encyclopedieën als het over natuur en geschiedenis gaat; betere gidsen kan ik me niet wensen. Mijn vader vergezelt ons.

Overgrootvader Verbeke werd boswachter begin 1940. Bijnaam in de familie: peter Bos.Beeld RV

In de nacht voor onze wandeling heeft het geregend, dus het bos ruikt op zijn best. We ontmoeten elkaar bij een van van de toegangsdreven. Mijn oom (zelf met de fiets) wijst naar de straat waarlangs we parkeerden: “Om deze bocht te verleggen zijn honderden bomen omgehakt.” Vervolgens overhandigt hij me een schrift dat hij helemaal heeft gevuld met zijn mooie, gelijkmatige schoolmeestershandschrift: zijn memoires aangaande Lippelobos.

Het grijpt ons allen wat aan. Het schrift, dat ik de daaropvolgende dagen zal lezen, bevat onder meer herinneringen aan zijn kindertijd in Lippelobos. Zo werd hij er geregeld weggejaagd door mijn overgrootvader de boswachter, en leerde hij de namen van bomen en struiken kennen als zijn vader op café een perceel in het bos gekapt onderhout ging kopen. De bosmemoires bevatten verder een leuk hoofdstuk over schilderijen die door hemzelf en andere plaatselijke landschapsschilders gemaakt zijn van delen van het bos. Dat hij zijn schilderij van de Salondreef in het bos heel dikwijls heeft bijgewerkt ‘en het trekt nog op niks’, bijvoorbeeld. Of hoe hij op de vlucht sloeg voor een kudde in het bos grazende koeien, die zijn schildersezel omverliepen.

Maar bovenal geven de memoires van mijn oom een beeld van de evolutie in het denken over natuurbehoud, zowel persoonlijk, lokaal als landelijk. Hij denkt wat gegeneerd terug aan hoe hij in zijn jeugd tekeningen en initialen in stammen kerfde, van alles meenam uit het bos. Nesten leegroven, zoals sommige jongens toen wel eens deden, dat vond hij echter altijd al uit den boze.

Als actievoerder van het eerste uur heeft mijn oom zich niet bij iedereen geliefd gemaakt. Ergens in zijn schrift schreeuwt iemand: ‘Vuile groene!’ en dreigt iemand met een ‘toek op uw bakkes’.

Hoewel zijn inzet me niet onbekend was, groeit mijn bewondering voor hem als ik de opsomming lees van de bedreigingen van Lippelobos waartegen hij zich aan de zijde van gelijkgestemden verzette: de kaalkapping van majestueuze beuken en eiken, de aantasting van het Elzenbroek (een drassig terrein in het bos) door rioolwater, plannen om de A29 deels door het bos te laten lopen, plannen om een enorm recreatieoord in het gebied in te planten en de verkoop van verschillende bospercelen.

De petities, demonstraties, brochures, vergaderingen en koleires van Nonkel Willy en mensen als hij hebben er onmiskenbaar toe bijgedragen dat het vandaag de dag nog zo goed gesteld is met de biodiversiteit van Lippelobos. De enorme variëteit aan paddenstoelen die hier groeit – uiteraard meer in het najaar dan tijdens onze zomerwandeling – is bijvoorbeeld een trekpleister voor mycologische verenigingen.

Siegfried en enkele andere van mijn neven herinner ik me als piepjonge ornithologen, als leden van de Jeugdbond voor Natuur en Milieu. Ik, wat jonger, begreep die hobby niet goed. Het leek me saai, veel stil en ernstig wachten. Ik had wel respect voor Siegfrieds jaarlijkse ijver om zwaluwnesten te gaan tellen, maar voelde zelf nooit de drang.

Amerikaanse WO II-soldaten T. Bonner en Al kerfden hun namen in de schors van een beuk.Beeld Thomas Sweertvaegher

Het laatste decennium is mijn hang naar de natuur enorm gegroeid. Ik verkies het nog steeds in een stad te wonen, maar mijn wandelingen door het groen heb ik ook nodig. Het klimmen der jaren, wellicht. En iets als spijt dat ik toen nooit met mijn neven ben meegegaan. Ik had het zingen van de nachtegalen kunnen horen, mijn neefs mooiste herinnering aan Lippelobos. Tot begin jaren negentig waren er vier zangposten. En toen bleven ze weg. Waarom? Verdichting, verdroging, de klappen die trekvogels kregen door de verwoestijning van Afrika, allicht.

Bij de natuur hoort een woordenschat en hoewel ik mijn kennis daarvan nu al jaren bewust aan het vergroten ben – en midden in de quarantaine heel blij werd van het spotten en kunnen benoemen van een bonte specht in mijn stadstuintje – voel ik me op dat vlak nog steeds wat achterlijk.

Als mijn neef me vooraf schrijft dat er begin augustus beheerswerkzaamheden starten in Lippelobos en dat een deel van het ven zal worden gekapt om de rabatten te herstellen, dan tik ik snel ‘rabatten’ in het Google-balkje. ‘Term uit de bosbouw. Rabatten zijn langwerpige ophogingen die gelegen zijn tussen greppels. De grond die uit de greppels afkomstig is wordt gebruikt om het rabat mee op te hogen. De methode wordt in de bosbouw toegepast om droge stroken te verkrijgen waarop dan de bomen geplant worden.’

Aha. En het ven in Lippelobos was de laatste decennia met berken begroeid. Die worden nu gekapt en met de bodem van het ven zullen de rabatten worden opgehoogd. Zal ik binnenkort eens met een vanzelfsprekend air aan een ander uitleggen.

Kabouterbadje

Maar nu wandelen. Daartoe dienen we op de voor het publiek toegankelijke paden te blijven, het bos is nog steeds grotendeels privé. Nonkel Willy wijst naar het ‘kabouterbadje’, een waterbassin tussen de wortels van een beuk op de toegangsdreef, dat daar al is zolang hij zich herinnert. Hij wees er de kinderen van zijn klasje altijd op als hij met ze ging wandelen – iets wat hij volgens hun ouders en de directie van zijn school wat te vaak deed. Volgens mijn vader was dat bij Ludwig Wittgenstein ook zo, toen die zijn carrière in Cambridge onderbrak om onderwijzer te worden op een Oostenrijkse dorpsschool. (De reden voor Wittgensteins vertrek daar was echter dat hij een zieke jongen bewusteloos had geslagen – doch dit terzijde.)

Nonkel Willy wees Annelies op dit ‘kabouterbadje’, een waterbassin tussen de wortels van een beuk, dat daar al is zolang hij zich herinnert.Beeld Thomas Sweertvaegher

Wat verderop, voorbij de elzen in het Elzenbroek en de grote hoeveelheid berken en bramenstruiken, vinden we er bewijs van dat ook de geallieerden het bos betraden. Amerikaanse soldaten T. Bonner en Al kerfden er hun namen in de schors van een beuk, een jaartal eronder: 1944.

We lopen over een tapijt van droge bolsters van beukennootjes. Een van mijn ooms vroegste herinneringen aan het bos is dat ze in de jaren na de oorlog met velen beukennootjes gingen rapen, grote dozen vol. Hij heeft geen idee wat ermee gebeurde. Werd er misschien olie van geperst?

“Groene specht”, zegt Siegfried. Het zal tijdens onze wandeling nog enkele keren gebeuren dat hij vogelgezang heeft geduid voor ik me er bewust van was geworden.

We komen bij de Salondreef, die zo heet omdat ze, over de wal, uitgeeft op het salon van het kasteel. Dat kasteel kunnen we vandaag door het gezwollen groen niet van op een afstand zien liggen. De ijskelder op het privégedeelte die in de jaren tachtig tot winterslaapverblijfplaats voor vleermuizen werd omgevormd, zullen we vandaag overslaan. In de zomer verkiezen vleermuizen immers bomen om in te slapen.

De verstandhouding tussen de kasteelbewoners en het volk is doorgaans goed geweest. De gravin overleefde haar man (de werkgever van mijn overgrootvader) met drieënveertig jaar en woonde tot ze bijna 100 was alleen in het kasteel. Ik voelde als kind altijd wat medelijden wanneer ik me die oude mevrouw in al die lege kamers voorstelde, maar wellicht was dat nergens voor nodig.

In Nonkel Willy’s schrift beschrijft hij een herinnering aan een kinderfeest dat in de jaren zeventig met haar toestemming werd gehouden in de kasteeltuin. Later, toen de vijver van het kasteel – eigenlijk een slotgracht – droog was komen te staan, stelde hij aan de gravin voor om hem uit te diepen, wat ze een goed idee vond.

Met verbazing denkt mijn oom terug aan hoe uit de uitgegraven grond, die voor de ophoging van de zijkanten van de vijver werd gebruikt, overal duizendguldenkruid opschoot. Zaden die honderden jaren in de bodem hadden liggen kiemen, zorgden plots voor een roze uitspatting, die zich enkele jaren herhaalde, en er dan mee ophield.

Onder de beuken en langs de grachtkanten van de Salondreef liggen sprookjesachtige, uitgestrekte mospartijen. Er groeien adelaarsvarens. Hier, en verderop in de richting van het boswachtershuis moet menig fungiologenhart sneller gaan slaan. Dat er veel afgevallen takken blijven liggen kan een rommelige indruk wekken, maar voor paddenstoelen is het – in combinatie met de hoge bodemvochtigheid – een goede zaak. (Voor insecten, en dus voor vogels, trouwens ook.) In de herfst vind je hier krulzoom, russulasoorten, kastanjeboleten, kolonies porseleinzwammen, veel vliegenzwammen en – niet eens zo zeldzaam hier – de dodelijk giftige groene knolamaniet. Het zou gaan om tachtig tot honderd verschillende soorten. En dan is er nog het onderaardse dradennet dat ook nu bezig is afvalmateriaal in mineralen om te zetten.

Beeld Thomas Sweertvaegher

Mijn Nonkel Willy raadt andere mensen af paddenstoelen te plukken – ze zijn nodig voor het ecosysteem – maar doet het soms zelf. Zijn vrouw, mijn tante, heeft altijd geweigerd van die oogst mee te eten. Zijn jongste zoon heeft het ooit een kans gegeven en sloeg er paars van uit.

Voor het boswachtershuis – het huis dat in de plaats kwam doet dienst als buitenverblijf – werden in 1970 de beuken gerooid. De dreef werd aangeplant met Amerikaanse eik, die verloren ging in de opslag van berk en braam.

Nonkel Willy heeft een zicht op het boswachtershuis (oude versie) geschilderd. Het schilderijtje hangt bij mijn vader aan de muur.

Vervolgens komen we bij een private dreef die enkele jaren geleden moest worden afgegraven omdat er asbest werd teruggevonden in de verharding ervan. We zijn in onze familie twee mensen verloren aan asbestose, en dus zijn we even stil. De schade die het bedrijf Eternit heeft aangericht is een pijnlijke geschiedenis die zich lang niet tot deze streek heeft beperkt, zoals Daniel Lambo in zijn knappe en noodzakelijke documentaire Ademloos (2018) heeft getoond. Het natuurgebied de Bourgoyen in Gent was in 2007 trouwens een tijd om dezelfde reden ontoegankelijk.

Middelpunt van Vlaanderen

Op weg naar boerderij de Woelput wijst Siegfried op enkele voorbij duikelende boerenzwaluwen. Helaas telt hij de laatste jaren steeds minder zwaluwnesten in stallen. De hygiënevoorschriften zijn er wat te streng voor geworden. Er hangt gaasdraad voor de raampjes, de vloeren zijn gebetonneerd.

Mijn oom wijst naar de eiken. Net als vorig jaar hangen er ontzettend veel eikels tussen de bladeren. Die grote hoeveelheid vruchten was me ook al opgevallen, en niet alleen bij eiken. Het zou een verdedigingsmechanisme zijn van bomen in droge jaren: meer vruchten betekent meer kans om zich voort te planten.

We komen aan het drieprovinciepunt: een paaltje aan de kant van de weg. Nonkel Willy moet er nog steeds om lachen dat hij hier met zijn klas eens drie postbodes tegelijk aan het werk zag, voor elke gemeente een.

Wat verderop staat een monument dat het middelpunt van Vlaanderen aangeeft. Zoals te vermoeden valt ligt dat in werkelijkheid niet ook netjes langs de weg, maar ergens in een nabijgelegen veld van een boer zonder toeristische ambities.

We keren terug naar het bos en wandelen door een eikendreef. Hier en daar wat spinselnesten van de eikenprocessierups. We gaan nu toch een stukje bos in waar we eigenlijk niet mogen komen. Maar als de opperbosbeschermer er zelf het initiatief voor neemt, volgen mijn vader en ik kinderlijk enthousiast. Siegfried overweegt eerst dat we toch al vrij laat in het broedseizoen zijn, dus het kan wel. Wat verderop wijst mijn neef op een rommelige gele brei op een boomstam: heksenboter, een van de vele zwammen die ik niet kende. Kamperfoelie groeit hier ook.

We komen uit op een open weiland. Het plotse licht en de ruimte overvallen ons wat. Het gras is ontzettend groen en ziet er zacht uit. Ik krijg er zelfs wat zin van om te grazen. Achter het weiland beginnen de Gouwbossen, ook privé-eigendom.

Siegfried hoort een buizerd en haalt zijn verrekijker boven. Twee jaar geleden heeft er in de Gouwbossen een buizerd gebroed. Het nest is er nog, maar de vogel is er nog niet naar teruggekeerd. “Bruin zandoogje”, zegt hij, wijzend naar de vlinders die over de weide dartelen. Het zijn er veel!

Beeld Thomas Sweertvaegher

Op de Kruisheide kijken we even naar het huis waar mijn grootmoeder opgroeide. Veel verhalen had ze niet over het bos waar ze vlakbij leefde. Dat ze er eikels en kastanjes ging rapen voor hun varkens. Dat twee zussen van de graaf eens de weg waren kwijtgeraakt tijdens een wandeling in Lippelobos en dat haar vader ze toen terugbracht naar het kasteel. Dat ze opkeek naar de witte huid van de kasteeldames – een gebruinde huid betekende toen dat je arm was.

We lopen langs het dreefje tussen de Kruisheide en het bos. Naast de Echelput – het zou mooi zijn die te herstellen voor amfibieën – vallen de vele gespleten wilgen op. Als je wilgen niet knot, bezwijken ze onder hun zware takken.

“Tjiftjaf”, zegt Siegfried. Ik hoor hem nu ook.

En dan zijn we, onder de eerste druppels van een nieuwe regenbui, weer op de plek waar we vertrokken. En scheiden onze wegen. We hebben twee uur met elkaar doorgebracht in het bos waarmee we allen verbonden zijn en ik heb geen idee waarom dit nu pas gebeurt, waarom we hier tussen mijn kindertijd en vandaag nooit eens samen op wandel zijn gegaan. Maar nu hebben we het gedaan en we werden er blij van en ik heb erover geschreven.

Laat de tijd maar onverschillig verder razen, daartegen helpt geen verzet.

Als het bos maar blijft.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234