Zaterdag 19/09/2020

ReportageReizen

‘Van Oostende tot Middelkerke: de zee is van mij’: op stap in de koningin der badsteden

Oostendenaar Dominique Lubaki bij het ‘verminkte’ beeld van Leopold II aan de Drie Gapers. De actiegroep Stoete Ostendenoare hakte in 2004 een arm af van een zwarte slaaf die ‘bewonderend’ opkijkt naar Leopold II.Beeld Tim Dirven

Een jaar na zijn grote Oostendse roman, Kamer in Oostende, keert Koen Peeters terug naar de badstad. Een wandeling tussen bulldozers, boksers, beelden van Leopold II, en mannen in bespottelijke onderbroeken.

Begin jaren 80 bezocht ik de sombere verkoopzaal Roman in de Aartshertogstraat in Oostende-Maria­kerke. De zaal bestaat nog steeds. De inboedel is nog altijd dat donkere bos van verstoten meubelen, afgedankte bibelots. Ik vond er toen een Congolees schilderijtje getekend ‘Kabinda, E’ville’. Intussen ken ik zijn naam voluit, Kabinda Kunkulu Victor, geboren in 1927. Ik kocht het voor 300 frank, omgerekend 7,5 euro. Er staat een bongo-antilope op, verschalkt en gewurgd door een slang. Kabinda behoorde tot de school van Pierre Romain-Desfossés, Le hangar in Elisabethville. Die laatste was een inspirerende Belg die in zijn garage Congolese kunstenaars aan het werk zette. Het was mijn eerste kennismaking met schilders in Oostende.

Pas op mijn 20 ontdekte ik Oostende. Wij gingen thuis nooit op vakantie aan zee. We hadden een bungalow in een dennenbos, zwommen er ’s zomers in een modderige vijver of reisden naar Spanje, zoals iedereen in de Kempen, vermoed ik. Toen ik in Leuven een lief vond uit Oostende, ging ik als twintiger voor het eerst op vakantie aan zee. Ze haalde me op aan het station, we wandelden over de dijk. Ze toonde me de stad. Oostende!

Oorspronkelijk verwijst die naam naar het oostelijke vissersdorp op het al lang weggespoelde eiland Testerep of Ter Streep. Een van de meest sensibele momenten van mijn bewust mensenleven is voor mij die Ontdekking van Oostende. Meteen ontdekte ik de Oostendse taal. Testerep betekent: ’t es ter ep, het is erop. Maar James Joyce, die de stad met zijn familie bezocht in 1926, legde de link met het Latijnse ostendere: tonen, laten zien, een soort verhevigd aanwijzen.

Wat een intrigerende, unieke stad is de koningin der badsteden, onze Stad aan Zee. Oorspronkelijk een banaal vissersdorp op een eilandje voor de kust. Gegeseld door stormvloeden in de 14de eeuw werd het landinwaarts heropgebouwd. Van een geuzenstad werd het een militaire garnizoensstad, die onder Leopold II uitgroeide tot een somptueuze badstad. Un petit Bruxelles verscheen aan de Belgische kust, met Spa-allures. Kosmopolitisch, mondain.

Na de vernietigingen in de Tweede Wereldoorlog koos de stad bij de wederopbouw radicaal voor moderne architectuur in haar Kursaal, stadhuis en postgebouw, zelfs een warenhuis. De namen van deze vooruitziende architecten: Léon Stynen, Victor Bourgeois en Gaston Eysselinck. Niet de minsten! Dit geloof in een maakbare stad werd in de jaren zestig democratisch opgepompt door Jan Piers, de meest potsierlijke burgemeester aller tijden. Zijn bijnaam: Butcher of the Bel Epoque, een soortement Oostendse Vanden Boeynants. De helft van alle belle-époquegebouwen sneuvelde. De toren van het Europacenter, die vandaag de stad markeert met zijn 34 verdiepingen, is zijn kwalijke verdienste.

Te Belgisch om te begrijpen

Enfin, ik ben getrouwd met die ene Oostendse, en wij komen er graag, ook al erger ik me aan de afbraakwoede. Sinds haar ontstaan wordt hier met grote middelen gesloopt. Dat is altijd weer een vinnig spektakel, met veel stof en tyrannosaurusachtige machines. In Oostende wordt de brutaliteit eerst en sourdine aangekondigd door een mythische, onzichtbare ruitentikker. Een onopvallende man, stel ik mij voor. Werkt steeds in opdracht, doet het ’s nachts. Zorgt ervoor dat geen glas valt op de stoep, maar op elke verdieping tikt hij minstens één ruit stuk. Boven zet hij enkele ramen wagenwijd open. Als het verval intreedt, mag de bulldozer komen. Ik maak graag foto’s ervan, ik heb een hele collectie. De trots en efficiëntie, de Syrische allure waarmee de afbraak ostentatief wordt aangepakt, is indrukwekkend. Nadien wordt de leegte ingepakt met zwembadblauw plastic. Vlakbij hangt al een volkleurig spandoek, de nieuwbouw staat er al op afgebeeld.

Sinds de democratisering van de kust is de Zeedijk een aaneengesloten muur van appartementsgebouwen. Smalend spreekt men van de Atlantik­wall. Als ik er wandel met Nederlanders, expliceer ik dit omzichtig. “Maar jullie hebben geen stad aan zee”, zeg ik. Ze reageren spottend, meewarig, superieur. Ze schudden nee met angstige ogen. Wellicht is dit te Belgisch om te begrijpen.

En toch, Oostende is een kleine, sympathieke, overzichtelijke stad, met wijken die elk hun eigen sfeer bezitten. Oud en nieuw zijn er genadeloos vermengd. Zowel het nieuwe, veelbelovende als het verval, rijk én arm, subliem én lelijk. In het gehucht Raversijde voel ik zelfs de leegte van een Amerikaans woestijndorp, tegelijk achtergelaten en toch bewoond.

Het mooie is: deze stad ligt met haar voeten in de zee.

Het mooie aan Oostende: de stad ligt met haar voeten in de zee.Beeld Tim Dirven

Door de lage uitgestrekte dijk is het zeezicht ruim, genereus. De eindeloos lange, horizontale lijn van de kim, de wisselende kleur van water en lucht, de wind. Telkens wil ik op het harde zand lopen langs de zee. Vanaf het strand gezien worden de appartementen dan een muur in zachtgeel pastel. Als het weer het toestaat, liefst met blote voeten en opgestroopte broekspijpen in de branding, de schoenen in de hand. Stilstaan en even wegzakken, dan weer verder stappen, niet opkijken. Gewoon zien hoe het water hypnotiserend aan je voeten spoelt, hoe de golven uitlopen in kleine schuimvlokjes. Luchtbelletjes, de zonweerkaatsing daarin, dat haast smakelijke plonsen. Schelpen rapen op het strand en die pas thuis kunnen weggooien.

En intussen de menselijke flora en fauna aanschouwen, van Brusselaars met migratieachtergrond tot de culturo’s van Theater Aan Zee. Oostende is een toeristische machine voor iedereen. De koppels assorti, de nostalgie van de kindervreugde, de mensen-met-de-hondjes, en sinds kort hebben ze zelfs échte zeehonden. Ik hou niet van de toeristische drukte maar ik ben ontroerd door de zweterige mensenstroom die ’s avonds naar het strand trekt om het vuurwerk toe te juichen, lui liggend of staand op het strand in de vuurwerksmook. De kruitgeur in de lucht, de kou opstijgend in het lijf.

Kuifje in matrozentrui

Sinds mijn vondst van het Kabinda-schilderij begin 80 droom ik ervan om nog meer Congolese schilderijtjes te vinden. In Oostende voel ik me een Kuifje in matrozentrui, een onderzoeker met sociologische blik. Telkens als ik er ben, doe ik mijn toer langs de brocanteries en tweedehandszaken. Soms vind ik iets, meestal niets.

In Oostende zijn altijd al veel mensen gestrand, aangespoeld zegt men hier, na een avontuurlijk, mislukt of omzeggens voleindigd leven. Daar waren altijd al oud-kolonialen bij. Aan de kust bestaat een bende koppige, oude mannen die geen kwaad woord willen horen over Leopold II. Ze hebben verenigingen met haast Congolese namen als Congorudi, KBUOL of Urome. Instemmend citeren ze Jef Geeraerts over de vermeend neolithische geest van Congolezen. In oktober houden ze een herdenking aan het standbeeld van Leopold II.

Maar ik vond hun schatten niet. Wel veel slechte missionarissenkunst en boeken over Belgisch Kongo van voor 1960. Ik kocht dit allemaal. Het was propaganda voor het naïeve beschavingsoptimisme van de jaren 50, maar ik vond geen schilderijen van Kabinda’s generatiegenoten. Op een bepaald moment begon ik zelf te schilderen, met plakkaatverf-gouache van Talens op karton dat ik meebracht van de Aldi. Ik kopieerde zwart-witafbeeldingen uit Congo-boeken. Ik verzon de kleuren, schilderde het foto-onderschrift gewoon mee op het schilderij. Mijn stijl was ironisch, naïef, postmodern. Enkele titels: La couleur du coton, Twee levende okapi’s, Peinture primitive du masque. Ik maakte zo’n 125 schilderijtjes. Ze waren niet onverdienstelijk, maar ik gebruikte te veel zwart, waarmee ik contouren zwaar aanzette. Ook een zekere voorkeur voor de zachtroze vleeskleur Talens nr. 374. Deze kartons liggen intussen al 40 jaar in mijn kelder, onder de gasmeter die tikt zoals in elk Belgisch huisje het klokje tikt.

Oostende heeft voortreffelijke musea. MuZEE natuurlijk, het Ensorhuis en het tijdelijke Spilliaerthuis, de expo’s in de Venetiaanse Gaanderijen, in Jabbeke het Permekehuis.

Oostende is een stad van schilders, en misschien verwijst dit opnieuw naar dat ostentatieve verlangen. Ensor, Spilliaert, Permeke hebben als geen ander de Oostendse wereld getoond. Onlangs passeerde ik bij Xavier Tricot, de Ensor-expert. Hij zal de tentoonstellingen in het vernieuwde Ensorhuis cureren; het museum is uitgebreid met Hotel Regina als bezoekershuis. Het was al avond, ik belde aan.

Dominique Lubaki in zijn kleine maar tot de nok gevulde Afrika-museum. De collectie is zijn levensverhaal. Een greep uit zijn biografie: leraar, politiek dissident, voetballer, en al 30 jaar Oostendenaar.Beeld Tim Dirven

Op het trottoir voor zijn huis hadden we het uitgebreid over de Oostendse straten, en de blik daarop uit de hoogte. Tricot noemt het Ensors telescopische visie. Het is een geliefd thema van Ensor: vanuit hoekhuizen op een bovenverdieping of in een loggia, dat hoge perspectief op de drukte of de leegte, en in de verte de blauwe zeelijn. Zijn ateliers lagen vaak op een hoge plek, een zolder of een mansardekamer. Typisch Oostends waren de spionnetjes. Ze tonen in spiegelbeeld het straattheater beneden. Ensor had er eentje. Mijn schoonmoeder, die mij Oostends leerde, verzorgde de oude Ensor als jong verpleegstertje. Ze noemde hem een oude man aan het venster, wantrouwig en nukkig.

Ook Spilliaert schilderde de dijk graag vanuit hoge standpunten. Hij was kleinzoon van een vuurtorenwachter en zoon van een parfumier. Hij hield van hoogte en het spookachtige nachtelijke licht. Door zijn maagziekte ging hij ’s nachts compulsief op de dijk wandelen, altijd geparfumeerd.

Soms is het latere werk van Spilliaert zo slecht dat ik dacht het terug te vinden in de tweedehandszaken. Dat had gekund, Spilliaert betaalde zijn kolenboer en tandarts al eens met een werkje. Maar het is me nog niet gelukt. Ik vond evenmin Congolese schilderijen uit de tijd van Kabinda.

De kleur van straatnamen

Toen Oostende zich toeristisch uitbouwde, tooide het zich vrolijk met de reputatie van andere steden. Ze hebben hier Petit Paris en Petit Nice, een Romestraat, Kaïrostraat en Amsterdamstraat. Af en toe verandert men de straatnamen: na de Eerste Wereldoorlog werd de Berlijnstraat IJzerstraat, de Wenenstraat werd Kemmelbergstraat, de Duitslandstraat een zeer neutrale Acacialaan. Na de Tweede Wereldoorlog, toen ook de Russen fout bleken, werd de Sint-Petersburgstraat de Leon Spilliaertstraat. Ook al had die daar nooit gewoond.

En hoe zit dat dan met Leopold II? Ik heb afgesproken met stadsgids Dirk Beirens in Brasserie du Parc, de fijnste plek in zuivere art deco. We doen onze wandeling in stad. In Oostende rinkelt Leopold II overal, legt hij uit. De geest van de gebaarde koning is aanwezig in straatnamen en het stratenplan, in parken en gebouwen. Oostende heeft naast een Leopold II-laan een Stanleylaan, een Koninginnelaan en de squares Stefanie en Clementina, genoemd naar zijn dochters. Er zijn ook straten voor zijn sergeant, een aandeelhouder, een minister en nog wat kleiner grut. Een Brussel in het klein.

Sinds 2010 was er ook een voorstel voor een Lumumbastraat, maar dat werd snel gecommissioneerd in de commissie Straatnamen. Er gebeurde niets. Bovendien, volkszangeres Lucy Loes overleed, “en nog enkele andere mensen moesten eerst hun straat krijgen”, oordeelde de burgemeester.

Ik loop met Dirk langs de Koninklijke Stallingen, in de Koninginnelaan. Noorse Vikingstijl, met art-nouveau-accenten, in donker hout en grijze leien, opgericht vanaf 1903. Een ideetje van Leopold II, die het oppikte op de Wereldtentoonstelling van Parijs.

Op de binnenkoer van de Koninklijke Stallingen staan de jongens van de boksschool, aangevuurd door Eddy Vandenhouweele, die al bokst sinds zijn 16. Zelf was hij twee keer Belgisch kampioen.

Vijftien mannen en jongens huppelen zich in het zweet met touwtjespringen. Eén slaat met een mokerhamer op een tractorband.

Eddy moppert, hij houdt niet van toeschouwers, maar na lang aandringen mogen we binnen in zijn bokstempel. Zachtgeel avondlicht valt binnen over twee boksringen. Tot hoog in de nok hangen oude wedstrijdaffiches, grijze bokserportretten van vroeger.

De boksclub van Eddy Vandenhouweele in de Koninklijke Stallingen.Beeld Tim Dirven

Spiedend loopt Eddy rond. Wie kletst krijgt van hem ‘babbeloare’ naar zijn kop geslingerd. Met zijn fluitje én ijzeren hand leidt Eddy al 25 jaar zijn club. Niemand lacht. Ik bewonder de concentratie, dat kusmondje als ze slaan uit volle macht en rond hun vijand dansen. En ook, hoe in grote blauwe letters onder de drie hoge boogramen staat geletterd: ‘Doet niet voornaam maar zijt voornaam’.

Op een oude affiche wijst Eddy zichzelf aan, als jonge snaak. Ernaast hangt de grote Karel Sys, Belgisch en Europees kampioen bij de zwaargewichten. Hij was een blonde God met hoekig gezicht, zeer populair in oorlogstijd, wat hem nadien aangerekend werd. Hugo Claus pochte graag dat hij gebokst had met Sys’ bokshandschoenen. Die van een collaborateur, zoals hijzelf als jonge knaap was geweest. Maar Claus schreef wel, toen hij geridderd werd in de Leopoldsorde, zijn satirische toneelstuk over Leopold II, en ook nog een kwaad bezwerend gedicht over Gerard Soete, die het lijk van Lumumba in de brousse vernietigde.

Nog even over die voornaamheid van de boksers, over voornaam doen of voornaam zijn. Onlangs schrok ik toen ik mijn eigen schilderijtjes in de kelder vond. Ik schilderde de moord op Patrice Lumumba in 1961, alsof Lumumba saxofoon speelt voor het koninklijk paleis. Of de Mars der parachutisten, als een omroeporkest van Fernand Terby, met elegante parachutes in de lucht boven Stanleystad, 1964. Dit waren grauwe zwart-witfoto’s uit Le Patriote Illustré, die ik omzette in mijn plakkaatverf. Ik schaamde me voor mijn naïef-ironische schilderijtjes. Zuiver paternalisme. De onmondige zwarte medemens in die veilige anekdotische tijd, vol geweld.

Indépendance Cha Cha

Vandaag is Oostende een culturele hotspot geworden. Er is cultuurcentrum De Grote Post, Kaap/Vrijstaat O, het Kursaal en ’s zomers is het hoogseizoen met Theater Aan Zee. Overal in de stad: theater. Soms wordt de wereld al verbeterd met quotes van Camus en Montaigne door een man alleen, in een stralend wit hemdje en bespottelijke onderbroek, met bravoure begeleid door een gitarist. En ’s avonds, ondanks de avondkou, blijft iedereen schaamteloos, mouwloos drinken, roepen en rondhangen in het Leopoldpark. Iedereen zingt mee dat liedje van Lucy Loes, ‘Gie zie m’n zeekapiting’.

In dit coronajaar staat de programmatie op een laag pitje. We zullen meer flaneren langs de zee en in de stad, zoals Eric de Kuyper het ons voordeed. De Kuyper beschreef onder andere in Aan zee zijn jeugd in Oostende, met de gevoeligheid van Proust. Vlak bij kruispunt Petit Paris bracht de Brusselse familie De Kuyper alle vakanties door. Hij wandelde en schreef zich terug in de nostalgia van zijn jeugd.

Zo zei hij dat de steden van het oude Europa teren op de verbeelding van gisteren. Nostalgia veronderstelt kritiek en zelfkritiek, ironie en zelfironie, aanleg tot pastiche en de kunst van het combineren. Hij verwijst ook naar Proust, die zijn eigen À la recherche du temps perdu beschouwde als een kathedraal, gebouwd door verschillende mensen, in verschillende stijlen en verschillende eeuwen, ‘en het eerste plan is zoekgeraakt’. Het klinkt als het masterplan van Oostende: niets is blijvend, het meesterwerk is een optelsom van versies.

Over voetbal in Oostende zwijg ik graag als vermoord. Onlangs heeft de megalomane Coucke het voetbal in deze stad doodgeknuffeld. Iedereen noemt het een schande. Maar ik hoorde van een Congolees genaamd Lubaki die in Oostende woont. Ik kom weer terug op mijn schilderijtje. Een van Kabinda’s voorgangers was de Katangese Albert Lubaki. Analfabeet, ivoorbewerker, wiens talent in 1926 opgemerkt werd door de Belgische ambtenaar Georges Thiry. Die gaf hem papier, potlood en inkt en zette hem aan het werk. Thiry nam Lubaki’s productie mee naar Parijs en verkocht die, tot Lubaki het beu was en onderdook.

Zijn kleinzoon, Dominique Lubaki, woont in Oostende. Ik loop bij hem langs in zijn Afrika­museumpje vlak bij de Grote Post. Twee kleine kamers zijn overvol gevuld met voorwerpen, schilderijtjes, beeldjes, oude reclameartikelen van toen. Kunst, kitsch en andere aangespoeldheden. De collectie is zijn levensverhaal. Op de vloer ligt een oude zebrahuid, op de zetel een luipaardvel. Hij toont me de transistorradio die hij kreeg als kind van zijn vader. Radio Trottoir heeft hij erop geschreven.

Hij zet het melancholische rumbaliedje van 1960 op, ‘Indépendance Cha Cha’.

Vannacht droomde hij, vertelt hij, dat zijn vader hem naar school bracht, in de witte Simca. Plots hoorde hij lawaai, hij vond zijn vader in het bloed.

Zijn vader werkte bij een Vlaamse firma in Kin­shasa. ‘Godverdomme’ was het eerste Vlaamse woord dat Dominique leerde van zijn vader.

Of hij tekeningen van zijn grootvader heeft?

Nee, maar zijn kleinzoon in Kinshasa, 7 jaar oud, tekent in dezelfde stijl. Hij toont het me op zijn Facebook-pagina.

De Koninklijke Gaanderijen, waar bezoekers kunnen genieten van een royaal uitzicht op de zee. Beeld Tim Dirven

Dominique Lubaki is ook kunstenaar, hij maakt zijn kleurrijke kunst van recuperatiemateriaal. Afrika-kaarten in de kleur van voetbalploegen. Zelfgemaakte voetballen zoals in Congo: kranten in een prop, blauw plastic strak eromheen en afgewerkt met kleurig lint. Het is het Congolese Article Quinze, ‘trek je plan’.

Hij draagt witte sneakers en onder zijn zwarte trainingspak een rood voetbalshirt. Achterop zijn naam Lubaki. Hij is 64. Zijn carrière: wiskundeleraar, opposant tegen Mobutu. Hij dook onder en vluchtte naar België, waar hij 7 angstige jaren wachtte op erkenning. Hier werd hij gediplomeerd voetballer. Vandaag organiseert hij multiculturele voetbalmatchen en workshops. Intussen is hij al 30 jaar in deze stad. Hij is geen groot geschiedeniskenner, maar noemt voor de vuist alle Afrikaanse voetballers die in Belgische voetbalploegen speelden.

Ik heb een van mijn oude schilderijtjes mee voor hem. Le goût de la civilisation, een zwarte verkoopster, in Congoblauw gekleed, in een elektrowinkel met grote radio’s, groot logo van Philips. Ik geef het karton aan hem, beschaamd over wat ik schilderde. Ik tracht uit te leggen hoe ik dit toen heb bedoeld. “Past perfect in mijn museum”, zegt hij, minzaam als hij is.

Lubaki en ik wandelen op de dijk, langs de Venetiaanse en de Koninklijke Gaanderijen. Hij wijst boven ons de Koninklijke Villa aan. Stanley en Leopold II tekenden op die plek eigenhandig de grenzen van Congo op de kaart van Afrika. Ook de allerlaatste, officiële ontmoeting tussen Boudewijn en Mobutu speelde zich daar af. Lubaki lacht en vraagt: “Waarom?”

Hij spreekt weemoedig, zacht en profetisch, met veel humor, hij noemt zichzelf le pourquoiïste. “Hoe vreemd is dat, dat één mens eigenaar is van een land tachtig keer groter dan België? Daarom beweer ik dat de zee van Oostende tot Middelkerke van mij is. Pourquoi pas?

Hij lacht opnieuw.

Koninklijke hand

Bij de Drie Gapers komen we toe aan de plaats delict. Daarboven zit op zijn paard de wilde weldoener van deze stad, le Roi-Bâtisseur. We staan aan het standbeeld van Leopold II met rechts de vissers en links de Congolezen. Fors, in brons. De arm van de Congolees linksonder werd in 2004 afgezaagd door de actiegroep De Stoete Ostendenoare. Deskundig geamputeerd met een ijzerzaag door mysterieuze, visionaire activisten. Aanklacht tegen de koloniale koning-schurk. Soms dook de verdwenen hand nog op, werd ze weer getoond aan het publiek, en even plots was ze weer weg. Het beeld repareren bleek moeilijk, zelfs onmogelijk, omdat men niet meer wist hoe die hand er precies had uitgezien. Dat kwam het stadsbestuur goed uit. Men liet het dan maar.

Intussen woedt de discussie. Zowat iedereen heeft een mening over wat met dit beeld moet gebeuren. Lubaki, die al dertig jaar in Oostende woont, vindt het prima zo. Het beeld in gehandicapte toestand toont dat Leopold II de Congolezen niet bevrijdde van de slavernij maar hen gebruikte als slaven in koffie- en rubberplantages. De uitlegtekst op het bordje erbij mag wel aangescherpt, en Lubaki geeft me een A4’tje met zijn versie daarop.

Met een weids gebaar zwaait hij naar de stad. Deze mooie stad aan zee, met haar gebouwen, parken en straten, deze welstellende wandelende toeristen. Ooit is dit gefinancierd met rubbergeld. Overal in de stad voelen we de hand van Leopold II.

Hij houdt van het standbeeld zoals het nu is, zegt hij opnieuw.

Activist Piet Wittevrongel voorzag deze Leopold II-buste van een aangepast opschrift.Beeld Tim Dirven

Ik denk aan de schilderijtjes in mijn kelder. In deze stad lijkt het koningshuis een groter soortelijk gewicht te hebben. Ondanks zijn zwaarte zweeft het hoog boven deze stad. Woorden en daden van koningen, in hun wereldvreemde en trage symboliek, hebben hier een historische schoonheid. En tegelijk zijn ze een perfide verhulling van machtsverhoudingen, economische belangen en historisch onrecht. Het standbeeld aan de Drie Gapers is prachtig, beladen theater, dat roept om een bezwerend tegenbeeld. Het is een plaats delict, als een perfecte scène voor een nog niet beëindigd duel. Het zou zonde zijn om zo’n theatrale plek klinisch te verwijderen, of spreek ik te voorzichtig en naïef?

We lopen verder langs de brede Koninginnelaan, voorbij de twee residentiële pleinen van de koningsdochters, Clementina en Stefanie. Een man laat zijn hazewind uit op het gras, hij ruimt voorbeeldig op. Tussen de oudroze hortensia’s staat een kleine buste van Leopold II. Onlangs werd ze door activist Piet Wittevrongel nog voorzien van een vers opschrift, in de vormgeving van een straatnaambord: Massamoordenaar. In het spiedende Leopold-oog zit een spikkel rode verf, van een vorige actie wellicht, en het beeld heeft ook een snee in zijn neus. Maar die zou ook vanwege de beeldhouwer zelf kunnen zijn.

Lubaki houdt mij staande, haalt iets uit zijn rugzak. “Hier”, zegt hij.

“Hier, tussen de Koninginnelaan en de Prinsenlaan, met zicht op de tennisclub”, wijst hij. Er staat een groen paaltje op het lieflijke grasplein, vlak bij een picknicktafel. Volmaakt, vindt hij. Hij steekt zijn straatnaambordje tegen de paal omhoog. Lachend en ernstig tegelijk doopt hij de plek tot het Patrice Lumumbaplein. De Oostendse zon gooit feestelijk haar stralen over hem, ik hoor een dappere, vrolijke merel die z’n rumba fluit. De vogel die mijn schoonmoeder liefkozend ne mèreloare noemde.

Het Afrikaans huis Malaika van Dominique Lubaki is alleen op afspraak te bezichtigen: Sint-Sebastiaansstraat 45, 0478/38.64.76

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234