Maandag 26/10/2020

ReportageReizen

Van de walletjes naar het water

Het IJ in Amsterdam. Thomas Rosenboom: ‘Wat mij naar buiten doet gaan is het verlangen om het brede water te zien, de stad uit te lopen en er met mijn rug naartoe te gaan staan.’ Beeld Simon Lenskens

Schrijver Thomas Rosenboom (64) is terug met De grote ronde, een boek over zijn favoriete Amsterdamse wandeling. Op weg naar het IJ, de ‘machtige vaarweg’ die de stad in tweeën splijt, laat hij zijn gedachten waaieren langs drenkelingen, vogels, cruiseschepen en heroïnehoeren.

Al heel lang heb ik een vaste wandeling door mijn woonplaats Amsterdam. Daar begin ik de dag altijd mee, weer of geen weer en ongeacht verdere plannen. Het is een onwillekeurig iets, niet veel meer dan een gedraging zoals dieren die ook kennen – ze doen het omdat het ze bevalt, omdat ze het niet kunnen laten, of omdat het op een andere manier niet gaat, en zo is het ook gegaan met mij en mijn dagelijkse wandeling: toen ik ermee begon beviel het me wel, later kon ik het niet meer laten, en ergens daartussenin heeft dat wandelen steeds meer betekenis voor me gekregen.

Wie wandelt hoeft niet ergens te zijn, een wandeling is principieel doelloos, kent geen ander eindpunt dan het beginpunt en dient dan ook min of meer cirkelvormig te zijn, aangezien je op het laatst toch wilt terugkomen uit de tegenovergestelde richting van het vertrek – anders is het einde niet bevredigend. Een ‘blokje om’ is zo bezien al een echte, zij het korte wandeling, terwijl iemand die naar het eind van de straat loopt en weer terug, hoe groot de afstand ook, alleen maar een stuk heeft gelopen.

Het beginpunt van de wandeling is mijn huis recht tegenover hotel The Grand aan de Oudezijds Voorburgwal, vrijwel naast de Stadsbank van Lening aan de even zijde van de gracht – ik heb het geluk dat ik niet eerst ergens naartoe hoef, het is hier al meteen mooi, net of ik in het bos woon. Aangezien de ronde inderdaad min of meer cirkelvormig is, zou je zeggen dat het geen verschil maakt of je die tegen de klok in of met de klok mee aflegt, maar bij aanvang maakt dat welzeker uit, want vooreerst ben ik nog niet echt aan het wandelen maar heb ik, als ik de deur uit kom, wel degelijk een doel: het IJ namelijk, al zal dat niet het eindpunt zijn.

De Oudezijds Voorburgwal met de Oude Kerk op de achtergrond. Beeld Simon Lenskens

Via de kortste weg loop ik er met de lager wordende huisnummers in noordelijke richting heen, want wat mij in eerste instantie naar buiten doet gaan is niet zozeer de lust om te wandelen of de behoefte de tijd te doden, maar veeleer het verlangen om het brede water te zien, de stad uit te lopen en er met mijn rug naartoe te gaan staan.

Een echte Amsterdammer zal zijn dagen waarschijnlijk niet op deze manier willen beginnen, maar dat ben ik dan ook niet: ik ben iemand die meer dan veertig jaar geleden als jongeman vanuit Nijmegen naar Amsterdam is gekomen, en toen duidelijk heeft gevoeld dat geboren hoofdstedelingen op zijn provinciaalse afkomst neerkeken, welk dedain ik al die tijd heb beantwoord met een stug volgehouden antipathie mijnerzijds – als Ajax tegen een kleinere club voetbalt hoop ik altijd dat ze verliezen, en mijn hart slaat over van schrik als ze bij een gelijke stand op het laatste moment toch nog de winnende treffer dreigen te maken. Ik moet daar zo langzamerhand maar eens mee ophouden, echte Amsterdammers zijn er in deze stad toch nauwelijks meer, ook niet bij Ajax – en na al die jaren ben ik natuurlijk ook geen echte provinciaal meer.

Al meteen bij het vertrek valt op dat er vlak boven het water van de gracht lijnen zijn gespannen of richels in de kademuur zijn aangebracht, waaraan drenkelingen zich kunnen vasthouden. Het zegt iets over de frequentie waarmee beschonken dan wel gedrogeerde toeristen, al dan niet plassend in de gracht, in deze buurt te water raken, maar het eigenlijke Wallengebied begint pas voorbij de eerste dwarsstraat, de Damstraat: coffeeshops, smartshops en seksshops rijgen zich nu aaneen, net als de plakkaten braaksel op de grond en de salvo’s gebrul of hinnikend gelach in de lucht.

Een coffeeshop aan de Oudezijds Voorburgwal.Beeld Simon Lenskens

Hoewel van nature geneigd tot angst voel ik mij in deze licht liederlijke omgeving vreemd genoeg volkomen veilig, veel veiliger dan in andere buurten waar ik heb gewoond. Ik denk dat dit komt doordat er hier zo weinig mensen wonen in vergelijking met de talloze toeristen op straat. De gemiddelde toerist zal hooguit een week in de stad verblijven, de meesten zijn nog maar net aangekomen of gaan al bijna weer weg – voor verveling, hinderlijk hanggedrag of erger ontbreekt domweg de tijd.

De toeristen zijn daar ook helemaal niet voor gekomen, die genieten alleen maar van de stad, hebben geen haast, zijn nergens naar op weg en worden onophoudelijk vervangen door anderen, die ook nergens heen hoeven, kortom: het publiek hier ververst zich constant en zo heeft deze buurt in zekere zin de frisheid van een stromend beekje.

Intussen ben ik nog steeds wél naar iets op weg: ik wil naar het IJ, voel de aantrekkingskracht al van het ruime water verderop en met gezwinde pas passeer ik, door niets afgeleid, de Oude Kerk aan mijn linkerhand. Zonder veel belangstelling voor bezienswaardigheden of de stad zelf, die ik juist uit wil, kijk ik hoofdzakelijk omlaag, om maar niet in een plak braaksel, poep of weggegooide noedels te trappen, en eens toen al dat vuil op de stoep me aanvloog en ik van de weeromstuit een blik in de hoogte wierp, ontdekte ik de hengel die recht overeind staat hoog op het dak boven café Emmelot, iets voorbij de Oude Kerk. Aan die hengel was, middels een touw of elastiek, een zwarte vlieger in de vorm van een roofvogel bevestigd, die heen en weer heen zwaaide op de wind. Ik begreep dat het een vogelverschrikker moest zijn en inderdaad waren er nergens in de buurt meer duiven te zien, alleen nog grote mantelmeeuwen en zilvermeeuwen, die kennelijk voor geen roofvogel vervaard zijn of anders het bedrog doorzagen.

De Zeedijk, die uitkomt op de Prins Hendrikkade en het Centraal Station.Beeld Simon Lenskens

Ik had zo’n kunsthavik weleens eerder gezien, lang geleden, vanuit de trein in Zeeland, waar die een boomgaard beschermde. Meestal ontstaan nieuwigheden in de stad om van daaruit het buitengebied te bereiken, maar deze vliegende vogelverschrikker had tot mijn grote voldoening kennelijk de omgekeerde weg weten af te leggen. Inmiddels heeft een storm de roofvogel van Emmelot losgerukt, en enige tijd hing die met gebroken vlerken vleugellam in de takken van een naburige boom. Later verdween ook dat restant, maar nog altijd als ik langs Emmelot kom kijk ik omhoog of er misschien weer een nieuwe kunsthavik aan de hengel hangt.

Overigens zijn er ook echte roofvogels in de stad, sperwers met name, en deze zelfs in steeds toenemende aantallen. Het vrouwtje is groter dan de man, en jaagt op navenant grotere prooi: zij op merels, hij op mussen, en dat dan gewoon boven de grachten en kades, wat een spectaculair gezicht moet zijn. De sperwer is een ‘drieste roofvogel’, hij ‘achtervolgt in wilde vaart zijn prooi tot in dicht struikgewas, zelfs tot in schuren en huizen’. Deze omschrijving, uit een vogelgids, heb ik talloze malen gelezen en ken ik van buiten, maar zelf heb ik nooit een sperwer, laat staan een jagende sperwer gezien, in de stad noch buiten – ik ben zo’n vogelaar die echt wel wat weet uit de gidsen, maar die in de open lucht nooit iets ziet tenzij iemand anders, die het eerder zag, het hem aanwijst. Aan het einde, of beter: het begin van de Oudezijds Voorburgwal steek ik de Sint Olofssteeg door naar de Zeedijk, sla daar rechtsaf en draai dadelijk over de brug weer naar links, de Oudezijds Kolk in. Bij de Schreierstoren achteraan steek ik, na een kort stukje naar rechts, de Prins Hendrikkade over. Schuin vooruit staat het Hilton Hotel, links daarvan gaapt de donkere holte van een spoorviaduct en daarachter is het, daar is het IJ – we zijn er bijna nu, mijn hart springt al op, alsof ik de laatste duinenrij heb bereikt en zo de zee zal zien.

Vol verwachting loop ik onder het spoor door, waarna ik alleen nog een drukke verkeersweg over moet. Ik steek de weg over en sta het volgende moment daadwerkelijk aan de oever van het IJ. Wat een water! En al die lucht erboven, het is hier beslist lichter dan in de binnenstad. Diep ademend, alsof er aan een sluimerende benauwdheid een einde is gekomen, voldoe ik mij aan het magnifieke uitzicht, en duidelijker nog dan tevoren realiseer ik me, door de ingeloste verwachting, dat wat ik tot nu toe in feite gedaan heb, niets anders is dan zo snel mogelijk de stad uitlopen. Aan de overkant van het IJ ligt Noord, ook mooi, maar die bebouwing lijkt zo weinig op die van de binnenstad dat de aanblik ervan alleen nog maar meer bevestigt dat ik zojuist Amsterdam uitgelopen ben en, uitstarend over het water, nu met mijn rug naar de stad toegekeerd sta.

De Ruijterkade achter het Centraal Station. Het witte gebouw aan de overkant is het Eye Filmmuseum. Rechts ernaast ligt de A’DAM Lookout.Beeld Simon Lenskens

Elke dag dat ik hier aankom is het weer een bevrijding en genot om zo ver over het water weg te kijken. Rechts zijn steigers waaraan riviercruiseschepen liggen afgemeerd met welluidende namen als Amadeus Royal, Avalon Vista of Cristal Bach, links in de verte, aan de overkant, is de zeehaven van Amsterdam te zien met talloze kranen, imposante koopvaardijschepen in dok en olieplatforms die voor de duur van het onderhoud hun enorme poten de lucht in steken.

Veel dichterbij, maar ook aan de overkant, staat een zwarte toren met daarop een merkwaardige bovenbouw met schommels. Nu is er vooral horeca in gevestigd, maar vroeger, toen die bovenbouw er nog niet op stond, was het een kantoor van Shell, met een ongenaakbaar dak waarop slechtvalken nestelden. Vanaf hun hoge woonst wieken deze koningsvogels nog hoger om zich vervolgens in duizelingwekkende snelheid omlaag te storten en de jacht te voltooien met het slaan van een argeloze duif of spreeuw – ook dit weet ik weer uit de vogelgidsen, een magistraal schouwspel zoals men schrijft, maar gezien heb ik het nog nooit, hoewel ik ook toen al hier dagelijks liep.

Zou het IJ een rivier zijn of een zeearm? In elk geval is het geen kanaal, dat wordt het verder naar links, naar het westen pas, hier is het daar nog veel te breed en ook te kronkelig voor. Jammer dat het water niet stroomt en geen getijden kent, maar verder is het een veel machtiger vaarweg dan de Seine, Theems, Tiber of Taag, al blijft het natuurlijk een binnenwater. Naast alle rijnaken zie je hier echter ook regelmatig vaartuigen die gebouwd zijn voor het ruime sop en het zoute water, de zeesleper Brent uit IJmuiden bijvoorbeeld, soms ook een viskotter en heel af en toe een gele loodsboot met mayonaisekleurige kajuit – als dwaalgasten van de zee hebben die mijn bijzondere aandacht, terwijl ik het water en de meerpalen ook altijd afspeur op aalscholvers, omdat je die in de binnenstad niet ziet.

Zwanen zie je daar wel, in overvloed zelfs, complete gezinnen met soms wel vijf jongen zwemmen door de grachten en voldoen zich aan de algen tegen de kademuren, maar een zwaan op het IJ is toch ook iets bijzonders, omdat zo’n vogel alleen hier voldoende ruimte heeft om op de wieken te gaan, zich los te maken van het water en op te stijgen, te vliegen.

Een zwaan in de grachten. ‘Inmiddels weet ik dat zwanen gewoon wilde dieren zijn.’Beeld Simon Lenskens

Een zwaan wint slechts heel langzaam hoogte, en dan nog met uiterste moeite, je kan het horen aan die pompende wiekslag, waardoor de bruggen over de grachten veel te dicht bij elkaar staan voor een zojuist opgevlogen zwaan om over de eerstvolgende brug heen te komen – zo’n zware vogel heeft een langere startbaan nodig en alleen het IJ voorziet daarin.

Ik ben dit pas gaan begrijpen toen ik een keer een zwaan zag opstijgen uit een gracht in het centrum: uit alle macht trachtte het dier hoogte te winnen voor de komende brug, maar hij haalde die bij lange na niet, zodat hij niet anders kon dan zich op het laatste moment weer terug in het water te laten vallen. De zwaan zal zelf ook wel geweten hebben dat de brug te dichtbij was, maar als je vleugels hebt wil je toch ook een keer vliegen dus hij moest de poging wel wagen, deze mislukte poging waar links en rechts om gelachen werd maar die ik nu begreep als een wanhoopspoging, voortkomend uit een ondraaglijk geworden gevoel van benauwdheid en opgeslotenheid.

Vroeger kwam het niet in me op om een dergelijk medelijden met een zwaan te hebben, daarvoor zijn ze veel te mooi, zo mooi zelfs dat het mij kunstmatig leek. Ik dacht toen dat zwanen ooit ontworpen waren op een tekentafel en vervolgens naar dat voorbeeld over vele generaties gefokt, zoals dat bij de hazewindhond of poedel is gegaan, want wat heb je aan zoveel schoonheid als je soortgenoten c.q. rivalen net zo mooi zijn als jijzelf? En dan die nuffige manier waarop ze hun vleugels onder het zwemmen op kunnen zetten, dat paste in mijn ogen meer bij opera of ballet dan bij het leven in de natuur.

Inmiddels weet ik dat zwanen gewoon wilde dieren zijn, ook stadszwanen, al zijn zij hun vrijheid om te vliegen kwijt, want welke zwaan die al sinds heugenis, mogelijk zelfs vanaf zijn geboorte, rondzwemt in het web van de grachten, weet nog welke afslagen hij naar links en rechts moet nemen om op het IJ te komen, als hij überhaupt al vermoedt dat er ergens ruimer water te vinden is? Ik ben ervan overtuigd dat de zwanen van Amsterdam allemaal in de stad zitten opgesloten, en daarom doet het me altijd goed om een zwaan op het IJ te zien, de enige plaats vanwaar hij het luchtruim kan kiezen – ik hoop dan van harte om hem daadwerkelijk te zien opstijgen, al is het maar als een witte stip in de verte.

Nog een laatste zucht, dan draai ik me naar links en vervolg ik mijn ronde in de richting van het station. Indrukwekkend blijven de kranen en voor onderhoud of reparatie afgemeerde zeeschepen in de verte – Amsterdam kan toch best een grote haven hebben, ook al is die van Rotterdam groter? De vertrouwde olietankers van rederij Koole varen tussen de veerponten door en tegelijk kijk ik over mijn rechterschouder schuin naar achteren, waar heel veraf, aan de overkant van het water, een singel van populieren de onzichtbare Oranjesluizen aanwijst. Daarachter ligt het onmetelijke en vrijwel lege IJsselmeer – je kan het niet zien, maar als je weet dat het er is voel je de ruimte. Zo onmiskenbaar als ik hier aan de waterkant de stad uit ben, kan ik die toch nog bijna aanraken als ik mijn linkerhand uitstrek naar het glas en staal van het Centraal Station, waar ik nu aan de achterzijde langsloop.

Alles hier is er nieuw, de glazen puien van de hippe restaurants en ook de passages met elegante winkels waar je bonbons, lingerie, sieraden, zeepjes en cosmetica kunt kopen – je zou bijna denken dat alle minnaars tegenwoordig de trein nemen. Deze nieuwe achterkant van het station is er een paar jaar geleden met zo veel luxe aangebouwd dat het nu wel de voorkant lijkt, en het is nauwelijks nog voorstelbaar dat dit gebied achter het station vroeger een gribus was waar werd geroofd, geheeld, getippeld, gedeald en gebruikt – heroïne ja, en de tippelaarsters spoten ook, dat was nu juist de reden om te tippelen.

Via de Eenhoornsluis, bij de Korte Prinsengracht, kom je de stad weer binnen. Hier geen coffeeshops, smartshops of seksshopsBeeld Simon Lenskens

In die tijd, de jaren negentig, was men overigens veel te progressief en ruimdenkend om daar een moreel over te hebben, de gemeenteraad zag het veeleer als een verschijnsel dat nu eenmaal bij de grote stad hoorde. Zo bezien was Amsterdam eigenlijk nog kosmopolitischer dan Parijs en Londen bij elkaar, maar met al die naalden in het donker en zonder condoomautomaten achtte men de situatie voor de prostituees en hun clientèle op den duur toch wel wat gevaarlijk, zodat men de tippelpraktijk uiteindelijk is gaan faciliteren door de instelling van een zogenoemde ‘afwerkplek’, een afgelegen parkeerplaats ergens diep in het havengebied, waar de heroïnehoeren, zoals ze zelfs tot in het ambtelijke jargon met alle respect werden aangeduid, in de auto’s van hun klanten hun diensten konden leveren. Omwille van de privacy waren er tussen de parkeervakken schotten aangebracht, met het oog op de hygiëne stonden overal afvalbakken op paaltjes waarin de gebruikte condooms en vuile naalden gedeponeerd konden worden, en zo viel er voor niemand meer iets te wensen.

Andere wereldsteden konden aan deze proeve van progressief bestuur een voorbeeld nemen, vonden ze in Amsterdam; delegaties uit Londen, New York en Parijs waren welkom om hier hun licht op te steken en hun burgerlijke vooroordelen te overwinnen aangaande harddrugs, prostitutie en het moderne samengaan van beide. Sindsdien is er veel veranderd, zowel in het denken over straatprostitutie door verslaafden, over drugsgebruik in de openbare ruimte en over het al lang weer gesloten monstrum van de afwerkplek; nog een geluk dat Amsterdam nooit meer aan dat oude beleid herinnerd wordt, laat zich er ooit rekenschap van heeft hoeven geven – het is gewoon zonder al te veel moeite vergeten.

Terwijl ik het station achter me laat en de ponten passeer kom ik bij steigers waar ook weer riviercruiseschepen aangemeerd liggen met welluidende namen als Verdi, Amadeus Silver en Treasures. Vervolgens loop ik verder langs het water over de nieuwe stoep naast de nieuwe weg, waar de onlangs geplante nieuwe boompjes een opstaande rand rond de stammen hebben, welke boomspiegels zo vaak als asbak worden gebruikt dat de rulle aarde volledig is toegedekt door sigarettenpeuken en filters. Deze kunnen door die rand en ondergrond niet verwijderd worden met een veger, en zullen pas verdwijnen wanneer een medewerker van de stadsreiniging die stuk voor stuk opraapt en in een zak doet – nederig werk, dat mensen met een goede baan best een paar uur als vrijwilliger zouden willen doen: de strijd tegen het alomtegenwoordige vuil heeft een recreatief, soms ook activistisch of zelfs heroïsch karakter gekregen.

Waar de hoofdweg naar rechts buigt sla ik juist linksaf door de weg over te steken: wel goed uitkijken nu, naar links, rechts en links, want het is druk hier, het verkeer lijkt van alle kanten te komen.

Recht vooruit is er weer een spoorviaduct te zien, net zoals eerder aan de andere kant van het station, ik loop door die donkere onderdoorgang de stad als het ware weer in, binnenkomend bij de Korte Prinsengracht die voorbij de Haarlemmer­straat overgaat in de Prinsengracht. De rest van de route bestaat voor het grootste deel uit het volgen van deze gracht tot waar die uitmondt in de Amstel, en ook hier, nog helemaal aan het begin, ben ik weer terug in het centrum, al is deze buurt wel iets anders dan de Wallenbuurt van vertrek: hier zijn geen coffeeshops, smartshops of seksshops meer, de toeristen, nog wel in groten getale aanwezig, slenteren minder op straat en rijden vaker in groepen op huurfietsen, de zadels goed laag om makkelijk met de voeten bij de grond te kunnen, wat hen een enigszins kinderlijk aanzien geeft, en boven het water zijn nergens nog richels of waslijnen voor drenkelingen te zien.

Thomas Rosenboom, De grote ronde, Van Oorschot, 74 p., 12,50 euro.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234