Zaterdag 05/12/2020

ReportageReizen

Vakantie in eigen land? Ga eens naar ‘de marginaalste stad van Vlaanderen’

In de Rijselstraat, waar rokers uit Frankrijk maar wat graag goedkopere Belgische sigaretten komen inslaan.Beeld Tim Dirven

Een grensgebied is altijd fascinerend. Vooral als je niet kunt zien waar het ene land ophoudt en het andere begint. In Menen lopen de Barakken, de roemruchte arbeiderswijk, over in Frankrijk. Een grensoverschrijdende wandeltocht langs emmers roltabak, sokkels zonder standbeelden en varkens aan het spit.

“Ben je stadsgids in Menen? Wie wil daar nu naartoe?” Caroline Roose wordt dikwijls met de vraag geconfronteerd. Denk Menen en denk verloedering, armoede en grenscriminaliteit. En ik moet toegeven, op deze wisselvallige maandagmorgen oogt de Rijselstraat aan de zuidelijke ­oever van de Leie niet bepaald florissant.

“Kijk”, zegt Caroline kordaat, “ik ben in deze straat geboren, ik woon al mijn hele leven in de Barakken en ik heb het er nog altijd prima naar mijn zin. Bovendien zou er geen toeristische dienst zijn als er niets te zien was.”

Daar heeft ze een punt. Ooit speelde Menen een belangrijke rol als vestingstad voor de Fransen, later werd het een verdedigingsoord van de Nederlanders.

En naast een roerige geschiedenis heeft de West-Vlaamse gemeente natuurlijk meer te bieden dan deprimerende berichten in de lokale gazet over dronken vechtpartijen in troosteloze cafés. Dus gaan we op zoek naar het verhaal van een grensstad, van de groene oevers aan de Leie tot het einde van België en het begin van Frankrijk. Ondergrondse smokkelroutes, ramkraken en naar sigaretten smachtende Fransen incluis.

Smokkelgebied

We keren de brug over de Leie de rug toe en stappen richting Frankrijk, een paar honderd meter verderop. Zodra je de brug over bent, sta je in de Barakken, de roemruchte wijk tussen de Leie en het Franse stadje Halluin, Oallewinne voor de Menenaars. Het valt meteen op dat de Rijselstraat geen normale winkelstraat is. Waar je ook kijkt, schreeuwen de gevels het uit: TABAK! Vergeet de 1 eurowinkels, de kebabzaken, vergeet ook de grootste snoepwinkel van België met meer dan duizend soorten zoetigheid. In de Rijselstraat domineren sigaretten en dozen tabak het winkelende bestaan.

De glorieperiode van de straat begon in de jaren 1950-60. Duizenden Belgische arbeiders pendelden destijds elke dag met de bus naar hun werk in Frankrijk, waar de textielindustrie floreerde. Aan de grens in de Rijselstraat moesten de werknemers telkens allemaal uitstappen en maakten ze van de wachttijd gebruik om hun ontbijt of lunch mee te pakken bij de bakker en de slager. Op hoogtijdagen stonden er minstens negentig bussen aan te schuiven.

De pendelaars moesten de bus uit omdat de douane de mensen controleerde op smokkelwaar. Op tabak vanuit België naar Frankrijk en omgekeerd op sterke drank. “De Belgen smokkelden wat af”, weet Caroline. “Zo goten ze sterke drank over in hun drinkbussen en namen liters mee naar huis.”

Menen staat schouder aan schouder met het Franse stadje Halluin, met zijn zeer pittoreske arbeiderswijk.Beeld Tim Dirven

Na de jaren 60 ging de bloeiende Rijselstraat stilaan op de sukkel, samen met de textielindustrie in Noord-Frankrijk. Het eens zo welvarende Roubaix stortte in en is nu een van de armste steden van Frankrijk.

Toch bleef de zondag een hoogdag in de Rijselstraat want de Fransen kwamen – en komen nog altijd – massaal af naar de Barakken om te winkelen. Iedere week kun je er over de koppen lopen. Maar het is niet meer wat het geweest is, vindt Caroline. “De straat is op haar retour. Dat is te wijten aan de lange, zware periode van de ramkraken. In de jaren 90 was dat, ik woonde hier nog aan het begin van de Rijselstraat. Grens­criminaliteit is er altijd geweest maar toen was het echt erg. De dieven reden met hun auto’s de winkels binnen en pikten alles wat ze maar te pakken konden krijgen.”

De winkeliers lieten zich echter niet doen en bouwden hun zaak om tot ware burchten, vertelt de stadsgids en inwoonster van de Barakken. “Als er brand zou uitbreken, kon je gewoon niet meer weg.”

Oorlogszone

Toen de oudere generatie winkeleigenaars met pensioen ging, doken er andere, goedkopere shops op. Maar de tabak bleef. Virginie Breye baat al jaren de Straffen Toebak uit, op nummer 229.

Achter de toonbank zien we stapels dozen van een kilo roltabak, compleet met enorme foto’s van etterende wonden op scheenbenen en andere onherkenbaar gemuteerde lichaamsdelen waarop je kans maakt als roker. Al worden die handig weggemoffeld door de meeste dozen zo te stapelen dat alleen de zijkant zichtbaar is. Virginie begroet iedereen bij naam. En dat met een stralende glimlach. “Mijn grootouders waren grensarbeiders die hier zijn blijven hangen”, vertelt ze. “Ze begonnen met een kruidenierszaak, mijn moeder had een tankstation met een café tabac, en ik werk met veel plezier in mijn tabakswinkel.”

De run op rookwaren in de Barakken begon in oktober 2003, herinnert Virginie zich. Voordien was tabak goedkoper in Frankrijk en kochten de Belgen hun sigaretten ginder. “Hoe heette de Franse minister uit die tijd ook weer?”, vraagt ze aan haar man. “Mattei, ik weet het weer. Hij besloot dat tabak duurder moest worden. Van de ene op de andere dag liep het hier storm.”

In ons land kost een pakje tabak 5 euro, in Frankrijk maar liefst 13 euro. Een pak sigaretten is bij de Fransen bijna 4 euro duurder dan in België. Alcohol is dan weer goedkoper aan de andere kant van de grens, zegt Virginie. Ruim 90 procent van haar klanten zijn Fransen. “Ze komen helemaal van Calais om emmers roltabak tegelijk te kopen.”

Tijdens de coronacrisis lag het natuurlijk stil. “Toen leefde de smokkel weer op. De Fransen kropen over de hekken of knipten de ijzerdraden door om toch maar binnen te komen. Het stikte van de politie op straat, het leek wel een oorlogszone.”

Caroline kan erover meepraten: “De Fransen stonden elke dag aan de hekken bij de grens. Als je voorbij kwam, zwaaiden ze met geld en vroegen ze of we alsjeblieft sigaretten wilden halen. Natuurlijk deden we dat.”

Virginie roept haar moeder, die achterin de winkel zit. “Ze heeft achtendertig jaar een eigen zaak gehad, hè moeke?”

“Véértig!”, klinkt het prompt achter de dozen roltabak.

Doelloos stuk grond

Wat Virginie ervan vindt dat Menen dit jaar voor de tweede keer op rij tot meest marginale stad van Vlaanderen verkozen is, vragen we.

“Ach, ik lach daar mee. Als het over de Barakken gaat, zijn er maar twee mogelijkheden: you love it or you hate it. Wel, ik ben een overtuigd liefhebber, ik woon hier heel graag en ik ben er fier op. Het is een sociale wijk, iedereen kent elkaar en de grenssfeer is uniek.”

De oproep tot marginaalste stad is geen erkende verkiezing. Wat begon als grap op de Facebook-pagina ‘Departement Der Vlaemsche Mens’, groeide uit tot een populaire actie waar duizenden mensen met veel plezier gehoor aan geven. Dit jaar ging de finale tussen Menen en Oostende. Menen won opnieuw glansrijk. Intussen kunnen de Menenaren er net als Virginie zelf om lachen. Heel wat bewoners riepen trouwens op om te gaan stemmen. Zo maakten ze, min of meer, van de nood een deugd.

Virginie Breye en haar moeder, trotse Menenaren en koninginnen van de tabaksverkoop. ‘Het kan niet allemaal Knokke-Le Zoute of Latem zijn, hè?’Beeld Tim Dirven

Toch gaan er ook stemmen op om de naam van de Barakken te veranderen, net omdat die zo’n slechte reputatie heeft. “Ik vind dat onzin”, beklemtoont Virginie. “Je kunt je geschiedenis niet verloochenen. Ooit stonden hier houten barakken, punt uit. Het kan niet allemaal Knokke-Le Zoute of Latem zijn, hè?”

Aan het einde van de winkelstraat kom je uit op een plein. We hebben geen flauw idee of we nu al in Frankrijk zijn beland. Nergens een teken van die verdomde grens te bespeuren. “Jawel”, zegt Caroline geheimzinnig. “We staan er bijna op.” Ze wijst op de stippen op de grond, kleine ronde metalen platen. “Dat is ’em.”

Midden op het plein staat een lege sokkel, zonder standbeeld. Place Delors-Delors­plein is het eerste grensoverschrijdende plein van Europa, staat op de sokkel te lezen. Maar ook hier loopt de Europese eenwording niet van een leien dakje. Over de inrichting van het plein is al jaren onenigheid tussen de Belgen en de Fransen. De burgemeesters van Halluin en Menen komen maar niet tot een akkoord over wat ze nu met dit gedeelde stuk grond moeten aanvangen. Dus ligt het daar al tien jaar doelloos te liggen. “In het begin kwamen de Japanners nog kijken naar het eerste grensoverschrijdende plein van Europa”, weet Caroline. “Intussen is het hele plein nog altijd niet officieel geopend. Ook over het beeld dat er moet staan, zijn ze nog niet uit.”

Maar er is hoop, horen we. De nieuwe burgemeester van Halluin zou openstaan voor nieuwe gesprekken, er zijn plannen voor een grensoverschrijdende kerstmarkt. Wie weet komt er zelfs een standbeeld.

Eindelijk kabel-tv

De fotograaf komt intussen enthousiast vertellen dat hij nog iets heeft ontdekt dat aangeeft waar België stopt en Frankrijk begint. Hij wijst naar de tv-antennes op de daken van de huizen aan de overkant. Geen schotelantennes maar van die ouderwetse staken die je bij ons al lang niet meer ziet. De analoge tv werd in België in 2008 afgeschaft. Maar in Halluin is er nog altijd geen kabel te bekennen. Ze hebben het onlangs wel aangekondigd, vertelt Caroline: Le câble va arriver. “Het zal met een groot feest zijn.”

De meeste bewoners van de Barakken beschouwen de wijk als een eigen gemeente. Mjinde stad, dat ligt aan de overkant van het water. Omdat de Barakken en Halluin letterlijk in elkaar overlopen, hebben de inwoners vaak familie aan beide kanten van de grens.

Eind negentiende, begin twintigste eeuw werd er volop gebouwd in het gebied. Tijdens de jaren 30 konden veel Belgische grensarbeiders het zich dankzij de sterke Franse frank veroorloven een huis in Halluin of de Barakken te bouwen. Virginie Breye van de Straffen Toebak had het al gezegd: vroeger stonden hier wel degelijk houten barakken, vandaar de naam. Toen de Franse koning Lodewijk XIV bepaalde dat Menen een vestingstad van de Noord-Franse grens moest worden, was er op de plek van de huidige Barakken niet veel te beleven. Tot aan pakweg 1850 fungeerde de streek als oorlogsgebied: mocht het ooit nodig zijn, dan zou daar gevochten kunnen worden. Daarom stonden er houten barakken en geen huizen.

Na 1850 werd het land opnieuw verdeeld en kon er, mede door het ontstaan van België in 1830, wel gebouwd worden. Behalve op de grens, dat mocht niet. “Maar we zouden geen Vlamingen zijn als we daar braaf naar geluisterd hadden”, lacht Caroline.

Ook haar overgrootouders werkten in de textiel­sector in Noord-Frankrijk en vestigden zich in de Barakken. “De generatie van mijn vader ging in Frankrijk naar school, want het was belangrijk om de taal goed te leren. Op zeker moment bestond 70 procent van de bevolking in Halluin uit Belgen. Ze trouwden met Fransen en andersom. Het is altijd een mix geweest van beide nationaliteiten.”

Tegenwoordig wonen er ook heel wat mensen met een migratieachtergrond, weet de gids. “Wat dat betreft kun je het vergelijken met Brussel. In heel Menen verblijven momenteel 101 nationaliteiten, op een bevolking van 33.000 inwoners. En dat verloopt helaas niet altijd even vlot, net als in Brussel. We hebben dezelfde problemen als een grootstad.”

Ook op het vlak van onderwijs is het moeilijk. Caroline is naast gids ook leerkracht op een middelbare school waar zowel leerlingen van Franse als van Vlaamse zijde les volgen. Door de lockdown hebben velen een nog grotere taalachterstand opgelopen, zegt ze.

Fluitende postbode

In Halluin volgen we de route langs de oude arbeiderswijken uit de negentiende en twintigste eeuw, compleet met smalle, kronkelende steegjes. De hekken van de eerste twee ruelles zijn op slot, het derde is open. De oude huisjes zijn nog altijd bewoond. Soms hebben ze maar één verdieping, de zogenoemde eenlaagswoningen. Met hun typische Franse houten luiken en slingerende rozenstruiken langs de gevels zien de straatjes er op sommige plekken uit als een romantisch filmdecor. De postbode fietst fluitend rond, een bewoonster hangt haar was op en zegt vriendelijk goeiedag. Sommige bewoners spreken nog wat Vlaams, zegt Caroline.

Via de oude cités, ruelles en impasses (steegjes) keren we terug richting de grens, door de Moeskroenstraat waar vroeger drie Franse douaneposten (aubettes) stonden. De betjes, zoals de Menenaars zeggen, vormen een deel van de huidige grens.

We kijken naar de achterkant van een rij huizen die aan Franse zijde uitkomen. De voorkant staat in België. Bijna alle woningen zijn afgesloten aan de achterkant, er is geen deur te zien.

Café Bucksom, waar je via een achterpoortje Frankrijk kunt binnenglippen. ‘Tijdens de lockdown kwam de politie hier niet controleren.’Beeld Tim Dirven

Je komt Frankrijk niet binnen of je moet over de haag of de schutting kruipen. Maar een grens zou geen grens zijn als er geen uitzonderingen waren. Zoals café Bucksom. De ingang ligt in België. Het is elf uur ’s morgens als we het kleine etablissement binnenstappen. Er staan maar een paar tafeltjes, van elkaar gescheiden door doorzichtige plastic wanden op wieltjes. De stamgasten aan het derde tafeltje zitten al vrolijk te pintelieren. De eigenaar is er niet maar de man achter de toog laat ons met alle plezier de achterkant van het café zien. Hij loodst ons door een smalle gang, langs de bakken Jupiler, en opent de achterdeur. “Voilà, welkom in Frankrijk.” Tijdens de lockdown is de politie nooit komen controleren, horen we later van de eigenaar.

In de Bucksom zit buurman Yves Peirs, van een paar huizen verderop. Yves is beroemd geworden door zijn grensverleggende anekdote. Tot in 2003 kon de man ongehinderd zijn garage aan Franse kant in- en uitrijden. Tot er op een dag plots twee grenspaaltjes voor zijn poort stonden. Yves kon geen kant meer op. Bleek dat de pas gebouwde carport van de buurman de aanleiding was. Door de carport gingen er twee parkeerplaatsen in de straat verloren. Waarop de Franse overburen naar de burgemeester stapten. Die besloot dat er paaltjes moesten komen voor de garage van Yves.

“Ze hadden dat gevonden in een wet van 1820”, zegt Yves nog altijd verontwaardigd. “België bestond zelfs nog niet! Diene wet dat je niet op de grens mocht bouwen, ja.” Op 28 maart 1820 ondertekenden Frankrijk en het Koninkrijk der Nederlanden het Verdrag van Kortrijk. In artikel 69 van het verdrag stond dat er niet gebouwd mocht worden op minder dan tien meter van de landsgrens. “Ik heb het daarbij niet gelaten”, fulmineert Yves. “Ik ben naar de burgemeester gegaan, hoe noemt ie were? Jean-Luc Deroo, den dien was ‘t. Ik ben blijven reclameren tot ze geplooid zijn. Nu zijn de paalkes weer weg.” In 1974 werd het verdrag van Kortrijk enigszins aangepast. De bevoegde autoriteiten in beide landen mochten in bepaalde gevallen afwijkingen op het bouwverbod toestaan. Yves grijnst: “En zo heb ik België een bitje bridder gemaakt.”

Verderop in de straat van het café staat de oude Bucksom-cinema. Of wat er van over is. In 1912, hetzelfde jaar waarin de Titanic verging, vond er ook een ramp plaats in de Barakken, in de bioscoop. Tijdens de film vloog de projector in brand en zag het publiek plots grote vlammen op het scherm. Er brak paniek uit, iedereen repte zich naar de uitgang. De brand verspreidde zich niet verder, maar er kwamen veertien mensen om het leven door vertrappeling en er vielen vijftig gewonden. Een zwarte dag in de geschiedenis van de film. En van de Menenaren.

Palmbomen

We zijn terug bij het grensverleggende plein van ­Europa. De Rijselstraat laten we rechts van ons liggen, we wandelen door tot aan de Grensstraat, die letterlijk de grens vormt. “In de jaren 30 werd hier een smokkelroute ontdekt”, vertelt Caroline. “Een douanier stond op een avond in de buurt en hoorde geluiden die hij niet kon thuisbrengen. Hij ging op onderzoek en stuitte op het oude riool dat vanuit Frankrijk doorliep tot in België. In het riool waren rails gelegd waarop een wagentje heen en weer werd getrokken met smokkelwaar. Het stond bekend als de metro.” De ingang van de oude smokkelgang is tot nu toe niet teruggevonden.

De Grensstraat stopt aan de Leie, links van de brug. De zon breekt af en toe door en schittert op het kabbelende water. Het landschap doet denken aan oude zwart-witfoto’s in boeken die je alleen nog op rommelmarkten of de zolder van je grootmoeder vindt. Binnenkort zal het er totaal anders uitzien. Gedaan met de nostalgie uit de vorige eeuw. Om grotere schepen door de bocht te kunnen laten, moet de Leie op deze plek verbreed worden. De oude brug zal verdwijnen en aan beide oevers worden in totaal 147 woningen afgebroken. In 2024 moet het grootschalige project af zijn. De Menenaars die we erover aanspreken, zijn blij met de plannen. “Eindelijk verbetering.”

Alain Deschuytere had jarenlang een feestboot op de Leie. ‘Varken, bier, wijn en accordeon.’Beeld Tim Dirven

We nemen afscheid van Caroline, steken de brug over en slaan linksaf, langs de andere zijde van de Leie waar we de dode arm van de rivier volgen. Over de oude sluizen komen we bij het kleine jachthaventje terecht. Een totaal ander stukje Menen dan dat we tot nu toe gezien hebben. Blinkende jachten vind je hier niet. Wel een hoop aftandse boten die hun beste tijd al lang hebben gehad. Maar dat maakt het juist charmant.

We vergapen ons aan de drijvende exotische tuin op het water, een installatie van het kunstenparcours Contrei Live. De hele zomer kun je zestien verschillende kunstwerken op en langs het water bekijken in dertien gemeentes aan de Leie. De groene biotoop van het drijvende eiland past perfect bij de ingang van de woonboot van Alain Deschuytere. De 72-jarige schipper is een begrip in Menen en omstreken. Tweeëndertig jaar lang voer hij de Leie af met een boot vol feestende passagiers. Nu is hij op pensioen – zij het met tegenzin – en verhuurt hij de twee woonboten naast de zijne als Airbnb. De exotische woonboot van Alain zelf ligt verstopt achter het struikgewas en bomen langs de straat. Je waant je in een andere wereld als je binnentreedt. Gifgroene en feloranje vogels kwetteren in een enorme volière, palmbomen wuiven op het dek en binnen struikel je over de Afrikaanse beelden. “Behalve op de Leie heb ik nooit gereisd”, legt de schipper uit. “Dus breng ik op deze manier de wereld binnen.” Hij mist zijn oude job, klinkt het als we met zijn vrouw aan de koffie zitten op het dek. “We hebben het jaren met liefde gedaan. Ons concept van een gebraden varken aan het spit was eenvoudig maar het sloeg in als een bom bij de Vlamingen. Je kon per groep de boot huren. Varken, bier, wijn en een accordeonist, dat was het.”

Twee jaar geleden verkocht Alain zijn feestboot. “De overnemers wilden er een chique bedoening van maken, maar dat pakte niet bij de mensen. Na twee seizoenen was het gedaan.” De passagiersboot ligt er tegenwoordig werkloos bij. Alain wordt er triest van als hij ernaar kijkt. Maar hij kan niet klagen, zegt hij. “Leven op het water is altijd een beetje vakantie.”

Ik moet denken aan de opmerking van een bewoner uit de Barakken deze morgen: “Wie op de grens woont, heeft altijd een beetje een vakantiegevoel. Zelfs in de Barakken.” Alles is relatief. Vraag het maar aan de ­Mjinaeren.  

Beeld Tim Dirven
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234