Zondag 26/09/2021

interviewPiet Oudolf

Tuinarchitect Piet Oudolf blijft ontwerpen tot de laatste snik: ‘Planten zijn net mensen’

Piet Oudolf en zijn vrouw Anja: ‘Planten werden een manier om mezelf uit te drukken. Ik heb dat altijd vanuit mijn eigen gevoel gedaan. Dat anderen het ook mooi vonden, was alleen maar ­meegenomen.’
 Beeld Ivo van der Bent
Piet Oudolf en zijn vrouw Anja: ‘Planten werden een manier om mezelf uit te drukken. Ik heb dat altijd vanuit mijn eigen gevoel gedaan. Dat anderen het ook mooi vonden, was alleen maar ­meegenomen.’Beeld Ivo van der Bent

Piet Oudolf (76) ontwerpt tuinen en parken over de hele wereld, zoals de High Line in New York. Omdat ook u druk in de weer bent in de tuin, de hoogste tijd voor een gesprek met de vermaarde Nederlandse tuinarchitect. ‘Iedereen mag mijn ontwerpen kopiëren, ik vind het net leuk als ik anderen stimuleer. Maar het is moeilijker dan je denkt.’

Een interview bij hem thuis, in Hummelo? Piet Oudolf ­probeert de boot een beetje af te houden, het kan ook ­“uitstekend” telefonisch, zegt hij bij het eerste contact. Als hem duidelijk wordt dat we toch graag naar hem toekomen, al was het maar om in zijn fameuze tuin rond te lopen, dan blijkt waarom hij tegensputtert: journalisten blijven soms een hele ochtend hangen en tja, sorry, hij heeft nog méér te doen.

Beloofd: we blijven anderhalf uur – verdwenen is het idee bij een praatgrage pensionado op bezoek te gaan die zeeën van tijd heeft om op zijn internationale carrière terug te blikken. Ja, hij heeft wereldwijd tuinen en parken ontworpen, met als beroemdste voorbeeld de High Line in New York, maar dat hij 76 is betekent niet dat dat voorbij is. Hij is nog volop aan het werk. Zo’n twintig projecten tegelijk heeft Oudolf doorgaans onder handen, schrijft de Britse tuinjournalist Noel Kingsbury in het kloeke boek Oudolf, Hummelo dat vorig jaar verscheen: ‘In een levensfase waarin velen het wat kalmer aan doen, lijkt het of Piet zelfs steeds meer doet. Veel nieuwe opdrachten komen van kunstmusea en ­galerieën: Museum Voorlinden en het Singer Museum in Nederland, Chillida Leku in Spaans Baskenland, de Hauser & Wirth Gallery in Somerset en Menorca. De stapel prijzen en onderscheidingen wordt ook steeds hoger.’

Oudolf woont in een monumentale boerderij tussen de weilanden, maar ontvangt – hij is overstag gegaan – in zijn lichte en moderne ontwerpstudio achterin de tuin, een ­bakstenen kubus van een architect uit de buurt. Hij doet zelf open; rijzig, grijsblond haar, Noorse vest, spijkerbroek, wijst op kapstok en zitplek aan een lange houten tafel. Hij is de enige in de studio, want de beroemdste tuinontwerper ter wereld heeft precies nul mensen in dienst. Zelfs geen ­assistent, nee, hij werkt het liefst alleen. Hoewel: daar is zijn vrouw al, de drijvende kracht achter Piet Oudolf, zo ­benadrukt hij steevast in interviews. Anja (73), slank en hip in knaloranje broek, komt koffie en koekjes brengen: “Zo, redden jullie het? Ik ben in de buurt, hè, ik hoor het wel.” Als ze stipt anderhalf uur later met zuurdesemboterhammetjes binnenkomt, voelt dat als een afronding. Natuurlijk, Piet heeft meer te doen.

Twintig projecten tegelijk, is dat nu ook zo?

“Nee, door corona is het wat minder geworden, maar het zijn er toch flink wat.”

Oudolf telt op zijn vingers: “Een begraafplaats in Boston, een park in Detroit, een beplantingsplan voor het Vitra Design Museum (in Duitsland, red.) is net af, een aantal ­projecten hier in Nederland… Soms vergeet ik precies wat. Een privétuin in Zeeland, al doe ik dat niet vaak. Maar deze man, een projectontwikkelaar, ken ik. Dan is het lastig nee zeggen.”

Een grote tuin?

“Niet eens zo groot, nee, maar wel ingewikkeld, omdat er twee daktuinen bij komen.”

Wat is de kleinste tuin waar u iets mee kunt?

“Dat maakt niet uit, zo groot als deze kamer. Kijk (wijst naar een hoek), daar een terrasje, hier een paadje en dan natuurlijk planten – het is niet dat ik het niet kán, maar het doet zich weinig voor. Ik werk doorgaans met een landschaps­architect, dan kom je al met z’n tweeën binnen. Dat is niet voor iedereen te betalen. Ik heb een particuliere klant in Nantucket, een eiland bij Boston, met zijn tuin ben ik al vijf jaar bezig. Tja, dat gaat al gauw om een paar miljoen.”

‘Piet wilde altijd al de privétuin uit’, schrijft Noel Kingsbury en hij citeert hem over de tijd, begin jaren tachtig, dat Oudolf nog een kleine hovenier in Haarlem was: ‘Ik kwam niet verder dan het ontwerpen en maken van kleine tuinen. Ik had een leuke klantenkring, maar ik voelde dat er meer in zat.’

Dat zat er: veertig jaar later heeft Oudolf grote, openbare parken en tuinen in Zweden, Duitsland, Engeland, Canada en Amerika op zijn naam staan. Er zijn een stuk of tien ­boeken van en over hem gepubliceerd, twee documentaires over hem gemaakt, hij ontving de prestigieuze Lifetime Achievement Award van de Britse Society of Garden Designers en wordt alom als de invloedrijkste ontwerper in zijn vakgebied gezien. De Dutch wave wordt het wel genoemd, zijn wild ogende, maar – vergis je niet – strak ­geregisseerde landschappelijke tuinen vol vaste planten, kleurrijke bloemen en zilvergrijze grassen, vaak afgewisseld met golven van groen gras. Zijn credo: een tuin is mooi in elk seizoen, ook in de herfst valt er aan bruine bladeren, verwelkte bloemen en kale takken net zoveel schoonheid te beleven als aan bloeiende bollen in het voorjaar.

BIO

geboren op 27 oktober 1944 in Haarlem (NL)

volgde in 1969 een hoveniersopleiding en startte vijf jaar later een hoveniersbedrijf in Haarlem

verhuisde in 1982 naar Hummelo, ­begon eigen kwekerij en later met twee anderen het bedrijf Future Plants

bracht in 1989 samen met Henk Gerritsen Droomplanten uit, de eerste van circa tien tuinboeken

krijgt opdrachten uit alle hoeken van de wereld, onder meer Chicago, New York, Londen, Kopenhagen (restaurant Noma) en het Duitse Weil am Rhein (Vitra Design Museum)

documentaire Five Seasons, the ­Gardens of Piet Oudolf (2018) van ­regisseur ­Thomas Piper kreeg veel ­bijval

getrouwd, heeft twee zonen en drie kleinkinderen

Tot uw 50ste was u een onbekende hovenier en kweker, eerst in Haarlem, later hier in Hummelo. Bent u, om in tuintermen te spreken, een laatbloeier?

“Dat klopt wel, ja. Dat komt: toen ik jong was heb ik nooit een moment aan dit vak gedácht.”

Hoe begon het dan?

“Mijn ouders hadden een restaurant-cafébedrijf in Bloemendaal. Rusthoven heette het, zo’n authentieke zaak waar vertegenwoordigers koffie kwamen drinken. Na schooltijd hielpen mijn broer en ik met flesjes opruimen en de bediening, je rolde zo het familiebedrijf in. Op een ­gegeven moment ben ik weg van huis gegaan, ik heb nog anderhalf jaar gevaren en in hotels in Amsterdam gewerkt, maar toen ik 20 was, keerde ik toch terug naar huis. Dat komt, mijn vader overleed...”

Die moet nog jong zijn geweest.

“Ergens begin 50. Het ligt zo ver achter me, daar denk ik weinig over na. Maar goed, toen ben ik weer in de zaak gaan werken, want mijn moeder zette die voort. Ik heb er Anja ontmoet, zij werkte bij ons op de minigolfbaan, we trouwden en kochten een huisje in Haarlem, we hadden het druk genoeg. Maar op een gegeven moment ben ik gaan twijfelen of ik dat wel mijn hele leven wilde.

“En dat is zo gaan wringen dat ik weer uit het familiebedrijf ben gestapt en allerlei baantjes heb aangenomen. Bij de Hoogovens, op de visafslag, en op een dag kwam ik, ik was toen 25, in een tuincentrum terecht. En dat tuincentrum is een soort ommekeer voor me geweest. Ik kwam er tijdelijk, voor de seizoensverkoop, maar ik ben er blijven werken op de kwekerij. En omdat ik aardig gepassioneerd was geraakt over planten, ben ik terug naar school gegaan. Naar een hoveniersopleiding in de avond, ik ben er cum laude geslaagd. Want ik was fanatiek, hè. Dat ik van school was afgegaan, was niet omdat ik te dom was, dat was omdat ik niet tegen regeltjes kon.”

Nog steeds?

(wijst om zich heen) “Nou, ik werk alleen, hè? Ik heb wel een beetje een dwars karakter. Vroeger meer dan nu, hoor. Al te eigenwijs kun je niet zijn als je vooruit wil in de wereld, maar eigenzinnigheid helpt wel.”

Piet Oudolf: 'Ik zie mensen op hun terrasje zitten zonder een spriet groen. Vaak staat er alleen een bankstel op de tegels en een barbecue. Natuurlijk denk ik dan: mensen, het kan zoveel mooier.' Beeld Ivo van der Bent
Piet Oudolf: 'Ik zie mensen op hun terrasje zitten zonder een spriet groen. Vaak staat er alleen een bankstel op de tegels en een barbecue. Natuurlijk denk ik dan: mensen, het kan zoveel mooier.'Beeld Ivo van der Bent

Halverwege de jaren zeventig, als Oudolf 30 is, begint hij zijn hoveniersbedrijf in Haarlem. Zeven jaar later verhuist hij met Anja en hun zonen Pieter en Hugo, dan 9 en 7, naar de Achterhoek. Daar beginnen ze, naast de boerderij en hun tuin van 12.000 vierkante meter, een eigen kwekerij. “Ik had een paar leuke tuinen gemaakt in Haarlem, die werden al gefotografeerd voor tijdschriften toen ik pas een paar jaar bezig was. Dat zou je niet denken, hè. Maar op de een of andere manier viel mijn werk toen al op.”

Wat was er zo vernieuwend aan?

“Het gebruik van vaste planten die in alle seizoenen anders zijn. Die bestonden al lang, natuurlijk, maar mensen waren gewend in het voorjaar een paar bakken bloeiende ­eenjarigen bij het tuincentrum te halen, die gingen dood in de winter en het jaar daarop haalden ze weer nieuwe. Voorts stonden er hooguit een paar bomen en heesters langs het gras, en dat was het – niet bij iedereen, hoor, maar bij de meeste mensen wel. Je had ook niet veel keus in de tuincentra. Ik moest stad en land afrijden om wat meer ­bijzonde planten te vinden. Op een dag ben ik ze zelf maar gaan kweken, en omdat ik daarvoor ruimte nodig had, zijn we naar de Achterhoek gegaan.

“We hebben twee jaar gezocht voordat we deze boerderij vonden. Helemaal vervallen was ze. Er zat geen dak op, bij wijze van spreken, we hebben haar een paar jaar lang zelf verbouwd. Het was op het randje van armoede die eerste jaren, want ik had hier nog helemaal geen klanten. Gelukkig geloofde Anja in mij.”

U was 37 toen, had een goedlopende zaak achter u gelaten. Vanwaar dat gevoel dat er meer in zat?

“Het was net als in het café vroeger, ik dacht: moet ik nu zo mijn hele leven voort? Ik had een drang om het anders te doen, overigens zonder precies te weten hoe dat in te ­vullen. Maar ik had het al mijn hele leven gevoeld: ik kán iets, het kwam alleen niet uit de verf. Je moet het wel ergens aan vasthangen, hè. Iedereen kan wel denken: ik kan alles, maar als je alleen maar dénkt dat je alles kunt, leidt het ­nergens toe. Je moet een bestemming vinden en bij mij waren dat planten. Dat was de oplossing.

“Ik zal niet zeggen dat het obsessief was, maar ik ben er wel helemaal ingedoken, heb ze me helemaal eigen gemaakt. Planten werden... (zoekt even naar woorden) een manier om mezelf uit te drukken. Ik heb dat altijd vanuit mijn eigen gevoel gedaan. Het was iets voor mezelf. Dat anderen het ook mooi vonden, was alleen maar meegenomen. Een klant kon wel zeggen: ik wil het zus of zo, ik deed het toch altijd op mijn eigen manier.”

Was dat ook de reden dat u de privétuin uit wilde?

“Als je een tuin voor een particulier ontwerpt, hoeveel ­mensen zien hem dan? De paar gezinsleden, dat is het, hooguit komt er nog eens visite die zegt: goh, fantastische tuin, mooi hoor. In de openbare ruimte zijn het er honderdduizenden, soms miljoenen. Wat vind je interessanter voor jezelf als je kunstenaar bent? Wil je door vier mensen gezien worden als je ook in het Rijksmuseum kunt hangen, of in het Stedelijk? Zo moet je dat bekijken, de openbare ruimte is toch een tentoonstellingsruimte. Als je er eindelijk achter bent gekomen wat je kunt, wil je ook dat het gezien wordt.”

Toch duurde dat nog even. Uw eerste opdracht in de openbare ruimte, een deel van een park in Zweden, kreeg u in 1995; u was al over de 50 toen. ‘Zweden, het keerpunt’, noemt Kingsbury dat hoofdstuk in zijn boek. Waarom duurde het zolang?

“O, maar ik had al veel gedaan en meegemaakt toen; de boerderij verbouwd, de kwekerij opgezet, ik had hier in de Achterhoek inmiddels ook een paar particuliere tuinen ­ontworpen. Ik vond het ook niet erg, hoor, om particuliere tuinen te doen. Ik had leuke klanten, ze vonden het mooi wat ik deed.”

Bekroop u toch niet het gevoel: ik moet eens gaan pieken?

“Ja, nee, dat duurt een tijd, je moet zoveel leren. Voordat je planten helemaal in de vingers hebt, gaan er jaren overheen. Hoe ze zich gedragen, of ze zon of schaduw nodig hebben, bij wie ze in de buurt kunnen staan en bij wie niet. Soms overwoekeren ze hun buren, dan worden ze agressief. Het zijn net mensen, je hebt veel ervaring nodig om ze goed te kunnen sturen. Dat park in Zweden was in eerste instantie ook niet goed; omdat er minder daglicht is dan hier, kwamen bepaalde planten die ik had gekozen helemaal niet in bloei. Ik heb ervan geleerd en ik leer nog steeds. Ook nu ik 76 ben zit ik bij elke tuin nog te piekeren.”

Oudolfs Vlinderhof in het Utrechtse Máximapark, een van de grootste stadsparken van Nederland. 
 Beeld Alamy Stock Photo
Oudolfs Vlinderhof in het Utrechtse Máximapark, een van de grootste stadsparken van Nederland.Beeld Alamy Stock Photo

Visitekaartje

De eerste tien, twaalf jaar in Hummelo, vertelt Oudolf, breidde hij daarom voornamelijk zijn plantenkennis uit. Geld werd er verdiend met de kwekerij (weinig), met de ­particuliere tuinontwerpen en doordat hij met twee anderen het bedrijf Future Plants oprichtte, dat nieuwe planten op de markt bracht die via tuincentra werden verkocht. “Daar haalde ik ook een deel van mijn inkomen uit. Dat vulde precies het gat tussen niets en overleven.”

Hij reisde half Europa door om bijzondere planten­soorten te vinden en ze in de kwekerij, waar Anja de klanten ontving, te zaaien, stekken, vermeerderen en verbeteren. Het eigen terrein werd proeftuin, showmodel en visitekaartje; legendarisch werden de open dagen waar ­kwekers en tuinliefhebbers uit heel Europa planten en kennis deelden. Geïnspireerd werd Oudolf al vroeg door ­tuinarchitect Mien Ruys, maar in Hummelo ontmoette hij iemand die nog belangrijker voor hem werd: wildeplantenkenner Henk Gerritsen, die in Overijssel zijn eigen zogenoemde Prionatuinen had aangelegd, die toegankelijk waren voor publiek.

“Vlak voor ik Henk ontmoette, zat ik weer op zo’n punt: ik wilde iets, maar ik wist niet wát. Ik vond Engelse tuinen fantastisch, maar het had ook iets dogmatisch: zus in april, zo in mei en in november alles afknippen, turfstrooisel op de grond en je bollen planten. Henk zette me op het spoor van veel meer spontaniteit in de tuin. Wij vonden het juist mooi, het verval in het najaar, skeletten van planten, ­zaadhoofden, scheefzakkende stengels, wij lieten alles staan. Henk had zelfs geen hekel aan slakken. Ik vond ze wat minder, maar, snap je, de tuin hield zijn natuurlijke beloop.”

Direct daarna: “Noem het geen wilde tuin, hè. Juist een tuin die steeds verandert, moet je heel goed onderhouden. Daar let ik op, als ik opdrachten aanneem: dat er geld is en dat er mensen zijn die voor de tuin zorgen nadat ik klaar ben met mijn werk.”

Dat is straks het geval in Detroit, waar een aantal stads­bewoners Oudolf zelf benaderd hebben om, betaald door fondsenwerving, een openbare tuin aan te leggen; ook zijn Vlinderhof in het Máximapark bij Utrecht is zo ontstaan. “Dat vind ik het mooiste aan mijn werk”, zegt Oudolf. “Dat het mensen bij elkaar brengt. Ze hadden niet verwacht dat ik ja zou zeggen, ze waren helemaal verrast, maar dat zijn juist projecten die ik graag doe. Bij die tuinen zijn veertig, vijftig vrijwilligers betrokken, soms wordt er zelfs geklaagd dat ze op een wachtlijst moeten. Zulke mensen blijven trouw aan de tuin, en ze duwen alles wat ik wil ook heel serieus naar voren. Bij grote openbare projecten gelden er altijd allerlei regels en restricties, daar worden je plannen vlot vermorzeld door de ambtelijke molen. Maar met die tuinmensen voel ik echt een band.”

Niet gek dat ze verbaasd waren dat Oudolf ja zei; hij heeft de afgelopen 25 jaar aan de meest prestigieuze projecten gewerkt. Na het park in het stadje Enköping in Zweden (“Ik zat naast de directeur van dat park in de bus tijdens een tuinreis, daar begon het eigenlijk mee”) volgden opdrachten in Nederland, Engeland, Canada en Duitsland. De doorbraak in Amerika kwam in 2003 met de Lurie Garden in Chicago, waarvoor Oudolf werd gevraagd aan een pitch mee te doen.

“Ik bekeek de lijst met namen van andere deelnemers aan de competitie en zag er meteen al minstens drie van wie ik niet zou winnen. Ik zei: ik doe niet mee, al kan ik op het gebied van plantenkennis iedereen verslaan. Toen ben ik aan een landschapsarchitectenbureau uit Seattle gekoppeld. En samen hebben we gewonnen. Ik zeg niet dat ik euforisch was, maar dat was wel een mooi moment.”

De aanleg van Lurie Garden (2003) in het Millennium Park van Chicago, betekende de internationale doorbraak van Piet Oudolf.
 Beeld Alamy Stock Photo
De aanleg van Lurie Garden (2003) in het Millennium Park van Chicago, betekende de internationale doorbraak van Piet Oudolf.Beeld Alamy Stock Photo

Lurie Garden is, tussen de wolkenkrabbers, een schitterende publiekstuin waar dagelijks honderden mensen komen op een ooit verwaarloosd stadsterrein waar een in onbruik geraakte spoorlijn lag. Heeft dat de deuren geopend voor New York, waar u met de High Line ook een spoorlijn tot park hebt omgeturnd?

“Dat zal wel, je weet nooit hoe dingen lopen. Ik werkte al in New York aan de Gardens of Remembrance, een plek om de slachtoffers van 9/11 te gedenken, toen ik voor de High Line werd gebeld. Eén telefoontje, en je bent weer jaren zoet. Ik heb nu net de competitie voor de Camden High Line in Londen gewonnen, ook weer een oude spoorlijn die een park moet worden. Die moet in 2024 af zijn, dus ik krijg het nog druk.”

Ook in Nederland? Ik heb de indruk dat de ambtenaren die over het openbaar groen gaan niet continu bij u aan de lijn hangen.

“Ik heb hier ook leuke dingen gedaan, maar nee, de meeste ambtenaren zitten niet op mij te wachten. Ze vinden het kennelijk te ingewikkeld en te duur. Ze zijn natuurlijk ook aan een bepaald budget gebonden. In Amerika wordt veel openbaar groen door privéfondsen gesponsord, daardoor kan er meer.”

Wat vindt u van de kwaliteit van het openbaar groen in Nederland?

“Nou ja, wat is een park? Dat is vaak een recreatieterrein, een grasveld met een fietspad erlangs waar mensen sporten, picknicken of naar een festival gaan. Daar is helemaal niks mis mee, maar het lijkt niet op wat ik maak. Dat is een soort kunstwerk binnen het geheel, en dat vergt onderhoud, daar kun je niet één keer per week een busje langs sturen om wat te schoffelen. Maar daar is vaak geen geld voor.”

Dus u vindt parken in Nederland maar saai?

“Nee, dat zeg ik niet, want dan ga jij dat opschrijven. En elkaar ontmoeten op het gras is een fantastische functie voor een park.”

En de Nederlandse tuinen, wat vindt u daarvan? Ze verstenen steeds erger: al het groen eruit, tegels erin.

“Ik zie het, ja, dat mensen op hun terrasje zitten zonder een spriet groen. Soms nog met een plant in een pot ernaast, maar vaak staat er alleen een bankstel op de tegels en een barbecue. Natuurlijk denk ik dan: mensen, het kan zoveel mooier. Maar ja, wat doe je eraan? Ik kan alleen maar hopen dat ik mensen inspireer als ze eens in een tuin van mij ­rondlopen. Dat zo iemand denkt: verdomme, dit is mooi, ik gooi die tegels er weer uit en zet er planten in.

“Overigens zijn de omzetten in de tuincentra alleen maar gestegen het afgelopen jaar, hè. Vooral de jongere generaties kopen veel planten. Ze hangen hun hele huis ermee vol. Dat is nog geen tuinieren zoals ik het doe, maar er is bij jonge mensen wel meer belangstelling voor groen dan ooit.”

Veel mensen leggen ook hun tuin aan in uw stijl, met hoge grassen en paarse uienbollen. Al zegt iemand in het boek Oudolf, Hummelo: het lijkt makkelijk, maar het is moeilijk.

“Ja, het kopiëren van mijn werk is moeilijker dan je denkt. Ik weet er op de een of andere manier een laag in aan te brengen, een eigen signatuur, die je niet zomaar overneemt. Dat heeft met finesse te maken, met ritme en met timing. Dus al zou je een Piet Oudolf-tuinontwerp van internet halen, doe dat gerust, ze staan er volop, het wordt toch nooit hetzelfde. Want dan komen de planten niet op de goede plek in de tuin of ze verdragen elkaar niet – je moet er behoorlijk wat kennis voor hebben, mijn tuinen zijn ­complex. Daarom kan ik mijn ontwerpen ook zo makkelijk weggeven, snap je? Iedereen mag ze kopiëren, ik vind het juist leuk als ik anderen stimuleer.”

De thuisbasis in Hummelo, uiteraard omgeven door een wonderlijke plantentuin die in elk seizoen de show steelt. Beeld Alamy Stock Photo
De thuisbasis in Hummelo, uiteraard omgeven door een wonderlijke plantentuin die in elk seizoen de show steelt.Beeld Alamy Stock Photo

In het Máximapark, waar ik wel eens kom, hangt uw ontwerptekening van de Vlinderhof pal naast de entree. Daar zie je mensen foto’s van maken.

“Ja, dat is toch leuk? Ik ben er niet armer van geworden, hoor. Alleen maar rijker.”

Via internet is de Piet Oudolf-collectie te koop, zag ik: ‘Creëer je eigen Piet Oudolf-tuin’ met tien plantjes in een box van 49 euro 95 om een vierkante meter tuin te beplanten.

“Ja, het gaat om planten die niet overal verkrijgbaar zijn, planten waar ik graag mee werk. Dat is ook weer iets heel leuks om mensen mee te enthousiasmeren. Ik weet niet of ik er iets aan verdien, voorlopig niks, want het is nog heel klein, maar het is wel de bedoeling om het groter te maken. Om het ook in Amerika uit te rollen.”

Dat wordt gedaan door twee broers uit Lisserbroek die Future Plants hebben overgenomen, begreep ik. Wilden uw zonen dat niet doen?

“Nee, die hebben andere interesses. Voor planten hebben ze helemaal geen belangstelling.”

Vindt u dat niet jammer?

“Nee hoor, ik gun ze een eigen carrière, we hebben een hechte band. Ik heb tegen ze gezegd: als je niks met planten hebt, kun je de zaak alleen voortzetten door hem groot en commercieel te maken. Daar hadden ze geen zin in en dat begrijp ik wel.”

Nu wordt dat gedaan door de broers uit Lisserbroek, die posters verkopen onder uw naam om aan de schutting te spijkeren. Is dat wel in de geest van Piet Oudolf?

“Eén foto, toch, van de Vlinderhof?”

Een hele lijn ‘wanddecoraties’, met namen als Winter Harmony en Sound of Silence.

“Hmm, daar moeten we dan nog eens goed over praten. Ik controleer die dingen nooit, wat dat betreft ben ik een beetje een nerd. Het is goed dat je me even inlicht. Ik kijk bijna nooit op die site.”

Uw bedrijf had ook groter en commerciëler kunnen worden door het uit te breiden naar tien man.

“Naar vijftig man, ja, maar dat heb ik nooit gewild. Ik heb wel stagiairs gehad, uit Japan zelfs, maar die moet je opleiden en aan het werk zetten en je moet dingen ­delegeren, dat is niks voor mij. Mensen verwachten altijd een enorm dynamisch ontwerpbureau als ze hier komen, maar ik zit gewoon altijd lekker te tekenen in mijn eentje.”

Op dit moment komt Anja Oudolf met de boterhammen binnen; Piet wil weer aan het werk.

Aan de slag met Camden High Line in Londen die, zei u net, in 2024 af moet zijn. Dan bent u 80.

“Ik ben me ervan bewust. Ik zeg elke dag: ik hoop dat ik het nog gezond ga meemaken. Daarom neem ik geen projecten meer aan die nog tien jaar duren, ik kan ook leuke andere klussen doen. Ik werk nu aan een tuin voor een hospitaal in Denemarken en aan tuin voor een museum in Zweden, waar mijn werk echt als een soort kunstwerk wordt gebracht. Daarom was er geen aanbesteding nodig. Het is toch ­bijzonder, hè, dat ze dat daar zo zien.”

Terecht?

“Ik denk wel dat het uniek is, ja. Niet om mezelf op de borst te kloppen, maar zoals ik het doe, doet een ander het niet. Daar moet je dus achter komen: wat jij op jouw manier het beste doet.”

Nog even in tuintermen: bent u, op uw 76ste, in de bloeiperiode, de zomer van uw leven?

“Nee, ik ben in de herfst. Maar de herfst is de mooiste tijd in de tuin.”

Steel de stijl van Piet Oudolf

Vloeiende lijnen, hoogteverschillen, het gebruik van grassen, vaste planten en veel kleurrijke (veld)bloemen. Piet Oudolf geeft tien tips voor uw eigen tuin.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234