Donderdag 06/05/2021

ReportageReis van mijn leven

Roadtrip naar de Zwarte Zee met ‘weinig geld, geen gps en slechts een vage notie van een reisroute’

Alweer een bergpas overleefd: de Yes-mobiel en z'n passagiers in de Georgische Kaukasus.
 Beeld Tom Peeters
Alweer een bergpas overleefd: de Yes-mobiel en z'n passagiers in de Georgische Kaukasus.Beeld Tom Peeters

In 2012 leidde een roadtrip journalist Tom Peeters en zijn makker Nathan Lauwens richting Zwarte Zee. In een tot op de draad versleten Ford Escort reden ze door de Balkan, Turkije, Iran, de Kaukasus, Rusland en Oekraïne. Terugblik op drie maanden jongensavontuur.

Vertwijfeld staarden we naar het rek vol Armeense ­cognac. Volgens de legende verkoos Winston Churchill dit sovjetspul boven het Franse origineel en voorzag Jozef Stalin hem daarom geregeld van een kratje. Wat we intussen volledig begrepen: ook wij waren in Armenië op de lokale godendrank verlekkerd geraakt. Maar het was nog een ander paar mouwen om het goedje mee te nemen naar een streng ­islamitisch land. Want in Iran, onze volgende bestemming, lachten ze niet met alcoholsmokkelaars. Anderzijds, met wat lachten ze daar wel? “Ach, wat is het ergste dat kan gebeuren?”, vroeg ik. Voordat mijn compagnon Nathan lijfstraffen kon opsommen, duwde ik hem enkele flessen in de armen. Die verstopten we in een berg vuil roadtripperswasgoed, die de voorgaande weken elke douanier van een grondige inspectie van de koffer had weerhouden. Even later bolden we probleemloos Iran ­binnen.

Als het voorgaande als een domme stoot van een jonge naïeveling klinkt, dan is dat omdat ik jong en naïef was. Maar ik begeerde vrijheid, had een ontembare drang om de wereld te zien en te begrijpen. En daarvoor wilde ik niet wachten tot een pensioengerechtigde ­leeftijd.

Ik schrijf die ontsnappings­driften toe aan twee mannen die beiden enkele jaren eerder mijn leven hadden betreden, tijdens mijn studentenjaren in Antwerpen. De ene, Jack Kerouac, verwoordde mijn sluimerende vrijheidsdrang perfect. De andere, mijn klasgenoot Nathan Lauwens, bracht zo’n reiservaring binnen de mogelijkheden. Terwijl ik uit de brave Kempen kwam – waar een ambitieuze reis gelijkstond aan drie weken Costa del Sol in plaats van twee – had hij al een stukje van de wereld gezien. Dat zoiets kon, een openbaring! Ik herkende in hem mijn Neal Cassady, de man die Kerouac op sleeptouw nam, en vanaf toen stond het in de sterren geschreven dat we ooit samen op pad zouden trekken.

‘Trouw met mij!’

Begin juni 2012 rammelden we Antwerpen uit in een oude Ford Escort, een auto die we voor een prikje op de kop hadden getikt. Van auto’s kenden we helaas evenveel als Brusselmans van tondeuses, en de Yes-mobiel, genoemd naar de dah op de nummerplaat, zei vaak njet. Onze slee hing met spuug en paktouw aaneen. Op dag drie begaf de rem het al op een helling aan het Sloveense Meer van Bled. Uiteindelijk zouden we in de ­maanden die volgden heel wat Albanese, Iraanse en Georgische garagisten sponsoren, maar nu loop ik vooruit op de feiten.

We hadden weinig geld, geen gps en slechts een vage notie van een reisroute, eerst naar Istanbul en daarna tegen de klok de Zwarte Zee rond. Bij schemering draaiden we meestal een zijweg in, daarna nog één, nog één en nog één, totdat we voldoende afgelegen onze tent konden neerpoten. We ­kampeerden onder vijgenbomen in Albanië, waar een boer ’s ochtends naast onze tent zijn messen sleep, hoog op een koude, kale Armeense berg en op de eindeloze steppen van het Russische Kalmukkië, de enige boeddhistische regio van Europa. In de ruige moslimbars van Sarajevo, waar het hurktoilet een deur miste, dronken we sterke koffie; op een verjaardagsfeest in Armenië kop na kop wodka, waarna we dronken een berg beklommen. Overmoed als ­privilege van de jeugd. Dit was geen all-invakantie, maar het soort avontuur waarvan ik droomde.

De Lenincultus tiert welig in Rusland, zoals hier in Volgograd.
 Beeld Tom Peeters
De Lenincultus tiert welig in Rusland, zoals hier in Volgograd.Beeld Tom Peeters

Onderweg werd ik niet alleen halsoverkop verliefd op de natuur, op de grillige bergen van de Kaukasus, maar zijn vooral de ontmoetingen onderweg me tot vandaag bijgebleven. De lifters die we steevast oppikten, de locals die we via couchsurfing of op de wilde bof leerden kennen. Yunus, een jonge Turk, vertelde ons over de worsteling met zijn geaardheid en religie. “Volgens de islam moet ik mijn homoseksuele gevoelens als een ziekte beschouwen, een innerlijke strijd waaraan ik niet mag toegeven”, zei hij. “Toen ik daarover ging nadenken, stortte de islam ineen als een kaartenhuisje.”

Hij bekende dat hij droomde van Erasmus in Amsterdam, stad van orgieën en bacchanalen, waar hij een man hoopte te vinden. Zodat hij nooit meer terug moest naar Turkije. Waarna hij nog eens van zijn Efes nipte, het ringetje van het blik rukte en mijn confrater geveinsd smachtend in de ogen keek. “Nathan, wil jij met mij trouwen?”

Champignons

Achter het stuur van hun versleten bolides veranderen Iraniërs in ­dollemannen. Het kleinste gaatje volstaat voor een inhaalmanoeuvre in de categorie ‘wishful thinking’ en rijstroken zijn hooguit indicatief. Een Iraniër rijdt waar er plaats is, punt. Op de korte rit van de grens tot grootstad Tabriz waren we getuige van drie op-het-nippertjes, waarbij een chauffeur nog net kon invoegen voor een ­aanstormende truck.

En toch. Als je even de doodsverachting op vier wielen vergeet – alsook het terreurregime en het nucleaire gehannes – heeft Iran alles in huis om een toeristische topper te worden. Rijke cultuur, vriendelijke mensen en natuur die je naar adem doet happen. In Iran vind je zowel tropische vegetatie, woestijnen als bergen waar je nagenoeg het hele jaar door op de latten kunt staan. Al schijnt de après-ski tegen te vallen.

Tijdens de ramadan bleek een restaurant dat open was moeilijk te vinden. Logisch, eten in het openbaar komt je hier op een reprimande van de morele politie te staan. Uiteindelijk zochten we ons heil in een smerig achterkamertje van een hotel, waar posters van de lokale voetbalglorie Tractor FC aan de vergeelde muren pronkten. Enkele mannen keken naar een judokamp tijdens de Olympische Spelen in Londen. “Een zender uit Azerbeidzjan”, verduidelijkte de restaurantuitbater. Zelfs zo’n slobberige judogi was voor de Iraanse staatstelevisie te sexy. De mannen zapten en een prekende imam verscheen op de beeldbuis. Een geforceerd lachsalvo bulderde door het eethuis. “Stupid! Stupid!”, schertsten de mannen. “Khamenei, idiot!”

Het noorden van Iran bleek een koele minnaar van het regime. De grote Turks-Azerische minderheid werd hier namelijk stevig onder de knoet gehouden door de centrale overheid. De Azeri’s konden hun rijke cultuur niet uitoefenen en kregen niet eens onderwijs in hun eigen taal. Op onze eerste avond in Tabriz ontmoetten we Sona en Neda, twee jonge vrouwen die in het grootste geheim lessen Azerische dans gaven. “We riskeren de gevangenis in te vliegen als we betrapt worden. Gevaarlijk, ja, maar we vinden het belangrijk om onze cultuur in ere te houden.”

Ramadan in Tabriz. Stiekeme maaltijd met Arman (centraal), vijand van de 'champignons'.
 Beeld Tom Peeters
Ramadan in Tabriz. Stiekeme maaltijd met Arman (centraal), vijand van de 'champignons'.Beeld Tom Peeters

In Tabriz kregen we zo de ene levensles na de andere, vermomd als ontmoetingen met leeftijdgenoten. “Ik hou van mijn land”, zei student Arman, “gewoon niet van de champignons die het leiden.” De ‘champignons’ waren de geestelijken met hun paddenstoelachtige tulbanden. “En als je er ééntje bij een moskee plaatst, vermenigvuldigen ze zich in geen tijd.” Arman grijnsde en stak een sigaret op, ­terwijl zijn ogen nerveus het park afspeurden. “Ik ben hier al eens betrapt op roken tijdens de ramadan. Toen moest ik als straf een kilo uien oppeuzelen onder toezicht van de champignons. Zo proberen ze jongeren in het gareel te houden.” Nu mag je nog zoveel docu’s van Vranckx kijken, de realiteit van het leven elders dringt pas echt door als je er middenin zit.

We waren nog maar net op Azerbeidzjaans grondgebied of een politiepatrouille sommeerde ons naar de kant. “Fifty dollar”, ­mompelde een slungel in uniform. “You go to bank machine now to get money for us.”

“Nee, hoor, we zijn onderweg naar Lankaran”, hield Nathan, ­bijgenaamd ‘De Pitbull’, zich van de domme. In Azerbeidzjan bleek corruptie het favoriete tijdverdrijf van de politie, een moeilijk uit te roeien overblijfsel van de sovjets. In Rusland zouden we in 48 uur tijd zelfs zes keer tegengehouden ­worden, onder meer omdat we een koe op de weg langs links ­ontweken. “Over de witte lijn”, ­luidens de Russen.

Dollars! Euro! Belgian money!”, probeerde de agent.

Yes, yes, Belgium”, bevestigde Nathan. “Born in Borgerhout, very lovely place.

No, you get dollar!

De Pitbull bleef een kwartier lang naast de kwestie lullen – een glorende carrière in de politiek lonkt – tot de hebberige kepies de wanhoop nabij waren. “Ten ­dollar?”, probeerde een van hen nog, waarna hij met tegenzin onze paspoorten in onze handen duwde. Ik meende een zweem van ­ontgoocheling te ontwaren bij Nathan; dit had hij gerust nog uren kunnen volhouden.

zweet en roltabak

Reizen is een snelcursus plantrekken. Onderweg legden we het concept ‘vegetarisme’ in het Perzisch uit en reden we de Yes-mobiel aan frut op stoffige bergpaadjes. In een bouwvallig Armeens grenskantoortje, dat naar oud zweet en goedkope roltabak meurde, knokten we met een bataljon besnorde truckers voor een plek in de rij – al is vleeshoop een beter woord – voor het enige loket­raampje. We staken de grens naar Moldavië over op een gammel veer, dat we met een touw naar de overkant moesten trekken. Een reis is meer dan een resem Instagram-momenten aaneenrijgen. Het is ook jezelf uitdagen, groeien als mens. Ook al staat er op zulke clichés inmiddels een flinke bos korstmos.

Tijdens die roadtrip, aan het einde van mijn jeugd, leerde ik dat langdurig reizen meer is dan een vinkje op de lijst van ‘30 dingen die je moet doen voor je 30ste’.

“Reizen ontgroeit zijn ­motieven”, aldus de Zwitserse schrijver Nicolas Bouvier, die ­overigens in de jaren 50 zelf met een vriend in een Fiat Topolino naar Pakistan reed. Als freelancer, rijker in tijd dan in geld, zo besefte ik, kon ik zulke reizen perfect opnieuw en opnieuw en opnieuw ondernemen. Ze werden een ­integraal deel van mijn leven. Sinds die lange zomer van 2012 woonde ik een jaar in Indonesië – waar Nathan, met z’n eeuwige geschifte reisplannen, me al liftend kwam opzoeken – en trok ik voor negen maanden met mijn vriendin door Midden-Amerika.

Die latere reizen verliepen ­minder holderdebolder. Trager, genuanceerder, dieper. Anders dan die eerste keer, met andere ­woorden, niet beter of slechter. Maar je kunt slechts één keer voor het eerst vertrekken. Die sensatie, dat je in elke vezel van je lichaam voelt dat je leeft, ervoer ik het hardst aan de boorden van de Zwarte Zee.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234