Dinsdag 29/11/2022

InterviewDirk De Wachter

Psychiater Dirk De Wachter: ‘Op je zestiende twijfelen of je man of vrouw bent, is echt niet abnormaal’

Dirk De Wachter: ‘Mijn taak als vader is volbracht en het is nu genieten van de extra time. Mijn doel nu is: mijn kleindochter nog naar de lagere school brengen.’ Beeld Bob Van Mol
Dirk De Wachter: ‘Mijn taak als vader is volbracht en het is nu genieten van de extra time. Mijn doel nu is: mijn kleindochter nog naar de lagere school brengen.’Beeld Bob Van Mol

Kanker dwingt psychiater Dirk De Wachter (62) om de ‘kunst van het ongelukkig zijn’, zoals hij dat Vlaanderen leerde, zelf toe te passen. ‘Af en toe zie ik mijn einde voor me. Ook psychiaters zijn kwetsbaar. Soms scheurt het vlies.’

Barbara Debusschere

“Liever dode voeten dan een dode vent”, zegt Dirk De Wachter grijnzend wanneer hij ons diner bij Instroom Academy, het restaurant van Seppe Nobels waar vluchtelingen de keuken en de zaal doen, onderbreekt om zich te laten fotograferen in het oogstrelende havengebied vlakbij. “Ik heb twaalf chemobeurten achter de rug en daardoor heb ik geen gevoel meer in mijn voeten. Ik sta wat wankel.”

Het is een van de vele momenten in ons gesprek waaruit blijkt dat de innemende psychiater die Vlaanderen en Nederland leerde aanvaarden ‘dat het leven niet altijd leuk is’ mentaal wel stevig rechtop blijft staan bij tegenslagen van formaat. Een jaar geleden kreeg De Wachter, die tien jaar geleden bekend werd met zijn maatschappijkritische boek Borderline Times, een kankerdiagnose waarvoor de prognose statistisch niet zo goed is omdat er uitzaaiingen zijn. “Ik ben in oktober geopereerd en dat was zwaar. Je voelt je bij een kankerdiagnose niet ziek maar na die operatie was ik geradbraakt”, vertelt hij.

Maar hij zegt ook: “Ik heb een grote wijnkelder maar nu kan ik amper een glas verdragen, dus ik heb een extra reden om vrienden te inviteren”, en hij vertelt hoe hij net terug is van drie dagen Venetië. “Ik ben dol op die stad en er was ook de Biënnale. Door de kanker bekoop ik dat dan met vermoeidheid nadien. Het is dus wat zwoegen, die reisjes en lange gesprekken. Maar er zijn ergere dingen dan ronddwalen in Venetië of hier lekker eten.” En dan: “Het moet toch niet de hele avond over kanker gaan, hè?”

Zeker niet. Maar u bent zo populair dat veel mensen echt wel willen weten hoe het met u gaat.

(lacht) “De onderzoeken na de operatie waren geruststellend, dus dat is goed nieuws. En ik voel me nu al beter dan na die operatie, al werken de neveneffecten van de behandeling nog stevig door. Kijk, ik wil het er niet de hele tijd over hebben maar ik wil zeker ook niet dat het een taboe is. Al heel mijn leven is het mijn missie om geestelijke gezondheid bespreekbaar te maken. Het zou dan toch raar zijn mocht ik nu niet over mijn eigen ziekte willen spreken?”

Hoe gaat u psychisch om met die kanker?

“Meestal gaat het. Ik bepleit dat we maar best aanvaarden waar we zelf niets aan kunnen doen en ik merk dat me dat goed lukt. Bij momenten gaat het wel minder. Ook de psychiater is geen onverstoorbare meester in mentaal sterk blijven bij onweer. Als het er echt op aankomt, ben je ook maar een gewone, kwetsbare mens die niet per se gewapend is tegen de verschrikking van die diagnose en van de therapie. Dus soms scheurt het vlies.

“Onlangs nog bijvoorbeeld, toen ik in een film een scène zag over de begrafenis van een jonge man. Zes vrienden droegen zijn kist. Toen dacht ik: ‘Wie zal mijn kist dragen? Welke vrienden kies ik en hoe zullen zij die ik niet kies zich voelen?’ Dat pakte mij. Ik zag het voor me en dat was heel beklemmend. Of toen een Nederlandse journaliste me vroeg : ‘Hoe zou je willen dat je geliefde zich jou herinnert als je dood bent?’ Dat was voor de camera en die onverwachte vraag hakte erin. ‘Enfin, ik leef nog’, kon ik alleen maar denken. Maar al bij al gaat het, zeer wellicht omdat ik altijd al met het besef van de dood leef.”

Hoezo?

“Ik ben altijd met het eindige leven bezig geweest en ik hang het adagium aan van Heidegger en van de stoïcijnen, die stellen dat het leven juist zin krijgt als je doordrongen ben van de eindigheid ervan. Dan pas waardeer je het leven ten volle. Bovendien ben ik op mijn 39ste al eens bijna dood geweest, toen ik een soort kortstondige hersentrombose kreeg die gelukkig goed afliep. Ik was er toen zeker van dat ik doodging. Ik was verlamd en ik kon niet meer spreken. Het verschrikkelijke was dat mijn drie kinderen nog klein waren; ik vreesde dat ik nooit zou kunnen zien wat en wie ze zouden worden.

“Nu is dat anders. Ze zijn volwassen. Ik ben nu minder noodzakelijk. Mijn taak als vader is volbracht en het is nu genieten van de extra time. Als die beperkt zou blijken, is dat niet zo prettig maar het is minder zwaar dan toen ik nog maar 39 was. Mijn doel nu is: mijn kleindochter die 21 maanden is nog naar de lagere school brengen. Ik vond haar al voor mijn ziekte wonderlijk. Nu vertegenwoordigt ze het leven en ik de dood. Dat heeft een soort fundamentele existentiële betekenis voor mij. Nochtans ben ik er niet op gebrand mijn genen of mijn naam in stand te houden of zo. Maar mijn dochter zien met dat kindje geeft een perspectief. Het leven gaat voort. Als ik er niet meer ben, is er toekomst.”

‘Het is niet omdat je op je zestiende twijfelt of je nu man of vrouw bent dat je ziek bent. Op die leeftijd is dat niet abnormaal.’ Beeld Bob Van Mol
‘Het is niet omdat je op je zestiende twijfelt of je nu man of vrouw bent dat je ziek bent. Op die leeftijd is dat niet abnormaal.’Beeld Bob Van Mol

Bent u ook niet bang voor de dood?

“Daar heb ik momenteel geen last van, denk ik. Ik besef al heel lang dat we geen controle hebben over de dood en dat ik als ik sterf ook echt weg ben. Tenzij in de herinnering van mijn geliefden en mensen die mij waarderen, tot ook dat na anderhalve generatie of zo gedaan is. Daar kan ik goed mee leven.

“Maar ik kijk niet uit naar aftakeling. Soms denk ik daaraan. Dan zullen we een bed in de woonkamer zetten en dan zal ik daar liggen als ik niet meer kan zitten, en zal ik mijn bevriende artsen vragen om me op het juiste moment te helpen sterven. Omringd door vrouw en kinderen. Dat kan ik ook al zo voor mij zien. Het is een schone maar ook akelige gedachte. Ik ben 62 jaar. Dat is in deze tijd jong maar ik heb wel al een ongelooflijk goed leven gehad. Al wat er nog bijkomt is meegenomen en ik wil niet bang zijn maar vooral dankbaar voor alles wat ik al kreeg.”

We kennen u als een levensgenieter en een filosofisch ingestelde, maatschappijkritische psychiater. Heeft deze ziekte u veranderd?

“Nee. Het klinkt misschien pretentieus, maar mijn filosofische en existentiële opinies over het leven zijn eigenlijk bevestigd. De grote tegenslag die ik nu meemaak, maakt mij heel bewust van de kostbaarheid van het bestaan en de noodzaak en het belang van geliefd en omringd te zijn. En dat is precies waar ik over schrijf in mijn boek De kunst van het ongelukkig zijn. Ik heb ook nooit een bucketlist gehad en heb die nu ook niet. Ik heb nu ook niet plots grote inzichten of andere gedachten over leven en dood, en ben niet ineens een mens geworden die plots bloemkolen gaat telen. (lacht) En ik zie ook niet nu pas de schoonheid van het leven.

“Misschien geniet ik nu wel nog bewuster van de dingen die ik altijd al belangrijk vond, zoals tijd doorbrengen met mijn vrienden en familie, Parijs bezoeken, muziek beluisteren, werken en boeken lezen.

“Wel denk ik nu soms: ‘Misschien is dit wel de laatste keer.’ Dat had ik onlangs toen ik met goede vrienden aan een lange tafel aan het water in Venetië dineerde. Dat is onbetaalbaar, als een romantische droom. Alleen probeer ik dan niet hardop uit te spreken dat het mogelijk de laatste keer is omdat mijn vrouw dan triest wordt en dat wil ik natuurlijk niet. Gelukkig kan ik met mijn vrouw, die huisarts is, wel goed praten over de ziekte en de dood. Dat vind ik heel liefdevol en mooi.”

U bent diensthoofd systeem- en gezinstherapie aan het Universitair Psychiatrisch Centrum aan de KU Leuven, u geeft les en u hebt een eigen praktijk. Dat is veel maar u bent er ondanks uw ziekte opnieuw mee begonnen?

“Ja, zodra ik kon ben ik opnieuw aan de slag gegaan in het ziekenhuis, aan de universiteit als prof en ben ik opnieuw patiënten beginnen zien in mijn privépraktijk, al zijn het er nu minder. Dat werk is zo’n wezenlijk stuk van wie ik ben dat ik het niet kan missen. Ik moet wel meer doseren en meer slapen, wat nieuw is voor mij.” (lacht)

Krijgt u ook te maken met mensen die niet weten hoe ze moeten omgaan met uw ziekte?

“Zeker. Er zijn vreemd genoeg zelfs vakgenoten die geen contact kunnen of durven maken. Positief verwonderd ben ik dan weer over de chirurgen en oncologen die mij bijstaan. Onder psychiaters grappen we dat chirurgen vooral goede beenhouwers zijn maar dat moet ik herzien. De experts die mij onder handen namen bleken zeer goede psychiaters. Ze zijn bijzonder menselijk.

“En dan zijn er de massale steunbetuigingen van mensen die ik niet eens ken. De voorbije maanden kreeg ik enorm veel berichten en brieven, en ons huis veranderde in een bloemenwinkel. Echt pakkend. Ik had eens in een interview laten vallen dat ik door mijn ziekte en de behandelingen geen koffie meer kan verdragen, enkel nog witte thee. Niet veel later stonden er zakjes witte thee aan mijn deur met een briefje waarop stond: ‘U kent mij niet maar ik ken u wel en ik las over de witte thee’.” (lacht)

U bent een volksheld geworden met uw oproep te aanvaarden dat het leven niet altijd leuk is, in plaats van ons te verdoven met hedonisme.

“Niet overdrijven, ik ben nu ook weer geen voetballist hè? Maar inderdaad, ik gaf voor mijn ziekte enorm veel lezingen over de kunst van het ongelukkig zijn, zowel in Vlaanderen als in Nederland. Blijkbaar horen mensen graag dat de levensweg niet altijd over rozen gaat en dat dat geen kwaad kan of geen ramp is. Dat is nochtans een zeer gewone gedachte. Mijn vrouw zegt altijd: ‘Moet je daar zo lang voor gestudeerd hebben?’ (lacht)

“Maar blijkbaar werkt dat, doodgewone dingen die gebracht worden door een professor die geacht wordt te weten waar het echt over gaat. Wat ook speelt is mijn imago, denk ik. Ik lijk meer op een oude rocker dan op een onderpastoor, zie er niet uit als een moralistische pezewever maar eerder als een mens van de wereld. Dat is zo’n beetje hoe ik het zogezegde succes van mijn boeken en lezingen zelf probeer te begrijpen.”

‘De kunst van het ongelukkig zijn’ is makkelijk te interpreteren als: leg je overal bij neer.

“Dat vind ik zeer jammer want zo bedoel ik het helemaal niet. Het is niet wegzakken in fatalisme tot dat wat jou ongelukkig maakt gaat gisten, want dan word je ziek. Ik ben een arts en een psychotherapeut die voor zowel patiënten als de maatschappij beterschap nastreeft. En die probeert aan te brengen hoe we ongeluk beter kunnen dragen. Vanuit het stoïcisme, waarover ik trouwens aan een boek werk, bepleit ik hoopvol te leren leven met de noodlottige onvermijdelijkheden van het bestaan. Het is zinloos je daardoor ongelukkig te laten maken. Maar tegelijkertijd is ‘Engagez-vous’ ook een wapenspreuk van mij. We moeten strijden voor de dingen die wel veranderbaar zijn. Doe iets met het leven. Er is zoveel te doen en ik wil graag nog veel doen.”

Wat zoal?

“Wat ik dus voorheen al deed. Zorgen voor mijn patiënten en me kritisch uitlaten over onrecht en oproepen tot actie. Ik ben geen activist, maar vanuit mijn beroep als psychiater wil ik aan de wereld zeggen: ‘Denk eens na!’ Zoals voorspeld in Borderline Times explodeert het aantal burn-outs. En dat heeft ook te maken met hoe onze samenleving in elkaar zit. Er zijn nu 400.000 landgenoten in ziekteverlof, van wie ongeveer 150.000 om psychische redenen, en die curve stijgt steeds sneller. Veel meer mensen dan ooit vallen uit en in mijn consultatieruimte zeggen almaar meer mensen: ‘Ik kan niet meer.’

“Vaak reageert de buitenwereld dan dat het watjes zijn wier uitkering we moeten afpakken, want dan zullen ze wel werken. Sta me toe daaraan te twijfelen. Ik wil zo goed mogelijk voor die mensen zorgen en aan de wereld zeggen dat het aantal burn-outs wel zeer hoog ligt, dat de wachtlijsten voor psychische zorg steeds langer worden.”

‘Ik lijk meer op een oude rocker dan op een onderpastoor, zie er niet uit als een moralistische pezewever maar eerder als een mens van de wereld.’ Beeld Bob Van Mol
‘Ik lijk meer op een oude rocker dan op een onderpastoor, zie er niet uit als een moralistische pezewever maar eerder als een mens van de wereld.’Beeld Bob Van Mol

Er zijn toch veel maatregelen, coaches en trainingen om dit probleem aan te pakken?

“Dat is goed bedoeld maar het is een doekje voor het bloeden. Want au fond gaat het, zoals ik al heb betoogd, over het feit dat we van onze maatschappij een speedboot hebben gemaakt die steeds harder moet gaan. Dat heeft ons, toch in onze streken, de voorbije 200 jaar veel rijkdom opgeleverd, maar nu zitten we zowel ecologisch als qua mentale draagkracht op ons tandvlees. Het probleem is dat we allemaal almaar sneller en meer willen. We willen twee, drie keer per jaar op vakantie, liefst ver weg. ‘Is dat echt wel nodig? Word je daar echt gelukkiger van?’, wil ik dan opwerpen.

“Ondertussen vallen dus steeds meer mensen uit de boot. Ik voel me als psychiater als iemand die in een rubberbootje achter die speedboot dobbert en die door de megafoon roept dat de boot te hard gaat en de reling niet stevig genoeg is. Heel af en toe vertraagt de speedboot om even te luisteren, maar daarna snelt hij weer verder.”

Met die boodschap kwam u tien jaar geleden in Borderline Times. Is er geluisterd?

“Dat boek heeft veel meer aandacht gekregen bij een veel breder publiek dan ik en mijn uitgeverij ooit hadden gedacht. De kleine academische uitgever Lannoo Campus had al meteen te weinig exemplaren op de Boekenbeurs die na de publicatie volgde. Ineens was ik in Vlaanderen en Nederland een maatschappijcriticus. Maar om nu te zeggen dat de wereld sindsdien ten goede is gekanteld? Dat zou naïef zijn.”

U koppelt in dat boek de negen kenmerken van borderline, waaronder emotioneel instabiel zijn en grote verlatingsangst, aan wat u ziet gebeuren in de maatschappij. Welke vallen u vandaag op?

“Die thema’s spelen nog altijd, sommige nog meer dan toen. Hardnekkige gevoelens van leegte en verveling is één van de criteria voor deze stoornis. Ik kan het niet hard maken met onderzoek, maar ik zie dat wel heel vaak terug bij patiënten, over alle diagnoses heen. Een enorm gevoel van ledigheid, zinloosheid en ook het gevoel bij niemand terecht te kunnen. Dat zie ik in alle mogelijke sociale klassen en bij alle soorten patiënten, of ze nu een gezin hebben of niet.

“‘Ik kan met niemand over mijn negatieve gevoelens spreken’, zeggen mensen. Als ik dan vraag waarom niet, is het antwoord altijd een variatie op wat ik in Borderline Times aanraak. De boodschap dat het niet goed met je gaat, past niet in dit Instagram-tijdperk waarin alles altijd super moet lijken. Dat is de laatste tien jaar versterkt.”

Onderzoek zou ook uitwijzen dat er steeds meer narcisme is?

“Ik ken dat onderzoek en mijn bedenking is toch dat het volgens mij gelaagder is. Narcisme is: ‘Ik ben grandioos’. Borderliners worstelen met een conflict: ‘Ik wil fantastisch zijn en lijken, maar ik voel me heel slecht.’ Dat speelt vandaag volgens mij meer dan puur narcisme. Ook impulsiviteit en zwart-witdenken, waarbij de anderen alleen maar ‘goed’ of ‘kwaad’ kunnen zijn, lijken me trouwens toe te nemen in de samenleving en dat zijn eveneens kenmerken van borderline. Zeker als je naar de politiek kijkt, is het in uitersten denken enorm toegenomen. Het klinkt verwaand, waarvoor excuses, maar ik denk dat ik dat ook toch wat heb zien aankomen.”

Wat is eraan te doen?

“Heel wat. In de psychiatrie is borderline een diagnose die goed aangepakt kan worden. Maar dan moet je je eerst realiseren dat je het hebt en moet je er ook iets aan willen doen. Doorgaans help ik mensen om aan zelfreflectie te doen en zo andere patronen en denkbeelden over zichzelf, de anderen en de wereld te ontwikkelen. Iemand kiest bijvoorbeeld altijd voor een job die gedoemd is om te falen omdat zijn vader altijd zei ‘Jij kunt toch niets.’ Zo’n patroon kun je doorbreken.

“Dat is ook mijn boodschap aan de wereld: besef dat er iets aan de hand is, doe aan zelf­reflectie over onder andere onze relatie met de natuur en de impact van het hyperkapitalisme, en zoek nieuwe systemen, visies, methodes om de wereld vorm te geven. We moeten kritisch en streng zijn voor de wereld om hoopvol te kunnen zijn over de toekomst. Als we verdoofd raken door onze materiële welstand en denken dat alles goed zit, varen we blind de afgrond in.”

Samen met collega Damiaan Denys en psycholoog Paul Verhaeghe wordt u een van de ‘herauten van het pessimisme’ genoemd. Jullie analyse over de samenleving zou te zwartgallig zijn omdat jullie focus op zieke mensen ligt. Wat antwoordt u daarop?

“Dat ik dat een spijtig oordeel vind want ik ben zeker niet radicaal pessimistisch. Mij ga je bijvoorbeeld niet horen zeggen dat sociale media ‘slecht’ zijn of de jeugd verpesten, zoals sommigen claimen. Sociale media verbinden mensen wereldwijd. Je moet ze alleen niet te veel gebruiken en wegblijven van jezelf constant te vergelijken met de schone schijn die anderen serveren. En juist door aan te wijzen waar het misloopt, wil ik perspectief bieden. Zo geef ik in Borderline Times een aanzet voor een remedie tegen een gevoel van leegte, namelijk zorgzaam zijn voor anderen. Wie daarop inzet, verdrijft dat gevoel van leegte.

“Bij de gevoelige mensen die ik in mijn kabinet zie, staan de voelsprieten ook scherper afgesteld. Zij zijn niet verblind door alle fantastische toestanden die ons afleiden en waardoor wij kunnen doordenderen. Zij zeggen ‘Ik kan niet meer, er klopt iets niet.’ Ik vind de kwets­bare mens dus juist een zeer duidelijke signaalgever die ons toont dat het niet zo geweldig gaat als velen ons doen willen geloven.”

‘Heel soms zie ik mensen die een kind verloren, er na verloop van tijd in slagen het een plaats te geven en zeggen dat hun leven rijker is geworden.’ Beeld Bob Van Mol
‘Heel soms zie ik mensen die een kind verloren, er na verloop van tijd in slagen het een plaats te geven en zeggen dat hun leven rijker is geworden.’Beeld Bob Van Mol

Denys stelt dat de wachtlijsten in de geestelijke gezondheid zo lang zijn omdat onder andere te veel mensen te snel bij de psychiater aankloppen. Klopt dat?

“Hij verwoordt dat scherp maar hij woont en werkt dan ook in Nederland. Ik ben voorzichtiger. Damiaan heeft wel een punt dat de indicaties om iemand naar de psychiater te sturen niet altijd even scherp afgelijnd zijn. En inderdaad, we willen niet dat iemand met een depressie of een eetstoornis niet op consultatie kan omdat de psychiaters te druk zijn met mensen die examenstress hebben.

“Ook ik zie soms mensen met issues waarvoor ze niet per se bij een psychiater moeten zijn, en het klopt dat we de samenleving ook te veel psychiatriseren. We vinden iets al snel abnormaal. Het is niet omdat je op je zestiende twijfelt of je nu man of vrouw bent dat je ziek bent. Op die leeftijd is dat niet abnormaal.

“Bovendien denk ik dat we moeten leren om wat meer elkaars psychiaters te zijn door te luisteren, miserie niet uit de weg gaan, te durven spreken als er iets niet gaat en mensen niet meteen te defrienden wanneer ze zogezegd te veel klagen. Maar Damiaan werkt alleen in een ziekenhuis. Ik zie daarnaast mensen in mijn privépraktijk. En dan blijkt hoe het niet zo makkelijk af te bakenen is wie wel en wie geen psychiatrische hulp nodig heeft.”

In welke zin?

“Ik zie mensen die ogenschijnlijk goed functioneren maar bij wie ik ontdek dat het zonder therapie heel erg uit de hand was gelopen. Omgekeerd zie ik mensen met zeer ernstige psychiatrische problemen zoals schizofrenie die na een tijd een evenwichtig bestaan hebben opgebouwd en die twee tot drie keer per jaar langskomen om te vertellen hoe het gaat.

“Het is dus opletten met de schijnbare normaliteit en de schijnbare niet-normaliteit. Een relatiebreuk waarbij velen zeggen: ‘Dat is gewoon, dat is het leven’, kan een reden zijn voor zelfdoding of moord.

“Ik denk nu ook aan een patiënte met een kapotte meniscus waardoor zij niet meer kon sporten. Ze maakte zich daar erg druk over want ze was een fervent sporter. Haar huisarts stuurde haar naar mij. Mijn advies was dat zij nu eerst een goede chirurg nodig had die het fysieke probleem zou verhelpen. ’s Avonds contacteerde ik die huisarts om te overleggen. ‘Het is te laat’, zei hij. Die vrouw had na de consultatie bij mij een eind aan haar leven gemaakt.

“Onder die schijnbaar banale fysieke kwestie die haar ergerde zat een ernstige ziekte die zij bewust en subtiel verborg en die ik misschien met meerdere consultaties had kunnen afpellen. Sindsdien let ik enorm op met problemen die aan de oppervlakte alledaags lijken. Gelukkig heb ik die les maar één keer in mijn carrière op zo’n extreme manier geserveerd gekregen.”

Hoe schat u de impact van de pandemie in op ons mentale welzijn?

“Er zijn heel veel studies en ik probeerde die te volgen maar toen werd ik ziek. Het is nog vroeg om wetenschappelijk te antwoorden en veel onderzoek is ook niet zo goed onderbouwd. Wel zeker is dat klachten die al steeds meer voorkwamen voor de pandemie nu nog meer in de lift zitten, zoals vermoeidheid en burn-out. Dat zal nog toenemen en dat zal zwaar wegen op het economisch proces want degenen die aan het werk blijven moeten nog harder draaien. In het onderwijs en de zorg wordt dat een probleem.”

U ondertekende mee het Wintermanifest voor een duurzaam pandemiebeleid. Is het beleid te streng geweest?

“Ik vind het belangrijk om te pleiten voor voldoende aandacht voor psychisch welzijn. Maar vandaag is mijn antwoord dat het achteraf makkelijk is om commentaar te geven. Alle landen hadden periodes van strenge maatregelen en dan weer van versoepelingen en altijd was er kritiek dat het te streng of juist niet streng genoeg was. Ik heb dus geen commentaar, behalve misschien dat ik onthoud dat als je echt wilt, je heel wat gedaan kunt krijgen. Plots was zo ongeveer de hele bevolking mee en was er veel geld. Mocht dat maar kunnen voor de geestelijke gezondheidszorg. Nu gaat maar 6 procent van het budget voor volksgezondheid daarnaartoe. Dat zou minstens moeten worden verdubbeld als we iets aan de enorme wachtlijsten willen doen.”

‘Bij een filmscène onlangs dacht ik: ‘Wie zal mijn kist dragen? Welke vrienden kies ik en hoe zullen zij die ik niet kies zich voelen?’ Dat pakte mij.’ Beeld Bob Van Mol
‘Bij een filmscène onlangs dacht ik: ‘Wie zal mijn kist dragen? Welke vrienden kies ik en hoe zullen zij die ik niet kies zich voelen?’ Dat pakte mij.’Beeld Bob Van Mol

Nog volgens Denys maken crisissen ons juist weerbaarder en werd dat eens tijd want op mentaal vlak zijn we ‘emotionele kabouters’ geworden.

(lacht) “Dat klinkt beschuldigend. Als psychiater wil ik nooit zeggen: ‘Zwakkeling, pak u bij elkaar’. Dat hoort iemand met psychische problemen al elke dag van buren en collega’s. Maar het is inderdaad de rigueur om te zeggen dat we ons moeten vermannen, dat het leven vroeger harder was en we nu tegen niets meer kunnen.

“Ik zou daarmee opletten. We zijn als maatschappij nu eenmaal geëvolueerd richting elkaar minder leed berokkenen. Er is geen kinderarbeid meer, de slavernij is afgeschaft, we zijn gevoeliger voor onrecht, jonge mensen vinden het steeds minder normaal om zich kapot te werken. Dat vind ik alleen maar positief.

“Maar mogelijk verwijst Damiaan naar iets waar nu in de psychiatrie veel over te doen is, namelijk posttraumatische groei. We stellen vast dat als mensen goed ingebed zijn en voldoende veerkracht hebben, ze soms sterker uit een verlies of trauma kunnen komen. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar heel af en toe zie ik mensen die een kind verloren en die er na verloop van tijd in slagen het een plaats te geven en mij zeggen dat hun leven rijker is geworden. Daar heb ik heel veel bewondering voor. Bij mij zou het licht uitgaan.

“Maar om dat nu door te trekken naar de hele samenleving vind ik een stap te ver. Dan zeg je eigenlijk dat de Oekraïners sterker en gelukkiger zullen zijn na deze oorlog. Dat is toch een heel cynisch standpunt? Ik deel het alvast niet, ook niet in verband met de pandemie.”

Is er iets wat u hoop geeft voor de toekomst?

“Voor mezelf is dat nu dubbel. Ik leef met die ziekte maar ik blijf zoveel mogelijk doen wat ik anders al graag deed. In augustus ga ik met een Nederlandse tv-ploeg naar Parijs en ik zal zolang ik dat kan naar mijn geliefde stad blijven gaan. Daar kijk ik dan altijd erg naar uit.

“Op maatschappelijk vlak durf ik voorzichtig hoopvol te zijn over de jongere generatie. Ik zie nogal wat jonge mensen die nadenken over de kwaliteit van hun leven, over ecologie en die niet meer alleen op een carrière en veel geld jagen, die niet per se in een villa willen wonen maar een flat delen in de stad. Het doet me denken aan de jongeren van 1968. Met dat verschil dat de jongeren vandaag minder naïef zijn.

“Ook initiatieven zoals dit restaurant, waar vluchtelingen een koksopleiding krijgen, stemmen me hoopvol. En er zijn heel voorbeelden van wat ik ‘het kleine goede’ noem die aanzetten zijn naar positieve verandering. Ze tonen dat we niet machteloos zijn en altijd wel een verschil kunnen maken. Tegelijkertijd kan ik niet naïef zijn. Het is niet omdat de jeugd het soms goed doet en we creatief zijn en veel technologie hebben dat alles vanzelf in orde komt. Niets komt vanzelf in orde. Elke generatie moet zich steeds weer inzetten.”

Dirk De Wachter

- Geboren op 3 maart 1960 in Wilrijk

- Geeft als hoogleraar les aan de KU Leuven en is er verbonden aan het Universitair Psychiatrisch Centrum van Kortenberg

- Verwierf meer bekendheid na de publicatie van zijn succesboek Borderline Times (2012)

- Publiceerde daarnaast o.a. ook Liefde. Een onmogelijk verlangen? (2014), De wereld van De Wachter (2016) en De kunst van het ongelukkig zijn (2019)

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234