Vrijdag 18/06/2021

Reis van mijn leven

Onbetaalbaar, maar ook onvergetelijk: zo is het om een half jaar in New York City te wonen

In plaats van met de metro onder de stad, zoefden Eva op twee wielen door The Big Apple.  Beeld Thibaut Renard
In plaats van met de metro onder de stad, zoefden Eva op twee wielen door The Big Apple.Beeld Thibaut Renard

Eindredactrice Eva Keustermans maakte in 2013 een droom waar: een half jaar in New York leven. Missie: zo weinig mogelijk werken, zo veel mogelijk door de stad fietsen. Maar dan blijkt keukenzout plots 7 dollar te kosten. Creatief met spaargeld in de stad die nooit slaapt.

Gespaard hadden we, wel anderhalf jaar lang. De knip ging erop meteen nadat mijn vriend en ik op dit geschifte idee waren gekomen. We kochten geen nieuwe kleren meer, gingen amper nog op ­restaurant en ik freelancete tegen de sterren op, zei gretig ‘ja’ tegen elke opdracht die mijn kant uit kwam. Want natuurlijk wisten we dat er goedkopere plekken zijn om voor een half jaar naartoe te ­reizen, maar ja, New York... Ik was er tot dan toe nog maar één keer geweest, maar de stad had me van mijn sokken geblazen en ik voelde een permanente ondertoon van heimwee.

En dus, het was ons gelukt. Op de avond van 10 april 2013 keken we vanaf ons eigen balkonnetje naar die skyline vol wolkenkrabbers, met een hoofd vol wolken van vermoeidheid en emoties. Twintig hoog in de Upper West Side, twee blocks verwijderd van Central Park, in een totaal onbetaalbaar, verschrikkelijk vuil eenslaapkamerappartement: we waren thuis. We waren euforisch.

Hoe anders is het reizen ­wanneer je de dagen niet hoeft te tellen en geen uitgestippelde route najaagt. Op dag één was, na als een bezetene te hebben gepoetst, naar de supermarkt gaan ons enige ­project. Ik weet nog dat ik haast in tranen uitbarstte toen ik het prijskaartje op een potje keukenzout zag: 6,69 dollar. Duurdere boodschappen: totaal niet ingecalculeerd, naïef als we waren. Kaas werd een onbetaalbare luxe, tenzij in een spuitbus (ik zweer het je), of in van die apart verpakte, maandverbandachtige zweetsneetjes – aha, dus dáárom zijn de New Yorkers zo dun.

Gelukkig hadden we gauw door in welke wijken de prijzen milder waren en de rekken minder chic. En nog goedkoper was het om je boodschappen aan huis te laten leveren door Fresh Direct. Dat is een keten zonder winkelpunten, die we in zes maanden tijd pluimden door op de website telkens elkaar als nieuwe klant te ‘introduceren’, wat elke keer een waardebon van dertig dollar opleverde. En zo ontdekten we met de tijd een boel vrekkentrucs, klein en groot, al dan niet op het randje van oké. Gingen we naar de bioscoop, dan slopen we via de ingang van de zaal weer buiten om gratis nog een tweede film mee te pikken. Lukte elke keer. Op café gaan deden we tijdens happy hour, tussen vijf en zes: met één gratis pintje bespaarden we al gauw zes, zeven dollar. En kwam er iemand logeren, dan kochten we een luchtmatras die we een week later terug naar de ­winkel brachten, met het ­schaamrood op de wangen een vaag excuus mompelend om ons geld terug te krijgen.

Manhattan Bridge, over de East River naar Brooklyn.
 Beeld Thibaut Renard
Manhattan Bridge, over de East River naar Brooklyn.Beeld Thibaut Renard

Bruggen temmen

Waar we wel eerlijk voor betaalden, waren onze fietsen. Het was alsof de reis toen pas in de juiste versnelling viel. Ergens in de late voormiddag – wekkers waren ­nergens voor nodig – vulden we een brooddoosje met sponzige Amerikaanse boterhammen en sprongen we onze fixies op, zero vitessen, vering of ergonomie, wel strak en kleurig. In plaats van met de metro onder de stad, zoefden we nu op twee wielen door de stad. Mét fietshelm natuurlijk, en in een constante staat van alertheid.

Het grootste gevaar vormen de gele taxi’s, met hun deuren die zomaar kunnen openzwaaien wanneer je langsrijdt. Het gebeurt zo vaak dat er zelfs een term voor bestaat: ‘being doored’, letterlijk ‘gedeurd worden’. En toch zwichtten in die tijd meer en meer New Yorkers voor de fiets, tot grote frustratie van koning auto die tot dan toe een trouwe dienaar had aan de stadsinfrastructuur. De stoere fietskoeriers waren de pioniers; zij kregen het gezelschap van stuntelige kantoortypes op deelfietsen, en van hippe jongens en meisjes op koersvelo’s, die zich blauw betaalden aan oude (excuseer, retro) fietsen van Peugeot of Eddy Merckx.

We deden tochten tot diep in Queens, Staten Island, de Bronx en zelfs New Jersey, aan de overkant van de Hudson. In de zomer reden we af en toe tot Coney Island, twintig kilometer ver, waar we op het strand in een hotdog beten, met een pintje erbij dat we in een bruine papieren zak hadden ­verstopt. Alcohol in het openbaar is verboden, je ziet overal mensen van bruine papieren zakken ­nippen.

Alle grote bruggen hebben we getemd op de fiets: de Washington Bridge over de Hudson, de Queensboro Bridge met het ­mooiste uitzicht over Manhattan, en de drie beroemde bruggen tussen Manhattan en Brooklyn. Eén keer reden we zelfs over de majestueuze Verrazzano-Narrows Bridge, die Brooklyn met Staten Island ­verbindt en eens per jaar autovrij wordt gemaakt voor een massa-fietstocht door alle vijf de stads­delen. Dat was de ultieme kuitenbijter, twee kilometer omhoog, helemaal aan het einde van een rit van 64 kilometer. Er valt toch ook wel iets te zeggen voor versnellingen. En voor een gel-zadel.

Klinkt misschien bizar, maar voor mij staat dat gebol over die bruggen gelijk aan vrijheid. In staat zijn om op eigen kracht zo’n bouwwerk op te rijden, terwijl de uitlaatgassen tot diep in je longen reiken en je omringd bent door decibels en tonnen staal, met heel diep onder je het water. Ik voelde een diep ontzag voor de ingenieurs, de werkmannen en de architecten die dit hadden klaargespeeld, veel meer nog dan bij de wolkenkrabbers – bouwsels die toch abstract blijven, zelfs al sta je er met je neus tegenaan. En al helemaal zalig is het om je, eens voorbij het hoogste punt, naar beneden te laten glijden en de vochtige zomerhitte in je gezicht te voelen blazen, als een föhn.

The Lake in Central Park.
 Beeld Thibaut Renard
The Lake in Central Park.Beeld Thibaut Renard

En wat er dan ook steeds door je hoofd flitst: hoe eenvoudig is het, met al die bruggen, om uit het leven te stappen als het je niet meezit in deze meedogenloze stad. Hoe cynisch dat het dolgedraaide hart van de kapitalistische wereld van zoveel nooduitgangen wordt voorzien.

In die zes maanden was ik me continu bewust van mijn bevoorrechte positie, door alles wat ik om me heen zag en hoorde. Zo heeft een op de honderd New Yorkers geen dak boven zijn hoofd. Een dikke tegenslag en te veel gaten in je sociale vangnet en je mag met alcoholstift een vriendelijk verzoek om dollars op een stuk karton schrijven. Er is ook de meer verstopte ellende, en de enorme druk op ieders schouders. Op den duur kenden wij de stad beter dan ­leeftijdgenoten die er ‘voor echt’ woonden. Allemaal klopten ze lange dagen om hun torenhoge studieschulden af te betalen en huur op te hoesten; ze tornden al echte grotemensenzorgen met zich mee.

Maar wij fietsten en niemand had ons nodig, niemand verwachtte iets van ons, we moesten nergens zijn en waren overal.

Dude Fest

Ik hou zo ontzettend veel van New York. Ik hou ervan om in Central Park te joggen en ingehaald te worden door strakke oma’s met een poedel. Ik hou van de geur van het hete asfalt in juli, van de verkeerslichten met een rood handje en een wit mannetje op, van de brand­kranen die op extreem hete dagen illegaal worden opengedraaid voor waterfeestjes. Ik hou van de Latijns-Amerikaanse families die op een streep gazon staan te barbecueën, van metrostellen vol mensen in alle kleuren en formaten, van de metalen stoelen en tafeltjes die in de parken zijn rondgestrooid. Van de geroosterde mais en het kokos-ijs in de kraampjes, van de parades en de buurtfeesten die er elk weekend wel ergens te beleven zijn, van het knotsgekke ‘Dude Fest’, waarbij je verkleed als een personage uit The Big Lebowski mag gaan bowlen, nippend van white russians.

Heerlijk fietsen op de 20 km lange Hudson River Greenway.
 Beeld Thibaut Renard
Heerlijk fietsen op de 20 km lange Hudson River Greenway.Beeld Thibaut Renard

Ik hou van het gevoel dat je er een klein beetje bij hoort, gewoon omdat je intussen sneller wandelt en niet meer in ieders weg loopt. Dat geeft je het voorrecht om ­meewarig naar de schuifelende toeristen te kijken die niet voorbij Midtown en Times Square raken. Tot je weer netjes met je voeten op de grond gezet wordt zodra iemand oprecht geïnteresseerd vraagt: “Where are you from?”, niet wetend hoe hard je je best doet om flawless Amerikaans-Engels te praten. Niet wetend dat je nog liever verdwaalt dan dat je hulpeloos staat te wezen met je neus in een plattegrond. Ik hou zelfs van het radeloze, snijdende geloei van de brandweerwagens, ze lijken te treuren omdat bijna twintig jaar geleden de hemel op hun kop viel.

In New York City kun je te voet van China, via Mexico, naar Bangladesh, om daarna in Griekenland te dineren. Alleen al in de wijk Astoria in Queens. We aten Puerto Ricaanse mofongo, Hondurese pupusa’s en kip op een wafel in Harlem. Ik maakte me de techniek eigen om al stappend een stuk pizza naar binnen te spelen. Maar ik bleef het haten. Wat is dat ook voor onzin. Óf je eet, óf je stapt.

Kakkerlakken

En soms was het ook lastig. Twee van mijn beste vriendinnen kregen hun eerste baby en ik zag ze pas maanden later terug. Het was bij momenten beklemmend om al die tijd met z’n twee door te brengen. In die zin was 2013 een goede repetitie voor 2020. Allebei ergerden we ons aan het feit dat mijn vriend net iets sneller fietste dan ik, waardoor ik vaak achteropraakte en we elkaar soms kwijt waren. En hij ergerde zich aan mij, omdat ik soms dagen aan een stuk wilde thuisblijven en niksen, terwijl die stad aan onze voeten lag.

We verhuisden een paar keer, wat niet altijd goed uitdraaide. In de zomer beschikten we over een verwilderd tuintje in Brooklyn, maar al op de eerste avond zagen we ratten en in het schemerdonker kroop er een club kakkerlakken over het keukenraam. In de herfst deelden we een studio in de East Village met een psychopathische kat, Zoey. Een pikzwart, harig monster dat de hele nacht lang naar ons zat te staren van boven op de kleerkast, siste wanneer ik nog maar haar richting uit keek, en in een kast kakte.

Betaalbare lunch. 'On the go' eten is hier doodgewoon.
 Beeld Thibaut Renard
Betaalbare lunch. 'On the go' eten is hier doodgewoon.Beeld Thibaut Renard

Toch zou ik het zo overdoen. Allemaal, meteen. Het was yolo voordat het woord yolo bestond. Een maand na onze terugkeer tekende ik voor een vaste job bij deze krant. Nog later werd onze dochter geboren. Nog later kwamen de grotemensenzorgen er ook bij. Maar we maken er een punt van: er gaat geen jaar voorbij zonder dat we teruggaan. Om te doen alsof we échte New Yorkers zijn.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234