Donderdag 23/09/2021

Reis van mijn levenBregje Hofstede

Een klein wonder in Norwich: ‘Doorgaans loop ik kerken voorbij. Hier niet’

Bregje op de victoriaanse pier van Cromer. Beeld RV
Bregje op de victoriaanse pier van Cromer.Beeld RV

Na een lichtjes traumatische jeugdervaring zette columniste Bregje Hofstede geen voet meer in een kerk. Maar tijdens een verblijf in het Engelse Norwich was er geen ontkomen aan. Nooit zag ze zo veel kerken in één stad verzameld. Je zou voor minder een ongekende aanval van spiritualiteit krijgen.

Wat is de meest indrukwekkende reis die je ooit hebt gemaakt? Wellicht denk je aan verre tochten: aan miljoenensteden, jungles, ­bergen, heel anders dan hier. Reizen waar je prachtige foto’s van hebt. Reizen waarvan je je, eerlijk gezegd, vooral die foto’s herinnert. Er zijn ook reizen die nauwelijks op beeld te vangen zijn: ze ogen te gewoon. Op zo’n reis maak je ­misschien niet eens foto’s.

Een reis waar ik weinig foto’s van heb is mijn reis naar Norwich, UK, najaar 2019. Vanuit Brussel ben je er in twee treinritten. Je glijdt er moeiteloos heen, en wanneer je uitstapt ben je in een middelgrote studentenstad vol met dezelfde soort mensen in dezelfde soort ­kleren, dezelfde winkel- en fastfoodketens, en dezelfde plant- en diersoorten als thuis.

Ik kwam omdat ik gratis kon logeren in het National Centre for Writing terwijl ik werkte aan een boek; verder had ik weinig ­verwachtingen. Als je van tevoren met Google Maps door onbekende straten loopt, kun je niet voorspellen wat een plek in je wakker zal maken. In dit geval het verlangen naar iets onbereikbaars. Noem het God.

Norwich dus. Van North wic, middelsaksisch voor ‘noordelijke haven’. De haven van Norwich is er nu enkel nog voor de sier, maar ooit was het een spil in de internationale textielhandel; ooit was Norwich de tweede stad van het koninkrijk. Toen de industriële revolutie losbarstte, was die ­glorietijd voorbij. De stad raakte achterop; er was geen geld voor sloop en nieuwbouw naar de laatste mode, en in het gulden midden tussen vooruitgang en verpaupering behield Norwich haar erfgoed. Nu is ze de meest complete middeleeuwse stad van het Verenigd Koninkrijk. Aan de randen ervan zijn nog stukjes victoriaans Engeland bewaard, zoals de Plantation Garden, het privépark van een gegoede winkelier dat ­verzonken ligt in een vroegere ­kalkmijn. Rondlopend over de sterk klimmende en dalende paden voelt het alsof je in een groene ­binnenzak gegleden bent, een ­victoriaanse plooi in het weefsel van de moderne stad.

Tranen in de ogen

Maar het meest opvallende zijn de kerken: geen andere stad ­benoorden de Alpen heeft zo veel middeleeuwse kerken als Norwich. Als je de heuvels rond de stad beklimt, zie je de stompe torens overal tussen de daken uit steken. Ze zijn meestal eenvoudig, opgebouwd uit blinkende brokken zwarte vuursteen, vanbinnen wit geverfd met houten gewelven. In de glas-in-loodramen kijken stramme heiligen met grote hoofden eeuwig verbaasd omhoog.

Doorgaans loop ik aan kerken voorbij. Dit keer wandelde ik ­binnen in St Peter Parmentergate, geprikkeld door een bord dat voor de ingang stond en dat zwaardvechttraining aanbood. En inderdaad: in het schip van de kerk was uit sloophout een arena opgetrokken waarin mannen elkaar te lijf gingen met zwaarden ingepakt in schuimrubber. Ze vroegen of ik mee wilde doen en natuurlijk zei ik ja, zodat ik een uur later buiten adem en met ontvelde handen weer uit de ring stapte.

Leunend op het doopvont vertelden de jongemannen gloedvol over hun hobby. Als sport was het intensiever dan de gym, zeiden ze, ‘en minder leeg’. Ze toonden me filmpjes van gevechten waaraan ze al hadden deelgenomen, ergens in een weiland, gekleed in een kuras. Het had aandoenlijk kunnen zijn, maar in deze eeuwenoude kerk, gedesacraliseerd maar nog altijd galmend, voelde ik de aantrekkingskracht van hun sport die reikte naar iets hogers. Heroïek, hoogtijdagen – maar niet zó hoog dat je er niet bij kon komen met een schuimrubberen zwaard.

Na de training vroeg een van de jongens of ik de kerktoren wilde zien. Bij het licht van zijn smartphone beklommen we de stenen wenteltrap. We passeerden de ­balken waar ooit de kerkklok hing en kwamen uit op het dak. De wind blies herfstbladeren en regen in mijn gezicht en de hele stad met al zijn torens lag compact rondom ons. Ik had tranen in mijn ogen en toen de zwaardvechter dat zag, bloosde hij van trots.

Zo aangemoedigd bezocht ik op mijn wandelingen door de stad ook andere kerken. Of eigenlijk ex-­kerken, in dienst gesteld van gelijkvloers geluk: kerken tot de nok toe volgepakt met vintage meubels en kleding; kerken waar, op de plek van het altaar, worteltaart en koffie werden aangeboden (Revelation Café). Ik struinde door Plea Church, een tweedehandsboek­handel waar ik een uitgave kocht van Julian of Norwich’s Revelations of Divine Love, en Hungate Church, waar hedendaagse kunst werd ­tentoongesteld.

Tuinwijk The Close met op de achtergrond de kathedraal van Norwich.  Beeld RV
Tuinwijk The Close met op de achtergrond de kathedraal van Norwich.Beeld RV

Waarschijnlijk bezocht ik voor het laatst zoveel kerken toen ik, als kind met mijn ouders op vakantie, bij elk stadsbezoek voor een paar minuten werd ondergedompeld in de koele schemer van een ­kathedraal. In het beste geval mocht je kaarsjes aansteken.

Misschien was het vanwege de onalledaagse sfeer die er hing dat ik op een zo’n familiereis in het zoveelste kerkje knielde, mijn ­handen vouwde en mijn ogen sloot. Ik was jong genoeg om dat zonder gêne te doen.

Ik herinner me dat er niets gebeurde, al gebeurde er iets met de herinnering. Schaamte sloop binnen. Elke keer dat mijn gezins­leden er later naar verwezen, ‘toen Bregje wilde bidden!’, bloosde ik. Dat ik zelfs maar had wíllen geloven in God was een vlek op het blazoen waaronder ik me sindsdien had geschaard, dat van de intelligentie, rede, kennis en volwassenheid. De wens die ik had gevoeld schoof ik als onmogelijk terzijde. Zoeken naar God (of naar iets dat aan het zichtbare voorbijgaat) was zinloos en bovendien sentimenteel, ouderwets, en gevaarlijk: een ­drijfzand voor het ik.

In Norwich bezocht ik zo veel gepensioneerde of geruïneerde ­kerken dat ik mezelf ging verdenken van een nieuwe poging. Zocht ik met een omweg naar zaligheid? Veilige, minimale doses waaraan ik kon snuffelen zonder dat er iemand zei: ‘Bregje probeert te ­bidden!’

Ik zocht naar wat er anders was. Zijn push-ups anders wanneer je ze oefent in het schip van een middeleeuwse kerk? Pauzeert een hand die langs de tweedehandsboekenruggen gaat onder het toeziend oog van engelen bij een ander soort boek dan normaal?

Wat er anders was: een neiging om mijn rug te rechten. Een ­neiging om iets te voelen dat geen reactie was op wat ik hoorde of zag, maar een actie.

De mooiste plek van Norwich vond ik The Close: een gebied van bijna achttien hectare rondom de kathedraal. Het ligt middenin de oude stad, al voelt dat niet zo, want de tuinen, velden en huizen zijn afgesloten van de drukte door muren met hoge poorten en de straten hebben namen als Gooseberry Garden en Riverside Walk. Hier en daar zie je bouwresten van het klooster dat hier ooit was, maar dat tijdens de Reformatie opgeheven werd.

Numineuze plekken

Er is iets vreemds met plekken die ooit heilig zijn geweest. Je kunt ze desacraliseren, je kunt er glittertops of brownies verkopen, ze ­blijven iets van hun aura houden. Ze blijven numineus. Een vriend die ooit monnik was zegt dat zijn spirituele jaren hem hebben geleerd aan te voelen of een plek numineus is; hij herkent die lading zoals een ervaren tuinder goede landbouwgrond herkent. Ooit, op rondreis door Australië, kreeg hij kippenvel bij het doorkruisen van een vallei en vroeg aan zijn ­begeleiders wat voor gebied dit was. De plek bleek een heiligdom van de Aboriginals, al was hij niet meer in gebruik.

Ik ben ongeoefend in het numineuze, maar ik herken het in de zee. De immensiteit en de beweeglijkheid ervan; de dreiging. De zee schudt je heen en weer, onderkoelt je, dreigt je op te slokken: je kunt er als mens eigenlijk niet zijn, en toch wil je naar zee. Mijn vriend heeft dit nog meer dan ik.

Dat verlangen is een bouwtype geworden, waar de Britten speciaal bekend om staan: de pier. In de 19de eeuw verrezen er overal langs de Britse kust stalen constructies die honderden meters de zee in ­liepen. Veel ervan zijn inmiddels ten prooi gevallen aan het bijtend zoute water, maar de victoriaanse pier van Cromer, ten noorden van Norwich, staat nog altijd. Toen mijn vriend me tijdens mijn verblijf kwam opzoeken, treinden we naar Cromer. Een deel van de pier was afgesloten voor schilder- en reparatiewerk, dat steeds opnieuw moet gebeuren, want het kost veel moeite om een brug naar het ­onbereikbare in stand te houden.

The Revelation Café is gevestigd in een voormalige kerk.  Beeld RV
The Revelation Café is gevestigd in een voormalige kerk.Beeld RV

Het onbereikbare dat ons op dat moment bezighield was een kind. Na jaren twijfel had ik besloten: ja. En kort daarop, niet lang voor mijn vertrek naar Norwich, had ik te horen gekregen dat een zwangerschap moeilijk of onmogelijk zou zijn. Ik kon mezelf het best direct op de wachtlijst van de fertiliteitspoli laten plaatsen.

Nu zat die twijfel me dwars. Misschien, dacht ik, kon ik het niet omdat ik het nooit twijfelloos gewild had. Of wilde ik het niet ­voluit omdat ik al jaren vermoedde dat ik het niet kon? Alsof het een kwestie was van overtuiging, en niet van biologie. Alsof je in een kind moest geloven zoals in een God, en beide bij de eerste twijfel oplossen in het luchtledige.

In mijn hoofd begonnen het ­verlangen naar een kind en het ­verlangen naar spiritualiteit op elkaar te lijken. Beide verlangens hadden me verrast. Beide waren aantrekkelijk zoals de zee dat is: omdat ze zo groot zijn, omdat je erin kunt ondergaan, omdat je er zelfs in kunt verdwijnen. Beide leken onmogelijk. Beide hadden iets schaamtevols (sentimenteel, irrationeel).

Ik zou liever scherp, ironisch en in mezelf genoeg zijn dan te zoeken naar iets of iemand die me zingeving bezorgt. Ik vond het gênant om te staan wachten op een spirituele deliveroo.

Onderstroom

En toch zijn er genoeg mensen die dat doen. In Norwich ontmoette ik Joanna: een schrijfster met kort blond haar die haar woonplaats speciaal had uitgezocht op de spirituele sfeer ervan. “Het leek me een plek waar je een roeping kunt ­ontvangen”, zei ze. Haar ­onderbuurvrouw had geloftes van kuisheid en armoede afgelegd; zelf wachtte ze nog. Aan de muur van haar appartementje hingen een replica van Fra Angelico’s Annunciatie en icoontjes met ­kaarsen ervoor. Ze leefde alleen, maar voelde zich vergezeld.

Joanna leidde me rond in haar woonplaats: Walsingham, een dorp nabij Norwich dat al sinds de 11de eeuw veel pelgrims trekt. In die tijd had de lokale edelvrouw, Richeldis, een visioen waarin de maagd Maria haar het huis toonde waarin ze van de engel te horen kreeg dat ze in verwachting was. Richeldis liet het huis exact nabouwen. Het werd verwoest tijdens de Reformatie, maar later herbouwd; de pelgrims bleven komen.

Vandaag telt Walsingham ­evenveel kerken als straten. Joanna voerde me langs allemaal, ­eindigend bij de vreemdste: St Seraphim, het voormalige treinstation van Walsingham, waarvan de wachtkamer is omgebouwd tot orthodoxe kapel. Joanna vond het er prachtig en sprak over de ­symboliek van de spirituele reis. Ik dacht vooral: een opgeheven halte. En: een wachtkamer.

Ze liet me ook de ruïnes zien van de oude abdij, en de plek waar het oorspronkelijke annunciatie-huisje stond. Het is tegenwoordig een privaat landgoed met een prachtig park. Een gotische boog rijst op uit de bloembedden, dat is alles.

De ruïnes van de abdij van Walsingham en de plek waar ­edelvrouw Richeldis een goddelijk visioen kreeg. Beeld RV
De ruïnes van de abdij van Walsingham en de plek waar ­edelvrouw Richeldis een goddelijk visioen kreeg.Beeld RV

En toch kwam ik even terecht in een onderstroom die ik niet goed kende. Misschien was het de vermoeidheid of de sfeer van de plek die maakte dat ik door mijn vering zakte. Het leek op het gevoel dat ik heb als ik ontroerd ben door iets moois – een berglandschap ­misschien, of seks, of de zee.

Of misschien waren het de ­hormonen.

Ik schreef al dat de kern van deze reis moeilijk te fotograferen was. Enkel met een echo-apparaat zou te zien zijn geweest dat ik bij vertrek werd vergezeld: in het korrelige zwart dreef nu een boontje, bezig te ontkiemen. Mijn leven was al bezig zich uit te plooien. Ik ­vermoedde het, vanwege de buikkramp en de bloedvlekjes, maar ik geloofde het niet. Als ik de plaatjes terugzie, denk ik: was de groei al begonnen? Onmogelijk te zien.

Ik zal me Norwich herinneren als een plek van verlangen naar wat er buiten bereik ligt, het ­verlangen naar iets weids, het ­verlangen van een pier naar de zee. Een plek vol kerken tot in de nok toe gevuld met oude troep. Een plek waar ik geen visioenen had, maar waar ik Julian of Norwich las, die schreef: ‘Seeking is as good as seeing’.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234