Maandag 19/04/2021

ReportageDe reis van mijn leven

Boeddha achterna in Cambodja en Vietnam

Het reusachtige tempelcomplex Angkor Wat in Cambodja. Beeld Stef Selfslagh
Het reusachtige tempelcomplex Angkor Wat in Cambodja.Beeld Stef Selfslagh

Nu reizen niet kan, reconstrueren De Morgen-pennen de trip van hun leven. Stef Selfslagh, die in 2013 met zijn gezin twee maanden door Cambodja en Vietnam reisde, geeft de aftrap. Acht jaar later geniet hij nog altijd na van de zonsondergangen, oneliners van zijn zoontje en stierenpenissoep.

November 2013, Kep, Cambodja. Op een sloom stuk strand kijken we naar een overgelukkige tiener. Hij maakt – met al zijn kleren aan – een paar salto’s in het zeewater. Hij ziet ons, loopt naar ons toe en schreeuwt: “Are you happy in Cambodia?” “Yes, we are”, antwoorden we, want ­liegen doen we niet en al helemaal niet in het buitenland. “Are you?” Hij giet een waterval van woorden over ons uit. Dat zijn naam Fong is. Dat hij negentien is en uit Battambang komt. Dat hij vandaag voor het eerst de zee ziet. Dat hij plots het gevoel heeft dat er méér mogelijk is in zijn leven. Dat hij blij is dat hij zijn hoteljob heeft opgegeven om verder te studeren voor ingenieur. Dat hij ervan droomt om in Japan te gaan werken. Dat de zee hem nieuwe hoop heeft gegeven. En dat we hem nu moeten excuseren, want dat hij dringend nog wat in het water moet gaan flikflakken. We kijken hem na en wensen hem in gedachten een R&D-job bij Sony en een dakappartement in Shibuya toe.

Dag twee: gezinsportretje in Phnom Penh, Vietnam. Beeld Stef Selfslagh
Dag twee: gezinsportretje in Phnom Penh, Vietnam.Beeld Stef Selfslagh

We, dat zijn ikzelf, mijn vrouw Greet en onze vijfjarige zoon Camu. We zijn al vier weken een als sabbatical vermomde reis door Cambodja aan het maken en begrijpen stilaan wat ‘in het nu leven’ betekent: een staat van onthechting bereiken waarin tijd een ­onnozel detail wordt. Na een maand onder de Cambodjaanse zon te hebben gefietst, gestapt, gezwommen, gelachen, geknuffeld en gedommeld, hebben we ons prakkiserend brein ingeruild voor een mindful exemplaar. Chrono­logische categorieën zoals gisteren en morgen ontbinden waar we bij staan. “Wij vergeten de dagen en de dagen vergeten ons”, schrijf ik in een berichtje aan het thuisfront. De weg naar Boeddha is nog lang, maar we hebben toch al de juiste afslag genomen.

Tranen van blijheid

“Gaan jullie met een kleuter twee maanden door Zuidoost-Azië trekken?”, hadden kennissen zich voor ons vertrek ongelovig afgevraagd. Lees: “Zijn jullie nu helemáál op jullie sabbaticalhoofd gevallen? Camu gaat knokkelkoorts, difterie en malaria krijgen. En tussendoor gaan jullie hem van ’s morgens tot ‘s avonds moeten entertainen. Jullie gaan niet uitgerust, maar ­uitgeput terugkeren.”

Spoorwegwandelen in Hanoi, Vietnam. 
 Beeld Stef Selfslagh
Spoorwegwandelen in Hanoi, Vietnam.Beeld Stef Selfslagh

Maar reizen met een vijfjarige snotaap was – wat had u gedacht? – geweldig. Natuurlijk waren er ­dingen die we met Camu níét ­konden doen. De girlie bars in Sihanoukville checken, bijvoorbeeld. Ons in een klooster terugtrekken voor een zesdaagse meditatiesessie. Of op het strand meer dan vijf pagina’s van een boek lezen. Maar dat werd allemaal ruimschoots gecompenseerd door andere dingen. National Geographic-momenten die we in gezinsverband beleefden. De wetenschap dat we onze kleine man een stukje van de wereld cadeau deden. Hij deed ons ruil dan weer mooie uitspraken cadeau (“Ik heb tranen van de blijheid”, zei hij op een avond). De wereld lag aan onze voeten en omgekeerd.

Over Cambodja schreven we in ons logboek: “Wat een prachtig, verdrietig land”. We hadden de grootsheid van Angkor Wat gezien. De zelfs door zes miljoen land­mijnen niet aan flarden gereten schoonheid van het Cambodjaanse platteland. De formidabele chaos van Phnom Penh. Maar we hadden ook door de killingfields van Choeung Ek gewandeld, waar ­tijdens het Rode Khmer-regime twintigduizend Cambodjanen ­vermoord zijn. We waren ook stil geworden in Tuol Sleng, het voormalige martelkamp van Pol Pot.

‘Palmtrees galore’ op Rabbit Island in Cambodja. Beeld Stef Selfslagh
‘Palmtrees galore’ op Rabbit Island in Cambodja.Beeld Stef Selfslagh

Het Rode Khmer-tijdperk en de daarop volgende burgeroorlog ­hebben er in Cambodja furieus ingehakt. Iedereen heeft geliefden verloren, iedereen is armer geworden. Als de Cambodjanen glimlachen – en dat doen ze met de regelmaat van een verdienstelijk nagemaakte Rolex – zie je in hun ogen nog altijd restjes hartzeer.

In Battambang raakten we in gesprek met Khing, een tuktukchauffeur die tussen zijn achtste en zijn vijftiende als kindsoldaat tegen de Rode Khmer had gevochten. In een poging om zich van zijn kindertrauma’s los te weken, had hij als adolescent tien jaar in een klooster geleefd. Hij leerde in die tijd veel over God, maar nog meer over zichzelf. “Being a monk is not about praying to the Gods. It’s about practising how to live.” Zijn levensdoel: professor aan de universiteit ­worden. Het is niet omdat de Cambodjanen niet in Amerika wonen dat hun dromen miniaturen moeten zijn.

Goodnight Saigon

November werd afgelost door december, Cambodja door Vietnam. En daar konden we het echt niet laten. Het was zeven uur ’s ochtends. We stonden voor een hotelraam dat ons een majestueus uitzicht op Hanoi bood. We ­voelden ons uitgelaten omdat we op het punt stonden een nieuwe stad te inflitreren. En dus riepen we – jawel – “Gooooooood morning, Vietnaaaaaam!”

Een exotische lap strand in Sihanoukville. Beeld Stef Selfslagh
Een exotische lap strand in Sihanoukville.Beeld Stef Selfslagh

Ter verdediging: sommige dingen moet je gewoon doen. Ook al weet je dat honderdduizenden je zijn voorgegaan. Je gaat ook niet naar Los Angeles zonder je tien seconden aan de Hollywoodletters te vergapen. Je weet dat het ­belachelijk is, maar je weet ook dat het nog belachelijker is om het krampachtig níét te doen.

In Vietnam werden onze ­hoofden overigens wel vaker bezocht door stukjes populaire Amerikaanse cultuur. Toen we na een dag stevig doorbanjeren in Saigon – een beetje Zuid-Vietnamees zegt nog altijd Saigon in plaats van Ho Chi Minh City – de ondergaande zon gingen uitwuiven op het dak van ons hotel, fluisterde mijn geheugen mij de lyrics in van ‘Goodnight Saigon’, het prachtige nummer van Billy Joel over de Vietnam-oorlog. Mocht u de jaren tachtig om begrijpelijke redenen (schoudervullingen, Kajagoogoo, de Bende van Nijvel) hebben verdrongen, deze kleine reminder:

‘We met as soulmates on Parris Island / We left as inmates from an asylum / We came in spastic, like tameless horses / We left in plastic, as numbered corpses.’

Onderweg in Cambodja. Beeld Stef Selfslagh
Onderweg in Cambodja.Beeld Stef Selfslagh

Ik ga niet beweren dat je in Vietnam geweest moet zijn om ‘Goodnight Saigon’ te begrijpen, maar geloof me: het hélpt. Je kan er de oorlog in je verbeelding gewoon re-enacten.

Onslikbaar

In een dorp vlak bij Hoi An ­voeren we met een bootje door de moerassen waar Vietnamese soldaten verrassingsaanvallen uitvoerden op Amerikaanse GI’s. In Saigon aten we noedelsoep in Pho Binh, een onooglijk noedelrestaurant dat dienstdeed als het geheime hoofdkwartier van de Vietcong. In het Reunification Palace liepen we in de kamer waarin Henry Kissinger met Le Duc Tho de scenario’s voor een mogelijke vredesovereenkomst besprak. En in de Saigon Saigon Bar van hotel Caravelle, tijdens de oorlog de uitvalsbasis van de buitenlandse persbureaus, konden we ons al na één pint prima voorstellen wat twintig pinten moeten doen met een oorlogsjournalist die ver van huis is.

Al reizend kregen we de indruk dat de sinds 1976 herenigde Noord- en Zuid-Vietnamezen opnieuw prima met elkaar kunnen opschieten. Maar toen we voor die hypothese bevestiging zochten bij Dang, een 28-jarige man uit Hanoi, zei hij: “Uniting two parts of a nation is easier than uniting the hearts of people”. De Duitsers weten wat hij bedoelt.

Bambooboy Camu. Beeld Stef Selfslagh
Bambooboy Camu.Beeld Stef Selfslagh

Viel er in Vietnam ook wat te lachen, vraagt u zich af? Jazeker. In The Ninh Binh Legend, een eenzaam hotel te midden van verlaten, naar een nieuwe toekomst hunkerende rijstvelden, vonden we het neologisme ‘onslikbaar’ uit. We hadden net de lokale soep geproefd en die was al na één nanoseconde opnieuw in ons bord beland. Ons verdict: deze soep is onslikbaar. En voor alle duidelijkheid: dat is géén synoniem van oneetbaar. Oneetbaar wil zeggen dat je het voedsel met enige moeite via keelgat en slokdarm naar je maag hebt getransporteerd, maar dat je het niet lekker vindt. Onslikbaar wil zeggen dat het dermate weerzinwekkend is dat de smaakpapillen in je mond alarmfase vijf afkondigen en ­allemaal tegelijk zeggen: tot hier en niet verder.

Vier duimen

Enkele Vietnamhoogtepunten, gerieflijk samengevat: 1. Hand in hand over een spoorweg wandelen die schaamteloos een verzameling rijhuizen doorkruist. 2. In een riksja over de Long Bien-brug van Gustave Eiffel rijden. 3. Je Bill Gates wanen telkens wanneer een geldautomaat een paar miljoen Vietnamese dong uitspuwt (1 miljoen dong = 36 euro).

Twee dagen voor Kerstmis – de tijd vloog ondertussen sneller dan een Aziatische steenarend – speelden we een laatste keer in het zwembad van het Grand Hotel Saigon. Bij een temperatuur van 32 graden dansten we op ‘Merry Christmas Everyone’ van Shakin’ Stevens. Twee maanden eerder wisten we nog niet dat dit ging gebeuren. Maar we wisten al wel dat we precies voor dit soort momenten deze reis gingen maken.

Nergens gaat de zon gracieuzer onder dan in Phnom Penh. Beeld Stef Selfslagh
Nergens gaat de zon gracieuzer onder dan in Phnom Penh.Beeld Stef Selfslagh

De balans van onze trip? We bezochten 2 landen, 3 wereldsteden, 6 dorpen, 1 jungle en 2 eilanden. We zwommen in 2 zeeën, 1 rivier, 2 watervallen en 7 zwem­baden. We vingen 5 vissen: 3 saaie, 1 kleurrijke en 1 sidderaalachtige. Camu leerde 6 nieuwe dingen: snorkelen, inktvis eten, in Khmer-letters ‘dankjewel’ schrijven, biljarten, bidden (zij het gibberend en tot een niet nader genoemde God) en foutloos ‘A man ain’t no man when a man ain’t got no horse, man’ zeggen.

We sliepen 2 nachten op een houten plank. We overwogen 1 keer om stierenpenissoep te eten (op de foto op de menukaart zag het eruit als spekkoek in artisjokmousse). We fotografeerden 1 standbeeld van een krab. We speelden op 6 verschillende hotelbedden scènes uit Kung Fu Panda na. We verzonnen 3 verhalen-voor-het-slapengaan: Het dribbelwonder van Hanoi, De Saigonvogel en Het ongelukkige cijfer twee.

We zagen 1 Cambodjaan met vier duimen en 2 Vietnamezen zonder ogen. Ik werd door 6 masseuses onder handen genomen, van wie er 2 mij galant een happy ending voorstelden. Greet droeg op een markt in Phnom Penh 1 zwarte pruik en verbood mij 39 keer om de foto’s daarvan openbaar te maken. En we namen 1 prachtige, splinternieuwe definitie van reizen mee naar huis: ‘Travelling is not about collecting memories. It’s about practising how to live’ (met dank aan Khing, vandaag waarschijnlijk professor aan een Cambodjaanse universiteit).

null Beeld Stef Selfslagh
Beeld Stef Selfslagh
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234