Sport
OPINIE

Niemand wordt beter van meer medailles

Niks mis met nationale trots, goudkoorts en de roep om beter topsportbeleid? Ondergetekende raakte niet overtuigd. Paul De Grauwe is professor aan de London School of Economics en De Morgen-columnist.

©UNKNOWN

De Olympische Spelen: een feest van het internationalisme? De zapper weet beter. Keek hij naar een Belgische zender, dan zag hij vooral Belgische deelnemers, en eindeloze verhalen en trivia rond deze deelnemers. Hetzelfde uiteraard op alle andere nationale zenders. De Britse, de Franse, de Duitse, de Italiaanse zenders toonden op een uitvergrote wijze de prestaties, of het gebrek ervan, van de eigen nationale helden. Nationaal chauvinisme vierde hoogtij. Keken we naar de VRT, dan vernamen we wie derde werd op één van de vele zeilwedstrijden, maar wisten we nauwelijks wie deze won. Zenders van grotere landen hadden wat meer geluk omdat ze gouden medailles in de wacht sleepten. Maar de teneur was dezelfde: de nationale atleten kregen het overweldigende deel van de nationale aandacht. In elk land werd in feite een ander script van de Olympische Spelen getoond.

Ik weet, het is nu bon ton geworden om dit niet als chauvinisme te bestempelen maar als een uitdrukking van nationale identiteit. We zijn geen individuen die in afzondering leven. We maken deel uit van een grotere gemeenschap. En waarom niet fier zijn op deze gemeenschap? Er is niets mis met nationale trots. Ik geraak niet overtuigd. Te veel miserie heeft zijn oorsprong gevonden in nationale trots.

Maar als we dan toch trots willen zijn, moet dat dan op olympische medailles? Op het jezuïetencollege waar ik school liep was het de gewoonte om op het einde van het schooljaar de leerlingen op het podium te laten paraderen. De eerste van de klas kreeg drie boeken, de tweede twee boeken, de derde een boek. De vierde en alle volgende leerlingen werden met lege handen naar huis gestuurd. Tijdens de Spelen dacht ik opnieuw aan mijn schooltijd, en aan de gevolgen die zo'n systeem had op de leerlingen van de klas. Het systeem is op mijn school al lang afgeschaft. Niet op de Olympische Spelen.

De medailletelling heeft nu belachelijke proporties aangenomen. Een medaille is het summum; de rest is niets. Nochtans is het verschil tussen de derde en de vierde in een olympische kamp meestal nauwelijks te meten. De vierde of de vijfde in een loop- of zwemnummer is praktisch even snel als deze die hen voorgaan. De vierde of de vijfde springt praktisch even hoog of even ver als de eerste. En toch wordt de ene als een held beschouwd en de andere als een mislukkeling. Het is niet alleen belachelijk, het is kinderachtig zoveel aandacht te besteden aan iets wat die aandacht niet verdient.

Ik hoor nu stemmen dat ons topsportbeleid moet verbeteren, en meer middelen moet krijgen. Waarom zouden we dat doen? Om meer medailles te veroveren bij de volgende Olympische Spelen? Niemand wordt daar beter van, tenzij het BOIC en het kleine aantal atleten dat een medaille verovert en deze buiten proportie zal kunnen 'verzilveren'. Als er een beter sportbeleid moet komen dan is dat in de breedte, opdat meer mensen betere mogelijkheden krijgen om aan sport te doen. Er is geen goede reden waarom het sportbeleid meer aandacht zou moeten besteden aan de topsporter dan aan de gewone sporter.