Opinie
Fien De Block, Pieter Present en anderen

Lezers reageren: "Misschien vindt Maarten Boudry andere meningen wel inferieur, wie weet?"

Onze samenlevingsvorm is superieur aan alle andere ter wereld, argumenteerde filosoof Maarten Boudry in een opiniebijdrage. Een greep uit de reacties.

1 Filosoof Maarten Boudry. ©Jef Boes

“Dit is water”: het valse dilemma van Boudry

Share

De manier waarop Boudry en Rutten hun waarden willen uitdragen wordt dan ook gekenmerkt door een zekere fragiliteit

Onze samenlevingsvorm is superieur aan alle andere ter wereld, stelt Maarten Boudry. Hij luidt zijn betoog metaforisch in door erop te wijzen dat een vis die al heel zijn leven in water zwemt, zich niet van het bestaan, noch van de voordelen van het hem omringende goedje bewust is. Boudry stelt de lezer voor een dilemma: ofwel is men een zelfweerleggend relativist die een verlammende vorm van zelfkastijding praktiseert, ofwel vervoegt men hem en Gwendolyn Rutte in het bezingen van de superioriteit van 'onze samenlevingsvorm'. Dit is een vals dilemma. Het is perfect mogelijk om het superioriteitsdenken te bekritiseren zonder in een verlammend relativisme te vervallen. Omgekeerd hoeft het verdedigen van waarden niet noodzakelijk tot een superioriteitsgevoel leiden. 

Share

Het is tekenend dat zowel Boudry als Rutten in hun verdediging van vrijheid en Verlichting niet zonder de spookbeelden van respectievelijk de islam en het postmodernisme of moreel relativisme kunnen

Boudry heeft gelijk dat het relativisme zoals hij dat beschrijft zelfweerleggend is. Het maken van een oordeel, het hebben van een opinie, het onderschrijven van een waarde, houdt een zeker commitment in. Men verbindt zich tot een bepaalde positie en daarmee impliciet ook tot de bereidheid deze te verdedigen. 

Ten eerste is het belangrijk om op te merken dat het niet noodzakelijk zo hoeft te zijn dat het opkomen voor een positie impliceert dat men deze als superieur aanziet. Boudry kan natuurlijk aanbrengen dat dit een flauw semantisch spelletje is en dat het verdedigen van een positie dit automatisch met zich meebrengt. Er is echter een subtiel onderscheid. Waarden zijn positief en staan op zichzelf. Het verdedigen van deze waarden komt voort uit de positieve waardering zelf en houdt een vorm in van verantwoordelijkheid opnemen. Zoals de (onterecht) aan Maarten Luther toegeschreven uitspraak wanneer hij zijn visies verdedigde tegen de Katholieke Kerk: “Hier sta ik, ik kan niet anders!” Deze assertieve vorm van verantwoordelijkheid opnemen voor en uitdragen van de eigen waarden staat echter haaks op het superioriteitsdenken uitgedragen door Boudry en Rutten. Waar men in een positieve vorm waarden uitdraagt om de waarden zelf, gebeurt dit bij het superioriteitsdenken in negatieve zin. Men is superieur omdat anderen inferieur zijn. De manier waarop Boudry en Rutten hun waarden willen uitdragen wordt dan ook gekenmerkt door een zekere fragiliteit: er is telkens een ander nodig waaraan men de verdediging van de eigen waarden moet ophangen. Het is dan ook tekenend dat zowel Boudry als Rutten in hun verdediging van vrijheid en Verlichting  niet zonder de spookbeelden van respectievelijk de islam en het postmodernisme of moreel relativisme kunnen.

Share

Gevangen in onze zelfgenoegzaamheid nemen we niet langer de moeite om andere perspectieven in te nemen

Boudry’s metafoor (net zoals vissen niet meer merken dat ze in water zwemmen, merken wij de bevoorrechte positie van onze liberale samenleving niet langer op) doet denken aan David Foster Wallaces beroemde toespraak 'This is Water'. Waar Boudry echter de metafoor gebruikt om erop te wijzen dat we onze eigen bevoorrechte positie in een verlichte liberale samenleving zo gewoon zijn geworden dat we ze vergeten, gebruikt Foster Wallace ze om ons er net op te wijzen dat het dit zelfgenoegzame denken is dat ons als water omringt en waarbij constante oefening nodig is om erbuiten te treden.

Het probleem met de claim tot superioriteit die Boudry verdedigt, is dus dat ze leidt tot de houding waar Foster Wallace voor waarschuwt: gevangen in onze zelfgenoegzaamheid nemen we niet langer de moeite om andere perspectieven in te nemen. Foster Wallace geeft toe dat onze maatschappij ons veel vrijheden schenkt. Hij benadrukt er echter ook bij dat we ons bewust moeten blijven van het feit dat vrijheid vele vormen aanneemt. In de plaats van het buitensporig belichten van de vrijheid “to be lords of our own tiny skull-sized kingdoms, alone at the center of all creation”, houdt Foster Wallace net een pleidooi voor het voortdurend aftasten en op het spel zetten van ons eigen kleine perspectief. Eerder dan de kritieken op Ruttens uitspraak te zien als plat relativisme of verlammende zelfkastijding bieden zij ons net de mogelijkheid om de grenzen van onze samenleving te toetsen, verbeteren en veranderen.

Fien De Block is doctoraatsstudente Arabistiek en Islamkunde (UGent) en Pieter Present is doctoraatsstudent Wijsbegeerte en Moraalwetenschappen (VUB).

De taal is gansch de politiek: waarom we net wél moeten steigeren bij het woord ‘superieur’

Share

Als letterkundige ben ik het fundamenteel met Boudry oneens en vind ik de commotie rond het woord ‘superieur’ wel degelijk legitiem

Gisteren las ik de steeds gewaardeerde opiniebijdrage van Maarten Boudry, ditmaal over het superioriteitsdebat waarmee Gwendolyn Rutten vorige week ‘onze manier van leven’ boven alle andere verhief. Als filosoof ziet Boudry geen enkel probleem in de liberaal-propagandistische bravade van Rutten. Integendeel, hij stelt meermaals dat “[v]eel mensen die steigeren bij het woord 'superieur'” (aan andere formuleringen voor deze complexe vaststelling ontbreekt het zijn betoog voorlopig nog) de verworvenheden van de liberale rechtstaat te kort doen.

We kunnen misschien niet van iedere filosoof de allure van een Wittgenstein verwachten, maar als letterkundige ben ik het fundamenteel met Boudry oneens en vind ik de commotie rond het woord ‘superieur’ wel degelijk legitiem.

Taal is de graadmeter der ideeën. Geloofwaardigheid winnen we meer uit de woorden die we gebruiken dan de argumenten die we aanslepen. Het archetype van de politicus als orator gaat reeds mee sinds de Klassieke Oudheid en onderging sindsdien weinig verandering. Het is geen toeval dat de meeste sketches over de nieuwe president van de VS ‘s mans taalgebruik persifleren.

Share

Net omdat politiek en retoriek zo innig met mekaar versmolten zijn, is het belangrijk dat we over de woordkeuze van Rutten struikelen

Net omdat politiek en retoriek zo innig met mekaar versmolten zijn, is het belangrijk dat we over de woordkeuze van Rutten struikelen. Sinds enkele maanden werk ik als onderzoeker aan Indiana University in de VS. Ik ben dagelijks omringd door mensen die zich de ‘leaders of the free world’ wanen en woon in een plaats waar campagnestickers op pick-up trucks de stille relieken van een verkiezing zijn die de idee van grootsheid en suprematie tot haar inzet maakte. ‘Populisme’ noemden we dat een jaar geleden, ‘vooruitgangsoptimisme’ nu, volgens Boudry.

Toegegeven, ik heb het boek van mevrouw Rutten nog niet gelezen, tot in de VS is het nog niet geraakt. Maar haar discours in het interview aan Het Laatste Nieuws zegt voldoende. Dat teert weinig verrassend (Open VLD kan wel eens een verkiezings- of peilingssucces gebruiken) op de doeltreffende retoriek van de meeste recente Angelsaksische campagnes: de heimwee naar betere, ongeremde tijden, die door een schimmige, doch nakende kracht van buitenaf worden bedreigd.

Share

Het interview is de zoveelste losse flodder in een rijtje van pogingen om het liberalisme opnieuw aan de man te brengen

Als we de retoriek van het bewuste interview even van dichtbij bekijken, merken we dat Rutten aanvankelijk een harmonieus, utopisch plaatje schetst: ze strijdt voor de vrijheden van haar kinderen (de toekomstmetafoor bij uitstek) en vervolledigt deze familiale pastorale met het beeld van haar moeder en grootmoeder (women power!). Al snel verzamelen zich echter donkere wolken boven de idylle: er wordt aan onze vrijheden geknaagd, want we mogen geen vlees of alcohol meer gebruiken en niet meer met de wagen rijden! De schuldigen? De progressieven, die bruusk van “fanatisme [dat] naar religie neigt,” beschuldigd worden. En met die fijnbesnaarde insinuatie evoceert Rutten meteen de sferen van het islamitisch extremisme, de werkelijke crux van haar betoog.µ

Gelukkig botst zo’n discours als snel op zijn eigen grenzen. Als we de redenering van mevrouw Rutten namelijk even doortrekken, stelt ze het streven naar vooruitgang plots op gelijke hoogte met religieus fanatisme. Geef die directieven maar niet door aan onze diplomaten in de VN.

Share

Onze manier van leven is opmerkelijk, en misschien zelfs uitzonderlijk, maar zeker niet superieur

Ik weet het wel: dit is allemaal verkiezingspraat. Het interview is de zoveelste losse flodder in een rijtje van pogingen om het liberalisme opnieuw aan de man te brengen. De meeste recente episode vond afgelopen maandag plaats in De Afspraak over de verkiezingen in Frankrijk, waar mevr. Rutten gretig de overwinning van een socialist in schaapsvacht voor de liberale zaak opeiste.

Natuurlijk beseft u, mevrouw Rutten, dat onze manier van leven niet superieur is. U weet dat vage taal de kingmaker van de jongste verkiezingen en referenda was en ziet wel in dat net die onduidelijkheid het debat over uw uitspraak (en misschien minder over uw boodschap?) levend houdt. Tenzij u met ‘onze manier van leven’ de verdiensten van Noorwegen bedoelt, dat steevast de indexen van beste samenleving topt. Of die van Nederland, Luxemburg en Duitsland, drie van onze vier continentale buurlanden die bij de meeste parameters eveneens een bank vooruit op ons hebben.

Onze manier van leven is opmerkelijk, en misschien zelfs uitzonderlijk, maar zeker niet superieur. Net zoals uw coalitie in dezen beter voor daden dan woorden kiest, mevrouw Rutten, kan u de stemmingsmakerij over de musulmani ad portas voorlopig nog even wegbergen. Uw rotsvaste geloof in de liberale rechtstaat zal u er heus van overtuigen dat met ongeveer 7 ‘Nieuwe Belgen’ op 150 federale parlementsleden, het risico daartoe eerder beperkt is.

In een tijd van fake news en post-truth moeten we meer dan ooit aandacht besteden aan de retoriek van onze politici. Het eerlijke debat der ideeën kan pas plaatsvinden wanneer het taalgebruik helder en duidelijk is. Wie weet brengt het onze democratie wel een stapje dichter bij die illustere superioriteit.

Tobias Hermans is postdoctoraal onderzoeker Duitse Letterkunde (UGent) en doet met een beurs van de Belgian American Educational Foundation (BAEF) onderzoek aan Indiana University.

Geen waarheid maar een mening

Het loopt al helemaal fout in de eerste paragraaf van het opiniestuk van Maarten Boudry in De Morgen. Hij poneert de uitspraak van Rutten ("Onze manier van leven is superieur") als een waarheid en stelt dat die onloochenbaar is. In diezelfde paragraaf erkent hij nochtans dat er een storm van protest was. Daarmee ontkracht hij al meteen zijn eigen stelling van onloochenbaarheid. Dat kan ook niet anders, want de uitspraak van Rutten is helemaal geen waarheid, het is een mening. Spijtig dat Maarten Boudry - nochtans een zelfverklaarde verdediger van meningsuiting – zijn eigen mening voorstelt als een waarheid en zich zo zondigt aan debatmanipulatie door andere meningen monddood proberen te maken. Misschien vindt hij die andere meningen inferieur, wie weet?

Deze onvermoeibare zoektocht naar ‘waarheden’ die Maarten Boudry hier tentoonspreidt, is gemakkelijk te verklaren. Mensen hebben het blijkbaar moeilijk met onzekerheid. Vroeger grepen ze terug naar God, tradities of een vorst als waarheid. Tegenwoordig dienen wetenschap, ideeën en wereldbeelden als zelfverklaarde waarheden. Daar is ‘onze superioriteit’ als waarheid het zoveelste hoofdstuk van.

Share

Ook inhoudelijk slaat Maarten Boudry de bal mis. Superioriteit impliceert het bestaan van inferioriteit

Ook inhoudelijk slaat Maarten Boudry de bal mis. Superioriteit impliceert het bestaan van inferioriteit. De geschiedenis leert ons dat het in de praktijk serieus kan foutlopen met een wereldbeeld op basis van deze dualiteit. Een misplaatst gevoel van superioriteit leidt al te vaak rechtstreeks naar discriminatie, racisme, intolerantie, seksisme, oorlog, ... en soms in zijn meest extreme vormen. Waarom? Omdat die superioriteit fundamenteel verbonden is met die andere kant van de medaille: inferioriteit. M.a.w., er is geen superioriteit zonder inferioriteit. Dan is de link vlug gemaakt dat er dus ook inferieure samenlevingen met inferieure mensen zijn. En dan is het hek van de dam. Het superioriteitsdiscours gaat altijd gepaard met daden en dan gaat het dus voorbij aan de vrije meningsuiting. Voorbeelden van superioriteitsuitspattingen zijn niet meer te tellen in de geschiedenisboeken, maar je moet niet eens terugkijken. Op dit moment is er een groep mensen met een wereldbeeld dat zich superieur acht tov alle andere: de Islamitische Staat verantwoordt zijn daden op basis van zijn zelfverklaarde superioriteit. En dit is enkel het extreemste voorbeeld. De individuele gevallen van discriminatie die veroorzaakt worden door een superioriteitsgevoel van de dader, zijn niet meer te tellen. Dát is waarom sommige mensen, inclusief mezelf, allergisch zijn voor het woord. Wij hebben geleerd van de geschiedenis.

Wat verder doet Maarten Boudry deze boute uitspraak: “Niemand is echter relativist in hart en nieren, als het erop aankomt.” Deze uitspraak is gebaseerd op het achterhaalde idee dat de redenering van een relativist stopt bij “Alles is relatief. Punt” en dat de enige consequentie daarvan morele chaos is. Vandaag is niets minder waar. Dat moreel relativisme automatisch leidt tot het vergoelijken van achterlijke en irrationele denkvormen is een redenering die op niets gebaseerd is. Dit opiniestuk is daarvan het bewijs, want ik vind het superioriteitsdenken achterlijk en irrationeel en dus ga ik er tegen in. Moraliteit heeft evenveel te maken met de waarheid als een vis met een boom.

Bijna iedere relativist denkt tegenwoordig dan ook verder. Zo denk ik dat de Verlichting en liberale rechtstaat dominant zijn, maar niet superieur (een zeer belangrijke nuance). Zo voel ik me ook goed in de samenleving waarin ik leef (die liberale rechtstaat waar Maarten Boudry het over heeft) en zou ik die niet willen ruilen voor een andere die op deze wereld bestaat. In die zin zou je inderdaad kunnen zeggen dat ik de onze de beste vind. Maar ik besef dat dit louter een eigen voorkeur en mening is en geen waarheid. Ik voel dan ook niet de minste drang om over die samenlevingsvorm op te scheppen en zie ik ook de zwakheden van onze samenleving. Ik gedraag me naar mijn eigen mening, maar tegelijkertijd verwerp ik de superioriteit van de Verlichting en de liberale rechtstaat. Als relativist zit je niet gevangen in ‘waarheden’ en net dat geeft een grote vrijheid. Eentje waar liberalen enkel maar jaloers kunnen op zijn.

Een relativist denkt ook na over een wereld zonder waarheden. En hij/zij beseft dat de samenleving waarin hij/zij leeft er één van meningen en niet van waarheden of dogma’s. Daardoor is de relativist niet blind voor wat er fout loopt in de eigen samenleving en staat hij open om te leren van andere samenlevingen. Achterlijke en irrationele denkvormen vergoelijken is niet aan de orde, want het uitgangspunt is hoe mensen het best kunnen samenleven. Relativisme heeft een uitgangspunt gebaseerd op samenwerking in plaats van het op conflict gebaseerde superioriteitsdiscours.

Share

Een samenleving opbouwen is geen wedstrijd waarin “wij” beter moeten zijn dan “zij”

Een samenleving opbouwen is geen wedstrijd waarin “wij” beter moeten zijn dan “zij”. Er vallen geen prijzen te winnen door de eerste te zijn. Dus waarom kan het niet blijven bij: “onze samenleving is er één waar we tevreden over zijn en we zullen hard werken om hem nog beter te maken.” De enige vergelijking zou onze eigen samenleving moeten zijn. Maarten Boudry en met hem vele anderen zitten gevangen in de dogmatische dualiteit van superioriteit en inferioriteit. Ze zien ook niet in dat het superioriteitsdiscours niets anders is dan een doorzichtige politieke strategie. Het is niet toevallig dat Rutten deze uitspraak doet op het moment dat de partij het slecht doet in de peilingen in tijden waar je met identiteit electoraal scoort.

Het superioriteitsdiscours brengt helemaal niets bij tot eender welke samenleving. Het enige positieve is dat het individuen tijdelijk beter doet voelen, maar zelfs dit gevoel is een illusie. Geen enkele samenleving heeft baat bij een wereldbeeld gebaseerd op superioriteit, laat staan de wereldgemeenschap. Dus waarom je krampachtig vasthouden aan superioriteit?

Vind ik nu dat ik gelijk heb? Vind ik mijn denkwijze de beste? Ja, natuurlijk! Maar ook dat is maar mijn eigen mening en geen waarheid.

Jonas Decloedt is politicoloog, afgestudeerd aan de Universiteit van Gent.

Superioriteit van wat?

In een recent opiniestuk verdedigt Maarten Boudry Gwendolyn Ruttens stelling dat onze westerse liberale rechtstaat superieur is aan andere samenlevingen. Deze bewering kon immers op heel wat kritiek rekenen van ‘postmoderne westerlingen’ die Rutten beschuldigden van neokoloniale arrogantie. Boudry heeft echter een punt dat zo’n moreel relativisme mooi klinkt op papier, maar in de praktijk weinig overtuigend is. Ieder van ons is immers liever in België geboren dan een holebi in Rusland, een vrouw in Saudi-Arabië of een milieuactivist in China te zijn. Hij concludeert dan ook dat de massale migratie naar het Westen duidelijk aantoont dat onze liberale rechtstaat aantrekkelijker is dan de postmodernen doen uitschijnen.

Share

Boudry veronderstelt al te gemakkelijk een radicaal onderscheid tussen vrijheid in de liberale rechtstaat en onvrijheid in zogenaamde ‘illiberale’ samenlevingen

De vraag is wat Socrates hiervan zou zeggen. Deze man viel zijn medeburgers op straat lastig op zoek naar de juiste definities van belangrijke ethische concepten, zoals moed of rechtvaardigheid. Zijn vragen werkten als een soort intellectuele poetsbeurt. Met de juiste mondhygiëne zouden wij, volgens Socrates, het goede leven kunnen vinden. Eenmaal hij zijn kritisch schrobwerk had voltooid, bleef er echter vaak geen propere was witter dan wit over, maar enkel onwetendheid. Ook hier stel ik mij de vraag of wij wel weten wat we bedoelen met ‘liberale rechtstaat’. Boudry vat dit concept op als een reeks vrijheden: de vrijheid jezelf te ontplooien, je mening te uiten, je politiek te engageren, enzovoort. Het summum van deze rechten zou de mogelijkheid zijn ‘de hand te bijten die je voedt’. Enkel liberale rechtstaten, aldus Boudry, laten de bevolking toe de overheid duchtig te bekritiseren. Dat klinkt natuurlijk geweldig. Wie is er nu tegen vrijheid? Net zoals het woord ‘superioriteit’ spontaan arrogantie uitstraalt, is het concept ‘vrijheid’ van nature aantrekkelijk. Toch drie bedenkingen:

Ten eerste is het één zaak om allerlei rechten te hebben, maar nog een andere om ze te kunnen uitoefenen. Wat is het recht op onderwijs als je niet het geld hebt om degelijk onderwijs te betalen? Bovendien zijn bepaalde rechten vooral voordelig voor bepaalde maatschappelijke klassen. Het recht op eigendom beschermt vooral degenen die veel eigendom hebben. Dat de rest in de kou staat, is geen bekommernis van de liberale rechtstaat. Een sociale welvaartstaat kan zulke problemen corrigeren, maar moet daarvoor bepaalde rechten inperken, zoals dat op persoonlijke eigendom.

Ten tweede kan te veel vrijheid verlammend werken. Meer vrijheid maakt ons niet noodzakelijk gelukkiger. Zelfs al heb je de middelen om je rechten te benutten, dan kan je nog ten prooi vallen aan keuzestress. De flexibilisering van het hoger onderwijs bijvoorbeeld met al haar keuzevakken, individuele trajecten en schakelprogramma’s werkt uitstekend voor de ‘student-consumenten’ die weten wat ze willen. Heel wat studenten ervaren echter diep onbehagen omdat ze niet meer weten wat te kiezen. De liberalisering heeft hen tot de vrijheid veroordeeld, maar soms is het geruststellend om platgetreden paden te bewandelen. Daar zitten immers geen monsters op jou te wachten.

Share

Na dit Socratische zeepsop neem ik het woord ‘superioriteit’ iets minder triomfantelijk in de mond

Ten slotte veronderstelt Boudry al te gemakkelijk een radicaal onderscheid tussen vrijheid in de liberale rechtstaat en onvrijheid in zogenaamde ‘illiberale’ samenlevingen. Het gemak waarmee sommige liberale democratieën de laatste jaren minder liberale middelen hebben gehanteerd, doet vragen rijzen. Frankrijk verkeert al sinds 2015 ononderbroken in de noodtoestand en de Verenigde Staten hebben in hun Oorlog tegen het Terrorisme onder meer Guantanamo, drone-aanvallen en NSA-schandalen op hun geweten. westerse staten zitten in de paradoxale situatie dat ze de rechtstaat en de bevolking enkel kunnen beschermen door rechten op te schorten en de bevolking te onderwerpen aan overheidscontrole. Na meer dan 15 jaar antiterrorismemaatregelen vinden wij het normaal dat we overal gefilmd worden, we onze vingerafdrukken geven als we naar de VS reizen en dat er soldaten in Brussel rondlopen. Vroeger diende het leger de landsgrenzen te verdedigen, maar die liggen vandaag blijkbaar in de hoofdstad. Het is dan ook interessant te weten dat de identiteitskaart in de 19de eeuw oorspronkelijk enkel bedoeld was voor criminelen. Aangezien elk individu een potentieel gevaar voor de samenleving is, kiezen overheden vaak om iedereen te bewaken. Ik koester met andere woorden geen enkele sympathie voor terroristen, maar wat begint als een opschorting van rechten voor een kleine groep kan snel gevaarlijk uitbreiden.

Deze voorbeelden spreken het strakke onderscheid tussen liberale en illiberale regimes tegen. Boudry mag dan wel beweren dat hier iedereen het recht heeft om de hand te bijten die ons voedt, maar daar zijn toch grenzen aan. Als die kritiek op een bepaald moment te ernstig wordt ervaren, dan houdt het liberalisme op. De liberale rechtstaat kan blijkbaar enkel standhouden door zichzelf af en toe op te schorten. De vrijheden waarover Boudry schrijft, zijn met andere woorden slechts voorwaardelijke gunsten die wij van de overheid krijgen mits gehoorzaamheid. Artikel 22 van onze Grondwet zegt bijvoorbeeld: “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.” Het enige verschil hier tussen liberale en illiberale regimes is het aantal voorwaarden en hoe streng ze zijn. In België valt dat goed mee, maar dat is geen verworven zekerheid. Als Vladimir Poetin beweert dat buitenlandse activisten een gevaar zijn voor de bevolking omdat ze sociale onrust zaaien en opstanden aanmoedigen, dan is dat niet fundamenteel verschillend van de westerse overtuiging dat de bevolking beschermd moet worden voor aanslagen door individuen met verdachte opinies op te sporen en preventief op te sluiten. Beide beschermen de bevolking door zelf de wapens in handen te houden. Ik zeg niet dat wij moeten stoppen met alle antiterreurmaatregelen of dat wij Poetin moeten volgen in de verstrenging van de voorwaarden voor rechten en vrijheden. Na dit Socratische zeepsop neem ik het woord ‘superioriteit’ iets minder triomfantelijk in de mond. 

Tim Christiaens is doctorandus aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte aan de KU Leuven.