column
Ann de Craemer

Het woord ‘slachthuis’ is overjaarse lingerie voor dichtgeslibd denken

#WoordVanDeWeek

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: slachtraffinaderij.

2 "‘Slachthuis’ mag dan wel authentiek en artisanaal klinken, het past niet langer bij de beelden uit Tielt die zich op ons netvlies brandden." ©Photo News
Ann De Craemer ©Eric de Mildt

Een varken dat krijsend in een bloedpoel verging: we zagen twee weken geleden allemaal hetzelfde maar dachten en zeiden compleet tegenovergestelde dingen. Van ‘Ik stop voor altijd met worst’ tot ‘Ze gaan mij mijn saucissen niet afpakken!’. Wie die ‘ze’ ­ —de saucissenafpakkers – dan wel zijn is een raadsel, maar ook een pijnlijk wonder van de taal.

‘Ze’ is het allergrootste excuus in de allerkleinste verpakking, twee letters die onze hoogstpersoonlijke schutkring vormen. Door ‘ze’ te gebruiken, vegen we moeilijke gedachten in een hoek en dwalingen op de hoop van vergefelijkheden. Met ‘ze’ swipen we zwijnerijen van onze smartphones de vergetelheid in. Wie? Wij? Nee, zij!

‘Ze’ is net als ‘dat’, ‘het’ of ‘iets’ een onbestemd woord dat eindeloos en naar believen in te vullen is. ‘Iets’ kan zowel knikker als komeet zijn, ‘het’ zowel hemd als heelal. Het zijn ultraflexibele woorden, rubberen handschoenen die zich rond elk denkbaar begrip kunnen vormen. Maar ook het omgekeerde kan: nauw omschreven woorden waar de rek gaandeweg uit verdween. Woorden die verder sjokken vanuit het verleden maar de band met het heden plots zijn verloren. 

‘Keuken’ bijvoorbeeld. Ooit spoelbak met gaspit, formicablad en onbeholpen plastic handvatjes; nu een steriel wit vliegdekschip uit naadloze harsen waarvan de deuren onzichtbaar zijn en de toestellen met internetservers communiceren. Botoxmeubilair. 

Of ‘vrijgezellenfeestje’. Ooit een namiddaguitstap met carnavalsdracht in de dichtstbijzijnde provinciestad waar bier van mannen schorre jongens maakte; nu een driedaags en interactief spel-zonder-grenzen op Ibiza met onverklaarbare tattoos de morning-after.

Om maar te zeggen dat woorden ook wel eens korsetten zijn: ze houden ternauwernood hun hedendaagse betekenissen in bedwang maar spreken wel nog altijd op grootmoeders wijze. Of woorden zich makkelijk laten updaten is zeer de vraag. Enkel terminologie die gevoelig ligt wordt om de zoveel jaar van een nieuwe jas voorzien. ‘Gebrekkigen’ werden ‘gehandicapten’ werden ‘mindervaliden’ werden ‘andersvaliden’. 

Woorden ondersteund door belangengroepen weten zich verzekerd van geregelde oppoetsbeurten. Andere, doordeweekse woorden worden ­­— net als onze kookeilanden — tot barstens toe gevuld of; net omgekeerd, stukje bij beetje leeg gelepeld. 

‘Bankbediende’ bijvoorbeeld: het woord is er nog wel, net zoals het nabeeld van een sober geklede man of vrouw achter slagvast glas. Alleen werd hij of zij vervangen door een bankkaart, een onhandelbare console en een haperende website. ‘Bankbediende’ is enkel nog façade, net als ‘wegenkaarten’, ‘filmrolletjes’ of ‘eeuwig ijs’: allemaal woorden die in sneltempo hun functie verliezen en vervluchtigen als benzine bij het tanken.

Die inflatie en deflatie waar ons spreken en schrijven aan onderhevig is, werkt vaak verschonend. Wie aan een ‘slachthuis’ denkt, ziet een Vlaamse villa in Spaanse stijl voor zich, een gazon met kabouterparafarnalia en gipsen koetsjes voor de deur en aan het einde van de tuin een brave vader die het dagelijkse varken slachtoffert voor de charcuterie van beenhouwerij Stassijns. 

‘Slachthuis’ mag dan wel authentiek en artisanaal klinken, het past niet langer bij de beelden uit Tielt die zich op ons netvlies brandden. ‘Slachtbank’ lijkt dichter bij de waarheid, zeker nu ook financiële instellingen hun vroegere luister zijn verloren en zich toonden als de schepgrage machines die ze in werkelijkheid zijn. En toch staat ook die term nog te ver af van de industriële loodsen vol gebroken biggen die verspreid in ons landschap staan. 

‘Slachtraffinaderij’ lijkt de enige optie. Niet omwille van de schijnbare efficiëntie waarmee het slachten zou gebeuren, maar vanwege het raffinement waarmee de taal hier een treurige waarheid verhult: dierenterreur die door vakkundige vleespromo salonfähig werd verklaard. In ‘slachthuis’ woont geen eerbied meer, het is een dwangbuis geworden voor ons in slaap gewiegde geweten. Overjaarse lingerie voor dichtgeslibd denken.