column
Ann De Craemer

Doe als Peter Sagan en gun uzelf wat frietjesspijtrespijt!

#WoordVanDeWeek

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: linkeballen.

2 "Laten we een voorbeeld nemen aan wielrenner Peter Sagan, die daar geen last van heeft en na elke koers een pakje zure beertjes naar binnen werkt." ©BELGA
Ann De Craemer. ©Eric De Mildt

Wie het woord ‘jargon’ hoort, denkt meteen aan fletse, wollige en ondoordringbare taal. Probeer juristen, informatici of bankiers maar eens te begrijpen wanneer ze termen gebruiken die onlosmakelijk met hun vak verbonden zijn — en probeer er maar eens één woord uit te distilleren dat u zou willen onthouden.

Gelukkig heeft elke regel zijn uitzonderingen en bestaat er dus ook jargon dat swingt, tot de verbeelding spreekt en poëtische zeggingskracht heeft: dat van de wielrennerij. Er een snok aan geven, een ander het snot voor de ogen rijden, en danseuse, hongerklop, chasse patate: het is jargon waar de gensters van afspatten. Wat wielertaal zo kleurrijk maakt, is dat ze veel parallellen heeft met literaire taal. Paul van Ostaijen wist dat al toen hij zijn gedicht ‘Belgiese zondag’ schreef:

Na de hoogmis wast bewondering
voor de renners de coureurs
21 7 17 48 83
fraaie hoofdgroep door het dorp
Jonge boeren en arbeiders spreken
sportliterair
citaten uit de Sportwereld

Toch komen er in het volkse en toegankelijke wielerjargon ook termen voor die Chinees zijn voor occasionele koerskijkers — en zij zullen zondag tijdens de Ronde van Vlaanderen met velen zijn.

Wat dacht u bijvoorbeeld van ‘linkeballen’?

Onze eigenste Michel Wuyts, de bloemrijkste koerscommentator der Lage Landen, gebruikte het woord afgelopen zondag nog op 14 kilometer van de streep tijdens Gent-Wevelgem: ‘En Nikki Terpstra is aan het linkeballen!’

Dat doet hij wel vaker, die Terpstra, en daardoor (onder meer) is hij in het peloton niet bepaald een populaire jongen. Kan niet anders, want linkeballen is (aldus Van Dale) ‘als renner weinig of geen kopwerk doen en zo optimaal profiteren van de inspanningen van de anderen’. Om het in beeldrijker wielertaal te zeggen: het bord van een ander leegeten terwijl je zelf geen bal uitvoert.

Volgens de overlevering zou de Nederlandse wielrenner Gerrie Knetemann de term hebben bedacht. Knetemann kon niet alleen koersen maar stond ook bekend om zijn taalkundige spitsvondigheid. ‘Het verstand op nul en de blik op oneindig’, ‘de dood of de gladiolen’, ‘opgebaard over de finish komen’, ‘snok’, ‘harken’, ‘uitgewoond’ en dus ook ‘linkeballen’: ze worden toegeschreven aan Knetemann, maar het is verre van zeker dat hij zelf al die termen voor het eerst gebruikte. De man was trouwens niet te beroerd om toe te geven dat hij niet altijd de bedenker was. Zijn kunst bestond er vooral in om goed te luisteren, bijvoorbeeld in de tijd toen hij nog als stratenmaker werkte. De uitdrukkingen die hij om zich heen hoorde, maakte hij tot klassiekers door ze vaak te gebruiken. En aanslaan deed het: het grote publiek was gek op zijn taaltje. Knetemann kreeg zelfs de bijnaam ‘de Kretenman’.

Linkeballen is een term die haast exclusief tot de wielertaal behoort, terwijl hij nochtans uitbreiding naar het ‘gewone leven’ verdient. Dat sommigen zo graag linkeballen, is de reden waarom ik op school een bloedhekel had aan groepswerk: altijd waren er wel die anderen het werk lieten opknappen en daar mee van profiteerden.

Toen ik zelf drie jaar geleden op vraag van deze krant de Ronde van Vlaanderen reed, was linkeballen niet aan de orde. Ik heb die zaterdag vooral, om het met mijn streekgenoot Yves Lampaert te zeggen, mijn snoeiharde best gedaan om te bluven scarten, ook toen ik bij de beklimming van de Paterberg, op slechts 15 kilometer van de streep, piepedood (nog zo’n heerlijke wielerterm) zat en niet alleen de snottebellen uit mijn neus liepen maar ook de tranen over mijn wangen — zowel van miserie als van het euforische gevoel dat ik straks de Ronde van Vlaanderen zou hebben gereden.

Soms dansen mooie nieuwe woorden je hoofd binnen net op het moment dat je ze nodig hebt. Ik dacht de voorbije dagen vaak terug aan mijn eigen Ronde en aan hoe ik na afloop alle remmen losliet bij, jawel, Frituur Bolero in Pittem: ik kon geen gezond voedsel meer rieken of zien. Terugdenkend aan dat frietbacchanaal kon deze tweet van Katrijn Van Bouwel op geen beter moment komen:

Ook bij mij kwam na de frietjestijd de frietjesspijt. ‘Frietjesspijt’ zou een algemene term kunnen worden voor het gevoel dat ons bekruipt wanneer we aan tafel ons boekje te buiten zijn gegaan. Maar misschien moeten we onszelf vooral het nodige frietjesspijtrespijt gunnen: wie vandaag een keer lekker vettig eet, krijgt door alle verbodstekens die ons voedsel omsingelen haast automatisch een schuldgevoel. Laten we een voorbeeld nemen aan wielrenner Peter Sagan, die daar geen last van heeft en na elke koers een pakje zure beertjes naar binnen werkt.

Sagan is een coureur naar mijn hart: in Gent-Wevelgem weigerde hij nog een trap te geven toen zijn medevluchters (onder wie Terpstra) aan het linkeballen gingen. Dat brengt me bij een ander mooi woord dat ik deze week ontdekte. Karel Van Wijnendaele, de vader van de Vlaamse wielerjournalistiek en stichter van de Ronde van Vlaanderen, schrijft in Het rijke Vlaamsche wielerleven (1943) dit over renner Jules Masselis: ‘Een levend beeld van Vlaamsche keikoppigheid!’

Het woord ‘keikop’ ken ik: in mijn West-Vlaamse heimat wordt het nog steeds veel gebruikt. Maar ‘keikoppigheid’ had ik nog niet gehoord. Sagan was er zondag een voorbeeld van, en moge de winnaar van de Ronde van Vlaanderen dat ook zijn. Als een Belgische keikop zich zonder gelinkebal een meester toont op de kinderkopjes en daarna in Oudenaarde de handen in de lucht gooit, geef ik me de rest van de avond zonder frietjesspijt over aan frietjestijd.