Opinie
Dirk Jacobs en Dimokritos Kavadias

De islam-enquête is een voorbeeld van hoe het niet moet

Dirk Jacobs is gewoon hoogleraar sociologie aan de ULB. Dimokritos Kavadias is docent methodologie aan de VUB.

3 Moslims bidden in de Grote Moskee in Brussel. ©Bas Bogaerts
Dirk Jacobs. ©rv

Betrouwbaar opinieonderzoek verrichten is niet makkelijk. De steekproeftrekking moet correct zijn, de deelnamegraad hoog, de deelnamebereidheid mag niet te hard afhangen van het onderwerp, de vraagstelling moet doordacht zijn en bij de analyse ken je het best iets van statistiek. Eens het onderzoek vertaald moet worden naar berichtgeving is het cruciaal de bevindingen correct weer te geven. Het kan op al die vlakken mislopen.

Dimokritos Kavadias. ©rv

Opinieonderzoek voeren bij een specifieke bevolkingsgroep, zoals de Belgische moslims, is een nog grotere uitdaging. Technisch complex, omdat een lijst van moslims om uit te selecteren (uiteraard) niet bestaat, moeten andere, gesofisticeerde technieken worden aangewend. Representativiteit nastreven is dan ook een arbeidsintensieve en dure zaak. Dat kunnen we uit onze eigen ervaring bevestigen. Net daarom stellen we ons grote vragen bij de waarde van het Ivox-onderzoek in opdracht van Humo en VTMnieuws, dat suggereert dat 20 procent van onze moslims begrip zou hebben voor de acties van IS. Een bevinding die zorgt voor een catchy headline, maar ook in schril contrast staat met het resultaat dat 92 procent geweld veroordeelt. Het hangt er dus maar van af welke vraag je stelt, blijkbaar.

Al stroken de cijfers totaal niet met onze eigen gegevens en terreinkennis, we willen hier voor alle duidelijkheid niets onder de mat vegen. We stellen ons wel vragen bij de manier waarop een zweem van wetenschappelijkheid wordt gecreëerd door met cijfers te goochelen. Wie uit is op kennis heeft nood aan transparantie over de manier waarop de steekproef werd gekozen, de wijze waarop de vragen zijn afgenomen en de keuzes die de respondenten werden voorgeschoteld. Niemand kan het ons duidelijk vertellen. We verzochten gisteren om inzage in de technische fiche, die naar verluidt eind deze week op de Humo-site verschijnt.

We vrezen het ergste. Er bestaat geen register waaruit men op willekeurige basis 500 moslims kan distilleren. Als dat bij Ivox wel zou bestaan, moet de Privacycommissie daar eens een hartig woordje gaan spreken. Pasten ze de onbetrouwbare sneeuwbalmethode toe? Ging men respondenten ronselen in moskeeën? Werkte men met zelfaanmelding? Het enige wat we tot nog toe konden afleiden, is dat het om een internetenquête ging. Hoe daar adequaat en representatief gerekruteerd werd, is ons een raadsel. Vooral omdat dit zo goed als onmogelijk is. Waar woonden de deelnemers? Hoeveel mannen, hoeveel vrouwen, en wat was de leeftijdsverdeling? Wat waren de precieze vragen en antwoordcategorieën? Een screenshot van de bevraging op internet toonde ons een zogenaamde dubbele negatie bij de 'begripsvraag', wat tegen de regels ingaat.

Share

We stellen ons vragen bij de manier waarop een zweem van wetenschappelijkheid wordt gecreëerd door met cijfers te goochelen

Gefascineerd als we zijn door cijfers, wordt wel eens vergeten dat de kwaliteit van opinieonderzoek staat of valt bij de gehanteerde werkwijze. De technische kant lijkt een beetje saai en wat aselecte steekproeven, betrouwbaarheidsintervallen en standaardfouten precies zijn, is ook voor veel universitair gediplomeerden niet steeds parate kennis. Transparantie daarover is van het grootste belang omdat peilingen ook invloed hebben op de publieke opinie en dus meer doen dan louter meten. Niet voor niets is het in België de geplogenheid om bij politieke enquêtes de technische fiche via Febelmar publiek te maken, zodat experten de waarde van peilingen kunnen beoordelen.

Toegegeven, allemaal vervelende technische vragen, maar laat die nu net cruciaal zijn. Zo lang daar geen duidelijkheid over is, hoort de enquête niet op de cover van een magazine te staan. Wel in de prullenmand. Of misschien als voorbeeld in de lessen onderzoeksmethodologie: hoe het niet moet.