Opinie
Ides Nicaise

Bijles steeds populairder? Dat is verontrustend

Ides Nicaise is onderzoeksleider bij HIVA en hoofddocent onderwijs en samenleving aan de KU Leuven.

2 Buitenschoolse coaching. "De overheid zou deze markt moeten reguleren." ©Getty Images/iStockphoto

De signalen over de forse groei van de buitenschoolse zorg (tutoring, studiecoaching, logopedie enz.) zijn verontrustend. Ze doen vragen rijzen over de effectiviteit van alle zorginspanningen van scholen en de overheid.

Ides Nicaise.

Elk kind heeft volgens de Verklaring van de Rechten van het Kind recht op onderwijs; het basisonderwijs is kosteloos en verplicht. In de rechtsleer wordt dit basisrecht geïnterpreteerd als een gelijk recht op effectief onderwijs, en dus niet alleen op toegang maar ook op maximaal resultaat. De uitdaging om dit recht voor elk kind te realiseren, ongeacht herkomst, gezondheid, leefomstandigheden..., is groot als men bedenkt hoe verschillend leerlingen aan de startlijn verschijnen, en hoe ongelijk hun talenten en leertempo zijn. Het antwoord is maatwerk, wat zich tijdens en buiten de klastijd vertaalt in een heel gamma aan ondersteunende middelen en diensten.

In het Vlaamse onderwijs krijgt het maatwerk vooral vorm in het zorgbeleid, in de eerste plaats door differentiatie binnen de klas, maar ook in het kader van het GOK-decreet (gelijke onderwijskansen), het GON (geïntegreerd onderwijs), ION (inclusief onderwijs) en het recente M-decreet voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften. Ondanks toegenomen middelen binnen het onderwijs doen nog steeds veel ouders een beroep op diensten buiten de school.

Share

Nieuwe sociale ongelijkheden kunnen ontstaan omdat sociaal sterkere gezinnen hun voorsprong proberen te maximaliseren

Mark Bray bestudeerde het fenomeen op internationaal niveau en doopte het 'schaduwonderwijs': het gaat inderdaad om diensten die buiten de school om worden verstrekt en rechtstreeks of onrechtstreeks dienen ter aanvulling of ondersteuning van het leerproces in het reguliere onderwijs. In die betekenis hoeft de buitenschoolse zorg niet per se verketterd te worden, zeker niet als het non-profitdiensten betreft die leerlingen uit kansengroepen ondersteunen. Het toenemend gebruik kan ook wijzen op een sterkere mobilisatie van ouders en verenigingen voor het onderwijs.

Vier concrete voorstellen

Er zijn echter ook uitwassen: ten eerste, wanneer commerciële bijlessen gebruikt worden in de onderlinge competitiestrijd tussen leerlingen. Het vermoeden rijst dat hierdoor nieuwe sociale ongelijkheden onstaan, niet alleen omdat de kosten van buitenschoolse hulpverlening voor lage-inkomensgezinnen moeilijk te dragen zijn, maar ook omdat sociaal sterkere gezinnen door middel van dergelijke diensten hun voorsprong proberen te maximaliseren en daardoor de druk op het reguliere onderwijs opvoeren.

Het rapport van Bray aan de Europese Commissie is ook in Vlaanderen niet onopgemerkt voorbijgegaan. Het leidde onder meer tot een debat in het Vlaams Parlement (juni 2011) over het belang en de mogelijke risico's van het fenomeen van 'schaduwonderwijs' in de commerciële en informele sfeer. Ook de Vlaamse Confederatie van Ouderverenigingen (VCOV) sprak haar bezorgdheid uit over de mogelijke nefaste effecten ervan op de kansengelijkheid in het onderwijs.

Een tweede uitwas is de trend tot therapeutisering en juridisering. Wim Van den Broeck e.a. stelden enkele jaren geleden vast dat 7,5 procent van de leerlingen in het Vlaamse basisonderwijs (10 procent van de laatstejaars) een diagnose van leerstoornis heeft. Dit onderzoek suggereert een 'overdiagnosticering' bij kinderen uit de middenklasse, meer nog dan bij kansarme kinderen. Dit kan kinderen blijvend stigmatiseren, maar leidt ook tot bekvechterij tussen ouders en leerkrachten over studieresultaten. Van den Broeck pleit voor een versterkte rol van de CLB's in het begeleiden van zorgprocessen, en als gatekeepers naar buitenschoolse zorg.

De vraag naar regelgeving is dan ook terecht. Ik besluit met vier concrete voorstellen:

1. Het is wenselijk dat het ministerie van Onderwijs een monitoring voorziet van het gebruik van buitenschoolse remediëring en zorg. In de begeleidende vragenlijsten van de PISA-toetsen zit een vraag hierover. Op die manier kan al om de drie jaar bij vijftienjarigen het gebruik gemeten worden.

2. Men kan niet verwachten dat de school de volledige verantwoordelijkheid voor elke vorm van zorg en remediëring op zich neemt. Maar zij zou ten minste moeten instaan voor de preventieve zorg en de 'basisremediëring' - terwijl meer uitgebreide en gespecialiseerde zorg door externe diensten kan worden verstrekt. Een wettelijke definitie en regeling zijn daarvoor noodzakelijk.

3. Wat de uitgebreide en gespecialiseerde remediëring en zorg betreft, lijkt het wenselijk dat de wetgever bepaalt in hoeverre de gemeenschap de kosten ten laste neemt. Vreemd genoeg hebben we in het basisonderwijs een zeer strenge regelgeving voor de gewone studiekosten (de fameuze maximumfactuur) maar zijn de kosten van remediëring en zorg daarin 'vergeten'. We kunnen vermoeden dat precies deze kosten voor heel wat lage-inkomensgezinnen het ondraaglijkst zijn.

4. De overheid zou de markt voor buitenschoolse diensten moeten reguleren. Onderwijs is immers een basisrecht dat niet aan een volledig vrije markt kan worden overgelaten. Commerciële diensten zijn niet uit den boze, maar moeten aan minimumstandaarden voldoen op het vlak van kwaliteit, toegankelijkheid en continuïteit.