column
Frederik De Backer

De laatste doodsreutels van een maatschappij in verval. McMiserie, met of zonder friet

Frederik De Backer schrijft elke donderdag over de grauwe wereld die we zo veel mogelijk proberen te negeren.

1 ©Stefaan Temmerman

Het kind had geen van beiden toebehoord. De ene man, die met zijn lui oog, maakte de kleuter vast in het kinderzitje op de achterbank, de andere trok nog eens aan zijn sigaret. Het portier werd dichtgeslagen, de peuk uitgestampt en de twee gingen de fastfoodtent binnen. Het joch bleef alleen achter. Geen van beide mannen had een erg geïnteresseerde indruk nagelaten. Wie weet wat het kind later die dag nog te wachten stond. Alvast niet de rotzooi die de ovens in deze keet om de zoveel seconden de wereld in braakten. Misschien maar goed.

Het ideale moment om een dergelijk vreethuis binnen te gaan is niet om drie uur ’s middags, wanneer de vetklomp die zijn lunchpauze het langst heeft kunnen rekken luid boerend afdruipt, maar vlak voor men sterft. Al was het maar om zich er finaal van te vergewissen dat waar men ook zal belanden, in de hemel of in de hel, hoe dan ook een betere plek is dan dit.

Een goor wijf schopte stennis aan de kassa omdat ze hamburgers zonder augurken had gevraagd en of de trut achter de kassa wel oren had. Stel je voor dat de zes achterlijke kinderen die ze achter zich aan sleepte eens iets groens door hun slokdarm zouden voelen glijden. Iets met wat voedingswaarde. Nee, vet, zout en suiker door een rietje hadden ruimschoots volstaan. En anders zou ze de trut weleens een toontje lager laten balken.

Share

Stel je voor dat de zes achterlijke kinderen die ze achter zich aan sleepte eens iets groens door hun slokdarm zouden voelen glijden. Iets met wat voedingswaarde

Haar aparte visie op de retorica en het volume waarop ze die tot uiting bracht, pasten merkwaardig goed bij het schetterende gepiep van de ovens. Een schelle samenzang gedrenkt in waardeloosheid. De laatste doodsreutels van een maatschappij in verval. McMiserie, met of zonder friet.

De twee mannen aten zwijgend hun nauwelijks afgedroogde dienblad leeg, het smakken slechts onderbrekend voor wat fijn, gaaf rochelwerk nu en dan. Een uur van leegheid was voorbijgegaan, toen ze het lawaai op de parking opmerkten.

De man met het luie oog had meer gegeven om de ingeslagen zijruit dan om het in ademnood verkerende kind.

De andere trok nog eens aan zijn sigaret.

nieuws

zine