Als afdankingspremies en opzegtermijnen te hoog zijn, zal een werkgever niet langer het risico willen nemen om jongeren aan te werven
Het Grondwettelijk Hof plaatste vorig jaar een tijdbom onder de regering. Op 8 juli e.k. moet de discriminatie in de arbeidswetgeving die de contracten van arbeiders en bedienden regelt, weggewerkt worden. Het meest heikele punt is het verschil in opzegtermijnen. Die zijn in de regel langer voor bedienden dan voor arbeiders. Een dergelijk verschil kan niet langer volgens het Hof omdat het een principe van gelijke rechten schendt. Een eenheidsstatuut voor alle werknemers, met als centraal element gelijke opzegtermijnen voor arbeiders en bedienden, is dan ook onvermijdelijk.
Dat de rechten van arbeiders en bedienden gelijkgeschakeld moeten worden, kan moeilijk betwist worden. De vraag is wat het effect zal zijn van die maatregel op het recht op arbeid van jongeren en ouderen. Wat ik betoog, is dat de lovenswaardige gelijkschakeling van de rechten van arbeiders en bedienden tot gevolg kan hebben dat het recht op arbeid van jongeren en ouderen nog ongelijker wordt.
Een van de meest opvallende fenomenen in Europa is het grote verschil in werkloosheid van jongeren en ouderen. In België is vandaag 22 procent van de jongeren werkloos, terwijl de werkloosheidsgraad van de hele actieve bevolking 8,5 procent is. De jongerenwerkloosheid is dus meer dan tweemaal hoger dan de algemene werkloosheid. Het feitelijke recht op arbeid van jongeren blijkt vandaag in België veel kleiner te zijn dan dat van de ouderen. In zuiderse landen is het probleem van de jongerenwerkloosheid nog dramatischer: in Griekenland, Spanje en Portugal is de werkloosheid van de jongeren nu meer dan 50 procent. Alhoewel de algemene werkloosheid er ook veel hoger is dan bij ons, blijkt daar ook dat de jongerenwerkloosheid in de regel tweemaal hoger is dan de algemene werkloosheid.
Een van de belangrijke oorzaken van de dramatisch hogere werkloosheid bij jongeren is het feit dat de jobs van de ouderen sterk beschermd zijn. Opzegtermijnen en afdankingspremies zijn begrijpelijke constructies om werknemers te beschermen. Maar als die beschermingsconstructies te hoog zijn, ontstaat er een groot probleem voor de nieuwkomers op de arbeidsmarkt.
Werkgevers die overwegen jongeren aan te werven worden geconfronteerd met een dubbele onzekerheid. De eerste onzekerheid heeft te maken met het feit dat de werkgever op voorhand niet weet of de kandidaat over de juiste motivatie en kunde beschikt. Een tweede onzekerheid is dat de werkgever de ontwikkeling van de verkoop niet kent. Het is dus mogelijk dat bij een terugval van die verkoop de aangeworven jongere opnieuw moet afgedankt worden. Als de afdankingspremies en opzegtermijnen echter te hoog zijn, zal die werkgever het risico niet willen nemen om die jongere aan te werven. Hij zal dat alleen willen doen als hij een tijdelijk contract kan aanbieden.
Het gevolg is dubbel. Veel jongeren blijven werkloos. Diegenen die dan wel een job vinden, krijgen een tijdelijk contract voorgeschoteld. De ouderen die gedurende goede tijden zijn aangeworven behouden dus hun job, terwijl de jongeren in het beste geval een broos (tijdelijk) werknemersstatuut verkrijgen. De feitelijke rechten op arbeid van jongeren en ouderen zijn dan heel verschillend.
Wat heeft dat te maken met het eenheidsstatuut van arbeiders en bedienden? De kans is groot dat, om tot zo'n eenheidsstatuut te komen, de afdankingspremies en opzegtermijnen van de arbeiders worden opgetrokken tot het niveau van de bedienden. Als dat gebeurt, zal het probleem nog acuter worden en zal de werkloosheid van jonge arbeiders structureel toenemen. De grotere gelijkheid in het statuut van arbeiders en bedienden zal dan afgekocht worden door een grotere ongelijkheid in het recht op arbeid van jongere en oudere arbeiders.
Hoe moeten we dit oplossen? De bedienden zouden een significante vermindering van afdankingspremies en opzegtermijnen moeten aanvaarden. Of ze daartoe bereid zijn, is zeer de vraag.
Paul De Grauwe