De tegenpartij plat uitdagen is niet de taak van een advocaat

Saskia de Coster is auteur van de romans 'Dit is van mij', 'Eeuwige roem' en 'Held'. 'Wij en ik' is haar jongste werk. Op maandag leest u wat haar zoal heeft beziggehouden.

©kos
 
Zelfs De Gelder had dat begrepen, die lachte zich een kriek.

Raar volkje, die advocaten. Bij leden van de advocatuurobediëntie heb ik wel vaker het gevoel dat ze toneelspelen. Of ze nu een bestolen paperclipverzamelaar of een De Gelder te verdedigen hebben, steeds is er die heilige verontwaardiging, dat opvlammende rechtvaardigheidsgevoel dat hen noodzaakt te reageren, geruggesteund door de wetten die hen overschot van gelijk geven. Met evenveel verve zou een advocaat een andere rol, die van tegenpartij of ontvreemde paperclip, kunnen spelen. Een tijdje geleden verdedigde strafpleitster Nina Van Eeckhaut nog twee moeders die hun baby gedood hadden, in het proces tegen De Gelder verdedigde ze de verzorgsters van Fabeltjesland waar De Gelder baby's en verzorgers neerstak. Uit dat soort paradoxen is een advocatenloopbaan opgebouwd. Obscure wetsartikels, achterpoorten, omwegen, lacunes, uitzonderingen op uitzonderingen: ziedaar het werkterrein der advocaten. Daar zie ik geen graten in.

Naast de vraag of De Gelder op zijn wenken bediend moest worden met zo veel aandacht in het mediacircus, zijn er nog een hele resem andere vragen te stellen, bijvoorbeeld bij de verdediging van de slachtoffers. Dat we weer overvloedig getrakteerd werden op kreupele metaforen genre Vermassens "een seriemoordenaar is als een mispel, hoe rotter hij is, hoe rijper hij is ... maar een mispel is goed" en idiote woordspelingen à la 'Kim de Gelder werd Kim de Vergelder', dat neem ik er nog graag bij (ik ben beroepsmisvormd in deze). Maar de platte retoriek van die pittige tante, de Gents gebekte Nina van Eeckhaut, bezorgde mij rillingen. Ze ontbond haar wildste duivels. Bij momenten leek het alsof zij zelf het immorele pantser van De Gelder had aangetrokken. "Vrouwen en kinderen eerst", schamperde ze. Niet vies van enige contradictie omschreef ze De Gelder nu eens als een irrationeel "roofdier zonder geweten", maar ook als "een veinzer", "een Hannibal Lecter-wannabe", "een verwend, verongelijkt manneke dat zich boven iedereen plaatste". Is hij nu een mens of niet? Een defecte mens, een machine, een dier of alledrie in één? In elk geval, Van Eeckhaut ontpopte zich tot EHBO-psychologe. Ze weerlegde de diagnose schizofrenie van de ouders en de tegenexperten. "De ouders blijven zich aan die diagnose vastklampen. ... Hij is toch zo ziek, ons Kimmeke. Maar dat is een waangedachte."

Haar kille ironisering toonde een enorme hardheid, met de uitspraak: "Je bent nog te laf om jezelf op te hangen", als memorabel orgelpunt. Na haar tirade constateerde de advocate voor de tv-camera dat die De Gelder waarschijnlijk zelfs dacht dat hij slimmer was dan "een simpel advocateke als ik". "Wie nederigheid veinst, overschat zichzelf", om het met Rik Torfs zaliger te zeggen.

Terwijl Van Eeckhaut net zo goed het verdriet van haar cliënten had kunnen verwoorden, juridisch omkaderen en verdedigen, viel ze De Gelder aan op een kille, simplificerende en banaliserende manier. Populistisch nam ze de gekwelde verontwaardiging als voornaamste drijfveer van de cliënt over met als niet onwelkom gevolg: bakken media-aandacht. Ik ben er bang voor. Een advocaat moet net in alle waan en irrationaliteit een lijn trekken, de wetten scherpstellen en duidelijk zeggen waar het op staat. De tegenpartij plat uitdagen is volgens mij niet de taak van een advocaat. Zelfs De Gelder had dat begrepen, die lachte zich een kriek.