'Villa des Roses' (Willem Elsschot)

Elke week bespreekt Dirk Leyman een boek uit de reeks 'Parels uit de Nederlandstalige literatuur' dat op zaterdag bij De Morgen aangeboden wordt. Deze week: 'Villa des Roses' van Willem Elsschot.

Willem Elsschot (1882-1960) heeft zijn debuutroman 'Villa des Roses' (1913) in amper drie weken uit zijn pen geschud. "'Villa des Roses' is spontaan geschreven, zonder erbij na te denken", zo stelde hij in 1956, al bleek er nadien toch oordeelkundig aan gevijld. Het ontstaan van dit licht-cynische melodrama hebben we te danken aan mejuffrouw Anna Christina van der Tak. Van der Tak was een collega van Elsschot, toen hij als chef-correspondent werkte bij de scheepstimmerwerf Gusto in Schiedam en spoorde hem aan om zijn verhalen over een Parijs' familiepension op papier te zetten.

Het in 1910 geschreven boek verscheen dankzij Cyriel Buysse pas in 1913 in afleveringen in het tijdschrift Groot-Nederland. Buysse was dolenthousiast: "Hier is met ongemeen talent, zonder de minste aanstellerij, zonder de minste woordkunstelarij beschreven het scherp-comische en schrijnend-tragieke van het alledaagsche leven in een Parijsche pension. T'is door en door vécu." Maar toen 'Villa des Roses' in boekvorm uitkwam, speelde de tijdgeest in Vlaanderen Elsschot parten: "De laconieke en exacte literatuur van Elsschot kon geen kans maken zolang het lyrisch-epische proza van Streuvels en het sappige, kleurige proza van Timmermans in trek bleven", noteerde R.F. Lissens. Pas veel later sloeg Elsschots uitgepuurde stijlregister aan.

In het Parijse pension de famille 'Villa des Roses' zwaaien meneer en vooral mevrouw Brulot de scepter. Elsschot laat er een eigenaardige galerij creaturen hun opwachting maken, zoals de gevoelloze Dr. Grünewald, de kindse mevrouw Gendron, de Noor Asgaard, de zwaarmoedige architect Gustave Brizard en huisaapje Chico. De bewoners raken al snel verzeild in geniepige intriges. De komst van het naïeve dienstmeisje Louise hitst de gemoederen nog meer op. Verrassend koel en als het moet sarcastisch legt Elsschot op weergaloze wijze het kleinmenselijke gewriemel bloot, met vaak onbedaarlijk komische typeringen. (Dirk Leyman)