Men zou een verhoging van de uitkeringen met de tijd kunnen verdedigen: na lange werkloosheid heeft men de uitkeringen het hardst nodig en zijn de financiële prikkels minder effectief
Met de aangepaste groeiverwachting (-0,1 % volgens de Nationale Bank) treedt de regering een tweede besparingsronde tegemoet. Daarbij ishet beperken van werkloosheidsuitkeringen in de tijd een van de klassieke denkpistes. Wil men dit debat genuanceerd voeren, dan moet men werkloosheidsuitkeringen opnieuw als een verzekering bekijken en het huidige discours over 'de juiste prikkels om te werken' en 'het vermijden van profiteurs' bijstellen. Bovendien moet men rekening houden met de vaak foutieve inschattingen van een werkloze situatie.
De politieke stellingnames over het werklozenbeleid zijn vaak ongenuanceerd. Uitkeringen worden vaak voorgesteld als een transfer eerder dan als een verzekering. Werkloosheidsuitkeringen zorgen inderdaad voor een transfer van werkenden aan werklozen, maar verzekeren iedereen tegen werkloosheid. Ook autoverzekeraars gebruiken de voorafbetaalde premies van alle verzekerden om alleen diegenen die schade hebben geleden te vergoeden. Zelfs voor de verzekerden die nooit schade hebben opgelopen, is het een goed idee geweest om een verzekering te kopen. Een vermindering van de uitkeringen gaat dus ten koste van verzekering, zelfs als het de werkloze meer financiële prikkels geeft om werk te zoeken. Zoals bij elk verzekeringscontract staat de overheid voor de moeilijke afweging tussen het verzekeren van een risico en het geven van voldoende prikkels om dit risico te vermijden of te verminderen. Uitkeringen zijn daarom terecht lager dan de lonen die ze vervangen, maar dit gaat onmiskenbaar ten koste van verzekering tegen werkloosheid. Op dezelfde manier gaat het verminderen van de uitkeringen voor langdurig werklozen ten koste van verzekering, namelijk verzekering tegen het risico van langdurige werkloosheid.
Populair
Waarom is het idee om juist die uitkeringen te verminderen dan toch zo populair? Een eerste argument is dat dalende uitkeringen werklozen aanzetten tot het zoeken naar werk met een minimaal verlies aan verzekering. Het idee is dat een werkloze die anticipeert over enkele maanden zijn uitkering te verliezen, vandaag al intensiever naar werk zoekt en mogelijk werk vindt vooraleer de uitkering te verliezen. De keerzijde van dit argument is dat de uitkeringen juist de grootste waarde hebben wanneer men na lange tijd nog steeds geen gepast werk heeft gevonden. Terwijl een korte periode van werkloosheid met eigen middelen kan worden overbrugd, is dat niet langer het geval bij langdurige werkloosheid.
Bovendien wordt een werkloze na een langdurige werkloosheid moeilijker geplaatst, onafhankelijk van zijn of haar zoekinspanningen. Deze keerzijde in acht genomen zou men dus ook een verhoging van de uitkeringen met de tijd kunnen verdedigen; na lange werkloosheid heeft men de uitkeringen het hardst nodig en zijn de financiële prikkels minder effectief.
Een tweede argument om uitkeringen in de tijd te beperken speelt in op het categoriseren van werklozen van goede of slechte wil. In de praktijk zijn deze moeilijk te onderscheiden, maar voor de werklozen die na een of twee jaar nog steeds niet opnieuw aan de slag zijn, is er een sterk vermoeden dat zij van slechte wil zijn. Zij zouden alleen maar werkloos zijn omdat de hoge uitkeringen dit mogelijk maken. Maar zouden uitdovende uitkeringen de gepaste oplossing bieden? Met het veranderen van het beleid verandert ook de selectie van werklozen van goede en slechte wil: de werklozen van slechte wil - zij die kunnen werken, maar niet willen en dus profiteren van de uitkeringen - zullen de werkloosheid verlaten zodra ze de uitkeringen die ze kregen, verliezen. Maar zij die werkloos blijven, zelfs na het verlies van hun uitkering door de tijdsbeperking, zijn werkloos buiten hun wil om. Opnieuw zorgt de beperking in de tijd ervoor dat zij die de uitkering het meest nodig hebben, het uiteindelijk zonder moeten doen.
Verwachtingen
Om het debat correcter te voeren moet men behalve met bovenstaande nuanceringen ook rekening houden met de verwachtingen van mensen over hun kansen om werkloos te worden en opnieuw een job te vinden en met het belang van hun eigen zoekacties. Mijn onderzoek toont aan dat wanneer werklozen gevraagd worden hoe lang het duurt voor ze weer aan de slag zijn, ze de uiteindelijke duur sterk onderschatten, zowel in economisch moeilijke als betere tijden. Deze onderschatting is waarschijnlijk nog meer uitgesproken wanneer werkenden gevraagd worden wat de kans is om hun job te verliezen en hoe lang het zou duren vooraleer ze werk vinden. Het onderschatten van een risico leidt natuurlijk tot het onderschatten van de waarde van een beleid dat je tegen dit risico verzekert. Misschien spelen politici hierop in.
Jammer genoeg vereisen te optimistische verwachtingen een tegengestelde reactie. Ten eerste worden werklozen die de mogelijke duur onderschatten minder afgeschrikt door het verlies van uitkeringen bij langdurige werkloosheid. Uitdovende uitkeringen zullen hen niet aanzetten om onmiddellijk na jobverlies intensiever te zoeken. Ten tweede zullen zij door hun optimistische verwachtingen ook minder voorbereid zijn op langdurige werkloosheid. Zij zullen sneller hun spaargeld aanspreken en minder geneigd zijn een snelle werkaanbieding te aanvaarden. Betere informatie en ondersteuning en een aangepast activeringsbeleid zouden hierbij kunnen helpen. Te meer daar werklozen die het zoeken uiteindelijk hebben opgegeven vaak de toegevoegde waarde van hun zoeken onderschatten.
Het percentage langdurig werklozen en dus de uitgaven aan werkloosheidsuitkeringen liggen hoog in België in vergelijking met de buurlanden. Verdere hervormingen van het werklozenbeleid - zowel wat de uitkeringen als wat het activeringsbeleid betreft - lijken nodig, maar de foutieve inschattingen ten aanzien van langdurige werkloosheid spelen in de kaart van het huidige politieke discours. Wil men als overheid echter instaan voor een degelijke verzekering tegen werkloosheid, dan moet men de gevolgen van bovenstaande factoren mee in de weegschaal durven te leggen.