COLUMN
OPINIE

De sociale partners gaan wel samen uit, maar komen al te vaak niet samen thuis

"Onze sociale partners trekken nog wel aan hetzelfde zeel, maar in tegenovergestelde richting: het is als een wedstrijd touwtrekken waarbij niemand een duimbreed toegeeft", schrijft topeconoom Koen Schoors.

©kos

Wat is het toch een mooi woord: partners. Het suggereert een gezamenlijk project waaraan allen proberen bij te dragen en waarbij allen belang hebben. Goede partners hebben minstens een goede verstandhouding, anders heeft het project geen kans van slagen. Rond het woord partner hangt een zweem van 'aan hetzelfde zeel trekken', een zachte lucht van 'samen uit, samen thuis', een suggestie van flexibiliteit en af en toe wederzijds water in de wijn, en de ander ook een overwinning gunnen, zelfs al vallen er intern al eens harde woorden.

Helaas is er de laatste jaren van dat alles niet veel meer te merken bij onze sociale partners. Ze gaan wel samen uit, maar komen al te vaak niet samen thuis, het water in de wijn is een druppeltje geworden en ze trekken nog wel aan hetzelfde zeel, maar in tegenovergestelde richting. Het is een wedstrijd touwtrekken geworden waarbij niemand een duimbreed toegeeft aan de ander.

Gelukkig hebben we nog de jury van de regering die keer op keer een uitkomst suggereert voor dit surrealistische spelletje surplacen. Deze keer waren het drie sterke rode vrouwen die het mannenbastion toch konden bewegen tot een compromis; de mannen kwamen daarover niet veel verder dan de belofte dat ze zich er niet al te hard of expliciet zouden tegen verzetten. Dat is in zeker mate een succes te noemen, maar dan wel voor de vrouwen in kwestie en de regering die ze vertegenwoordigen, eerder dan voor de sociale partners zelf. Die blijven immers grotendeels in hun loopgraven en onderwerpen zich aan het oordeel van hun achterban als motivatie voor de patstelling.

Het resultaat is dat de sociale partners al een aantal jaren flirten met de grenzen van de irrelevantie. Het moet niet veel gekker worden of ze kunnen bijgezet worden in het rijk gevulde museum met achterhaalde maatschappijvormen. Hoe is het zo ver kunnen komen?

Veel liefde lijkt er aan de sociale partners niet verloren te zijn gegaan, maar dat is het probleem niet. Goede partners hoeven niet van elkaar te houden. Ze hoeven alleen maar hetzelfde doel voor ogen te houden. Dat lijkt nu net het fundamentele probleem. Het eindeloze getouwtrek is allicht een symptoom van de afwezigheid van een gezamenlijk project. We zitten met een structuur die doelloos ronddobbert richting nergens. Daarvoor bestaan twee oplossingen.

De eerste oplossing is de structuur van het sociaal overleg zelf op te heffen. Dat lijkt mij niet echt een goede oplossing, maar het valt niet helemaal uit te sluiten. De tweede, en wat mij betreft veruit de beste, oplossing is een nieuw strategisch project definiëren waarachter alle sociale partners zich kunnen scharen, niet vanuit de reflex de verworden rechten maximaal te verzekeren, maar vanuit het geloof in een nieuwe doelstelling die ze samen willen bereiken met de blik gericht op de toekomst.

Hoe dit nieuwe project eruit moet zien, is momenteel niet duidelijk. Maar het is meer dan duidelijk dat we dringend onze sociale verhoudingen moeten aanpassen aan de uitdagingen die op ons afkomen, vanuit een open dialoog tussen alle partners. Voor deze nieuwe toekomstvisie mogen de sociale partners gerust de tijd nemen. Een kiem is te vinden in de gedeelde visie dat de belastingen op het loon veel te hoog zijn.

Stel je voor dat de sociale partners in het verkiezingsjaar 2014 met een concreet voorstel naar buiten zouden komen om de lasten te verschuiven van loon naar andere lasten, met als doel te komen tot een hogere participatie in de arbeidsmarkt, een eerlijker verdeling van de welvaart en een meer competitieve economie. Het zou pijn doen en water in de wijn vergen. Maar het kan.

Een dergelijk project zou de sociale partners weer helemaal in het midden van het debat plaatsen en de regering toelaten zich te focussen op de vele andere uitdagingen die liggen te wachten. Misschien ben ik aan het dromen. Maar de droom is de moeder van de werkelijkheid.