Treinreizen tussen Brussel en Londen zijn ideale momenten om te lezen. Zo ben ik beginnen lezen in de biografie van Keynes door Robert Skidelsky. Een klepper van meer dan duizend bladzijden, en uitermate boeiend.
Een interessante episode uit het leven van Keynes situeert zich bij het begin van de Grote Depressie in 1929-30. De Britse minister van Financiën nodigde de knapste economen van het land uit om hun licht te werpen op de bankencrisis en hoe die crisis de economie in een neerwaartse spiraal zoog. Keynes was de knapste van allen en zou de discussies, in wat het Macmillan Committee werd genoemd, domineren.
Het meest verbijsterende in de discussies binnen het Macmillen Committee is dat we ze bijna woordelijk naar vandaag kunnen overbrengen. Twee vragen beheersten die debatten. Eén: kunnen overheidsuitgaven, die gefinancierd worden door schuld, de economie stimuleren? Twee: moet de overheid een evenwicht op de begroting nastreven? Het antwoord van de klassieke economen op de eerste vraag was dat overheidsinvesteringen gefinancierd door schuld de economie niet stimuleren omdat ze gewoon in de plaats komen van private investeringen. In de taal van de economen heet het dat de multiplicator van overheidsinvesteringen nul is. Keynes viel deze stelling aan en argumenteerde dat, wanneer er werkloosheid heerst, met andere woorden: als niet alle productiefactoren gebruikt worden, de multiplicator positief is. Overheidsinvesteringen nemen dan niet de plaats in van private investeringen maar voegen toe aan het totaal.
De tweede vraag, (of de overheid in een neergaande economische conjunctuur moet streven naar begrotingsevenwicht?), leidde tot een tweespalt tussen dezelfde protagonisten. De klassieke economen stelden dat de Britse overheid zo snel mogelijk het begrotingstekort moest wegwerken. Dit zou opnieuw vertrouwen wekken in de financiële markten, met het gevolg dat de investeringen zouden stijgen. Op die manier kon de economische crisis gestopt worden.
Het verzet van Keynes was hier even uitgesproken. Het is in het kader van deze discussie dat Keynes zijn fameuze paradox of thrift formuleerde die ik in deze column al enkele keren heb besproken. Ter herinnering, in een recessie proberen consumenten meer te sparen. Als ze dat allemaal tegelijk doen zal dat niet lukken. De reden is dat de collectieve poging om meer te sparen, de nationale productie en dus het inkomen van diezelfde consumenten doet dalen. Als ze dan verwoed proberen meer te sparen, is het effect dat de economie in een neerwaartse spiraal terecht komt. Volgens Keynes moet de overheid hier een tandje toesteken door zelf minder te sparen, dus een budgettair tekort toe te laten.
In deze discussie schaar ik mij achter Keynes. Maar ik wil het hier niet verder hebben over de inhoud van dit debat. Wel over de vraag waarom wij economen in tachtig jaar nog altijd dezelfde discussies voeren. We voeren exact dezelfde discussies met exact dezelfde argumenten als in de jaren dertig van vorige eeuw. Het is alsof de economische wetenschap tachtig jaar heeft stilgestaan.
Om niet opnieuw boze reacties van mijn collega's uit te lokken wil ik er onmiddellijk aan toevoegen dat het gebrek aan consensus bij de economen zich vooral situeert in de macro-economie. In vele andere domeinen van de economie (micro-economie, milieueconomie, internationale handel, bij voorbeeld) is er wel degelijk vooruitgang en is er dus veel meer consensus.
Waarom is er geen consensus bij de macro-economen, en blijven die dezelfde discussies voeren van tachtig jaar geleden?
Hier zijn elementen van antwoord. Ten eerste zijn de macro-economische processen buitengewoon complex. Die processen zijn het resultaat van ingewikkelde interacties tussen economische rationaliteit, politieke en sociale wetmatigheden en collectieve emoties. Ik ken geen enkel model dat deze interacties op een bevredigende wijze in kaart brengt. Ten tweede, creëert onze onwetendheid over die complexe processen ruimte voor ideologische voorkeuren. Vermits het waarheidsgehalte van die ideologische voorkeuren niet op wetenschappelijke wijze kan vastgesteld worden, halen ze de bovenhand in vermeende wetenschappelijke discussies. En zo zijn de klassieke economen (inclusief de Europese Commissie en de ECB) diegenen die geloven dat het marktsysteem vanzelf naar een evenwicht tendeert. Al wat de overheid kan doen is de obstakels die de politiek heeft ingebracht om dat evenwicht te herstellen, weg te werken. Dit heet vandaag 'structurele hervormingen'.
De Keynesiaanse economen geloven eerder dat het marktsysteem kan leiden tot verschillende evenwichten. En sommige van die evenwichten zijn niet zo leuk. De overheid heeft een sturende taak om het marktsysteem naar het goede evenwicht te leiden.
Zo lang we het interne raderwerk van de macro-economische processen niet begrijpen zullen die discussies verder gevoerd worden. Voor iedereen die geniet van intense debatten is dat goed nieuws. Toch blijven we hopen dat, zoals Keynes zei, de macro-economie een wetenschap wordt als de tandheelkunde. Heel belangrijk voor het welzijn van de mensen, maar een beetje saai.
De econoom als tandarts
Paul De Grauwe is professor aan de London School of Economics.