23/03/09, 19u29
Het is nog te vroeg om de cijfers die parketten en politie produceren over de jeugdcriminaliteit, op een behoorlijke manier te interpreteren. Dat zeggen de vorsers van het Nationaal Instituut voor de Criminologie en de Criminalistiek (NICC). De eerste cijfers dateren pas van 2005 en er is geen vergelijkingsmateriaal voor de periode voordien. Bovendien zijn er een aantal factoren die een vertekend beeld kunnen geven, zoals een betere registratie in opeenvolgende jaren.
Te korte periode"Het is heel eenvoudig, tot 2005 was er geen cijfermateriaal over de jeugdcriminaliteit", zegt Charlotte Vanneste, afdelingshoofd van het departement criminologie van het NICC. "De verschillende bevoegdheden in verband met de jeugdbescherming en de jeugdcriminaliteit waren verdeeld over het federale en het gemeenschapsniveau en op geen van de niveaus werd er werk gemaakt van het databeheer. Pas in 2005 zijn we begonnen om onze achterstand op dat vlak in te halen. De paar jaar die sindsdien verstreken zijn, zijn een te korte periode om wetenschappelijk gefundeerde uitspraken te doen."
Vertekend beeldEen bijkomend probleem is dat in die eerste jaren de registratie van de jeugdcriminaliteit ook verbeterd is, wat een vertekend beeld kan geven, aldus de vorser. "Elke statistiek is afhankelijk van de manier waarop het cijfermateriaal wordt verzameld. In het begin was er bijvoorbeeld in de Algemene Nationale Gegevensbank te weinig aandacht voor de leeftijd van de verdachte van een misdrijf. Dat is aangepast, wat een stijging van het aantal feiten gepleegd door minderjarigen lijkt te veroorzaken terwijl die stijging er hoegenaamd niet was. Ook de cijfers die we vanuit de parketten krijgen, zijn gestegen, enkel en alleen omdat de registratie verbeterd is."
Wel nuttigDesondanks menen de vorsers van het NICC dat het cijfermateriaal dat er al is, wel zijn nut heeft. "Tot nu toe hadden we helemaal geen zicht op het aantal feiten dat door minderjarigen werd gepleegd, het soort feiten dat ze pleegden en welk gevolg eraan gegeven werd", zegt Vanneste. "Nu beginnen we een beeld te krijgen. In de toekomst zal het mogelijk zijn het beleid beter af te stemmen op het verzamelde cijfermateriaal, en zal het mogelijk zijn een objectief tegengewicht te vormen voor de soms emotionele reacties die door punctuele gebeurtenissen worden opgeroepen. Maar daarvoor moeten de cijfers wel op een correcte manier gelezen en geïnterpreteerd worden." (belga/sps)