De Staatsveiligheid wist niets over een mogelijke terreurdreiging tot de dienst op 21 december, de dag dat het terreuralarm werd afgekondigd, hierover werd ingelicht via het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (OCAD). Dat bleek gisteren op een besloten vergadering van de begeleidingscommissies voor de politie en inlichtingendiensten.
Het Crisiscentrum van de regering presenteerde op de vergadering een tijdstabel, waaruit blijkt dat het OCAD op maandag 17 december de eerste informatie binnenkreeg over een mogelijke terroristische aanslag in het centrum van Brussel, tijdens de feestperiode.
De Morgen vernam dat de informatie over het nieuwe netwerk in de entourage van de veroordeelde Nizar Trabelsi afkomstig was van de federale politie en het federaal parket.
Toezichtsonderzoek
"Wellicht beschikte de Staatsveiligheid gewoon niet over die informatie", zegt senator Tony Van Parys (CD&V). De redactie vernam voorts dat het Comité I, de parlementaire waakhond van de inlichtingendiensten, op 7 januari op eigen initiatief is gestart met een toezichtsonderzoek "over de wijze waarop de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst gebeurlijk hebben bijgedragen tot de analyse van de terreurdreiging tijdens de jaarwisseling". Lees: waarom had de Staatsveiligheid een slechtere informatiepositie dan de federale politie?
Naar de reden waarom op 21 december een verhoogd terreuralarm werd geactiveerd, alarm dat inmiddels werd afgezwakt maar nog steeds van kracht blijft, en de vraag of deze redenen gegrond waren, komt er geen onderzoek. Ook dat bleek tijdens vergadering achter gesloten deuren in de Kamer, waar de antiterreurdiensten uitleg verschaften over het terreuralarm aan de leden van de parlementaire begeleidingscommissies die toezicht houden op de politie en de inlichtingendiensten.
Over de elementen waarop het OCAD zich heeft gesteund om in de dagen voor kerstmis de hoogste alarmfase te laten afkondigen, kwamen de parlementsleden niets te weten. "Volgens de embargoprocedure, zoals voorzien in het KB dat de werking van OCAD regelt, hebben de federale procureur en de directeur van OCAD momenteel het monopolie op die informatie", zegt een deelnemer aan de vergadering. "We hebben niets vernomen over de oorsprong, noch over de inhoud van de informatie die geleid heeft tot het terreuralarm."
Uit de toelichting die gegeven werd door Jean-Claude Delepière, directeur van OCAD, en Jaak Raes, directeur van het Crisiscentrum van de regering, vernamen de parlementsleden enkel dat de dreiging "ernstig en concreet was, en lokaliseerbaar in tijd en ruimte". Omdat alle betrokken antiterreurdiensten tot dezelfde conclusie kwamen, hebben de meeste parlementairen de indruk dat "alarmfaze vier niet ten onrechte werd afgekondigd".
"Dit was een eerste, maar nog geen definitieve evaluatie", zegt een parlementslid. "We kregen een algemene beschrijving van de elementen die geleid hebben tot een verhoging van het alarmniveau, wat ons toelaat om ons een beeld te vormen van de inlichtingen waarop men zich heeft gesteund. De parlementaire begeleidingscommissies besloten om geen verdere onderzoeksopdrachten te geven aan de Comités P en I."
Diverse parlementsleden, zoals Anne-Marie Lizin (PS), Jean-Marie Dedecker (LDD) en Josy Dubié (Ecolo) hadden nochtans aangedrongen op zo'n onderzoek.
"Mijn indruk is dat zowel de operationele diensten als de politieke verantwoordelijken goed gefunctioneerd hebben", zegt een ander parlementslid. "Er hing geen revolte in de lucht, wij zijn grotendeels gerustgesteld. Het KB op de werking van het OCAD voorziet nu eenmaal embargoprocedures. Daar moeten we als wetgevende macht achteraf niet over jammeren. Ik heb er ook geen probleem mee dat men voor een welbepaalde beperkte tijd dergelijke informatie niet openbaar maakt, in functie van het nut voor de openbare veiligheid.
Het mag echter geen mentaliteit worden van: hoe minder ze weten, hoe beter. De burgers, de media en het parlement hebben recht op goede informatie. Op een bepaald moment moet er verantwoording worden afgelegd - en dat is nu gebeurd. De termijn van zo'n embargo mag niet te lang zijn. Discretie mag nooit een belemmering zijn voor de democratie, tenzij de kwaliteit van de democratie door zo'n tijdelijke discretie wordt verbeterd. Wie beweert dat de democratie gediend wordt door eeuwig te zwijgen, heeft ongelijk." (Georges Timmerman)

© De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.