01/07/09, 17u12
Muziekjournalist Bart Steenhaut is straks voor de
vijfentwintigste opeenvolgende keer van de partij op Rock Werchter. Hij blikt terug op de evolutie van het festival dat een onuitwisbare impact op zijn leven heeft gehad. Voor én achter de schermen.Ik moest nog veertien worden toen ik voor het eerst de weide van Rock Werchter betrad. Het was de zomer van 1985 en ik herinner me die dag als een Groot Moment. Niet alleen omdat ik op het punt stond om voor het eerst in mijn leven échte concerten te zien - waaronder R.E.M., Depeche Mode en U2 - maar meer nog omdat het festival in mijn hoofd toen al mythische afmetingen had aangenomen. Ik woonde anderhalf dorp verderop, in het ook toen al voltijds ingedommelde Baal, en als de wind goed zat en thuis het venster openstond kon je zelfs daar perfect horen wie er op het podium stond.
Op die manier was ik twee jaar eerder al eens gewekt door The Scabs, en had ik gemerkt hoe 'Shock The Monkey' van Peter Gabriel zomaar de slaapkamer kwam binnengewaaid. Toen de zomer nadien één van mijn andere helden - Simple Minds - een paar kilometer verderop 'Waterfront' inzette en die pompende bas opnieuw thuis aanklopte, nam ik me voor om er de volgende keer zelf ook bij te zijn.
Het feit dat ik hen wel kon horen maar niet zien, scherpte mijn verbeelding zodanig aan tot je je eraan kon snijden. Dat Herman Schueremans al die grote sterren zomaar naar een klein Vlaams dorpje lokte, dat op de koop toe deel uitmaakte van mijn dagelijkse biotoop, vond ik ronduit hallucinant. Ik weet nog dat we toen vaak over de Haachtsesteenweg reden, en ik vanop de achterbank naar De Weide tuurde waar het die ene zondag in het jaar allemaal gebeurde. Het valt vandaag - na de zoveelste oeverloze discussie over de prijs van drankbonnetjes of het boeken van Milk Inc. - nog nauwelijks te geloven, maar in die tijd was Herman Schueremans een volksheld die door hele generaties op handen werd gedragen.
Rock Werchter was toen nog de helft van T/W, een dubbelfestival met de dag voordien exact dezelfde affiche in Torhout. Er was toen maar één podium, met een groep of acht die stuk voor stuk dat jaar Iets Van Betekenis hadden gedaan. Voor Belgische bands was openen op T/W het allerhoogste. Een prestigezaak die aanzien van het publiek, en jaloezie van de concurrentie opleverde. Vlaamse muzikanten moesten braaf zijn, niet te veel geld vragen en - nog het moeilijkste wellicht - vroeg uit hun nest kunnen. In 1985 was er kennelijk geen enkele Belgische act die aan al die voorwaarden voldeed, dus mochten de Ramones beginnen. Ik kan me de opwinding van toen nog perfect voor de geest halen. Ook al zag ik in de verte niet meer dan wat bewegende stipjes op het podium, leek elke song 'One two three four' te heten en klonken alle nummers eender. Dat was punk, toen, en dus cool. En ook een kwarteeuw geleden stond er - met Depeche Mode - al een groep op de affiche die controverse opriep. Want een synthesizergroep op een rockfestival, dat kon niet. Althans: niet volgens de stijlfascisten van de media.?
In de late jaren tachtig waren er nauwelijks zwakke edities, en ook de namen die kwamen hadden zonder uitzondering de vinger aan de pols. Sinéad O'Connor, Eurythmics, Peter Gabriel opnieuw, The Triffids, Paul Simon, Sting... allemaal stonden ze op het toppunt van hun kunnen. Allemaal, behalve Bob Dylan. Het jaar dat hij voor afsluiter The Cure het podium op moest speelde hij één van de allerslechtste optredens die ik ooit in mijn leven heb gezien. Grillig. Vals. Ongeïnteresseerd. Irritant. Zelden iemand zo z'n eigen songs een mes in de rug zien steken. Ik nam me ter plekke voor om nooit nog naar één van zijn concerten te gaan kijken. Gelukkig heb ik me daar niet aan gehouden.
Telefoon met twintigfrankstukkenAls toeschouwer fantaseerde ik net als iedereen over hoe de backstage van Werchter eruit zou zien. Het eerste jaar dat ik het festival als journalist recenseerde, kreeg ik daar maar deels een idee van. Ik stond - ook toen al - te kijken van de overweldigende hoeveelheid vips, die netjes hun eigen ruimte kregen toebedeeld. Maar het artiestendorp kreeg ik niet te zien. Veel faciliteiten voor de media waren er toen overigens ook niet. Er stond één telefooncel vanwaar journalisten hun verslagen naar de redactie konden doorbellen. Die werkte - I kid you not - op twintigfrankstukken. Op het moment dat de deadline naderde was het er steevast aanschuiven, werd er koortsachtig naar pasmunt gezocht. Dat heeft tot zowat 1995 geduurd.
Het festival dat nu met een haast achteloze nonchalance het beste ter wereld wordt genoemd, komt van ver. Wie overigens denkt dat de aanwezige journalisten er bedolven worden onder oesters, champagne en schaars geklede hostesses: think again. Vaak moet er door de werkende media flink gezeurd worden voor er in de perscontainers een fles plat water op tafel komt.
Dat neemt niet weg dat het festival zijn reputatie verdient. Vergelijk de namen op de affiche met die van eender welk ander festival, en Rock Werchter hoort bij de absolute wereldtop. Bovendien schetsen de affiches jaar na jaar een haarscherp beeld van de tendensen in de popmuziek. In de jaren tachtig regeerde het politieke engagement, nadien volgde de doorbraak van de grunge en nog later merk je - met Faith No More, Metallica, Rage Against The Machine en Sepultura als voornaamste voorbeelden - een verschuiving naar metal en harde gitaarrock. Dance-acts als The Prodigy, Chemical Brothers en Underworld luidden een verbreding in, er worden uitstapjes richting wereldmuziek en hiphop gewaagd, en wat eerder ondenkbaar was, wordt langzaamaan vanzelfsprekend. Nadat concurrent Belga Beach als eerste Belgische groepen als Vaya Con Dios, K's Choice en dEUS prominente podiumplaatsen aanbiedt, ruimt ook T/W meer plaats in voor lokaal talent. Het festival groeit ook.
In 1995 speelt een ronduit fantastische Jeff Buckley het allereerste concert op het nieuwe tweede podium. Een jaar later komt er een festivaldag bij. In 1998 is de opkomst in Torhout zo desastreus dat - zeker de eerste dag - haast iedereen in de frontstage kan. Het wordt meteen de laatste editie van het dubbelfestival, al komt er in Werchter wel een derde festivaldag bij. En sinds 2003 duurt de marathon vier dagen.
Groepen komen en gaan sneller dan ooit tevoren. Wat is er in godsnaam van Clawfinger of Senser geworden? En wie waren The Customers, een groep die op de koop toe niet eens kwam opdagen. Herinnert iemand zich Reef of Cree Summer nog? Daar staat tegenover dat er op het palmares van Rock Werchter weinig namen ontbreken. Op Nirvana na, uiteraard. Maar dat was een geval van overmacht.
Uit de backstage gegooidDe business verandert. Carrières worden korter, bands die meerdere generaties aanspreken sterven uit. En de gages barsten uit hun voegen. In 1985 kreeg U2 voor de twee optredens op T/W een kleine twintig miljoen Belgische frank. Vandaag vangen de headliners voor één concert moeiteloos het dubbele. In de muziekbusiness ligt de klemtoon nu vooral op de laatste drie lettergrepen, en met de professionalisering is ook de romantiek verdwenen. De pasjes van vroeger zijn anonieme bandjes geworden waar cijfers bepalen waar je wel en niet mag komen.
En voor journalisten is Rock Werchter vooral vier dagen keihard werken. Met veel heen-en-weergeloop, strak gespannen zenuwen, geïmproviseerde interviews, deadlines die in je nek hijgen en vooral weinig, héél weinig slaap. Alsof je vier dagen non-stop de ene espresso na de andere achterover slaat. Tel daarbij nog de concerten die elkaar opvolgen als een losgeslagen trein, en je kan alleen besluiten dat Rock Werchter zowel fysiek als mentaal een uitputtingsslag is, een oefening in masochisme.
SurrealismeEn toch vind ik het erger om er niét bij te zijn. Sinds die eerste keer in 1985 heb ik geen enkele editie gemist. Ook al heb ik jaren aan de andere kant van de wereld gewoond. Had ik soms het geld niet om er als tiener naartoe te gaan, en waren er zomers dat de affiche wat zwakker uitviel. En al bij al blijven er toch een hele reeks goéie momenten bij. De regenboog die tijdens het concert van Radiohead boven het podium verscheen. De magische optredens van Paul Simon en Massive Attack. De flessenregen toen Sting 'Message in a Bottle' inzette. Het kippenvel tijdens de eerste passage van Arsenal. De explosieve Pyramid-passages van Franz Ferdinand en Bloc Party. De krop in de keel tijdens Kraftwerk. Of de metamorfose van Coldplay, eerst nog een schuchter groepje dat - een paar weken voor de tweede cd verscheen - plots als een zelfverzekerde, volwassen groep het podium opstapte, acht nummers speelde die niemand ooit eerder had gehoord en niettemin toch de weide plat kreeg. De talloze We Come 1-momenten van Faithless, Björk die als een elf over het podium zweeft,... de lijst is bijna eindeloos.
De eerste keer dat ik het artiestendorp binnensukkelde was om de Beastie Boys te interviewen, de headliner dat jaar. Drie volwassen enfants terribles die plots heel aardig werden toen ze in de gaten kregen dat ik hun nieuwe cd al had terwijl ze hem zelf nog moesten ontvangen. Een andere keer vroeg Michael Stipe of ik hem naar het zijpodium wilde begeleiden, waar zijn vriend Jeff Buckley op zou treden. Ook het indrukwekkende beeld van The Cure die - traag, alsof ze achter een denkbeeldige lijkkist liepen - van hun kleedkamer naar het podium schreden, staat glashelder op mijn netvlies gebrand. En de keer dat de stomdronken zanger van New Order tijdens mijn interview met Kraftwerk kwam binnenvallen zal ik ook niet licht vergeten. Beiden hebben de soundtrack bij mijn leven geschreven, maar het ontluisterende beeld van een compleet doorzopen Sumner die zijn held - een doodgegeneerde Ralf Hütter - aanklampt was net daarom van een soort surrealisme waar Magritte met geen geweld tegenop kan. In diezelfde categorie ben ik twee jaar geleden samen met Pixies-legende Frank Black uit de backstage gegooid door de boertige entourage van Metallica. En kwam Adam Duritz van Counting Crows me vorige zomer spontaan zeggen dat hij het een eer vond om in De Morgen te staan. No offence, maar dat kom je als loketbediende bij de bank niet tegen.
En precies daarom zal het donderdagmiddag toch weer een speciaal gevoel zijn om de weide op te lopen. Niet omdat Rock Werchter per definitie het gezelligste festival is, maar omdat de adrenalinekick de hele zomer geen moment groter wordt dan die vier dagen. En ook: omdat het geluid voor het podium zoveel beter is dan wanneer het kilometers verderop zomaar je slaapkamerraam komt binnenwaaien. Zonder die eerste keer in 1985 had ik dat niet geweten, en was ik wellicht nooit popjournalist geworden.