De zaak Mark V. had allang oud nieuws moeten zijn

05/04/12, 08u21

Waarom hebben we vijf jaar moeten wachten, vraagt Yasmin Van Damme zich af. Van Damme is assistent internationaal strafrecht aan de UGent. Ze schrijft momenteel een doctoraat over mensenhandel, seksuele en economische exploitatie.

  •  
    Er was genoeg wettelijke ruimte voor snelle actie in deze zaak

Hoe is het mogelijk? Dat is het eerste dat bij ons opkomt als we lezen over een dramatische zaak van kindermisbruik die vijf jaar geleden al door Braziliaanse overheden werd getipt aan onze eigen overheden en waar men nu pas, vijf jaar te laat, de ernst van ontdekt. Deze zaak roept prangende vragen op: Hoe is het mogelijk dat België pas na vijf jaar het fijne van deze zaak ontdekt? Wat is er in tussentijd gebeurd? Moest België wachten op medewerking van Brazilië vooraleer men iets kon ondernemen? Waarom hebben we Mark V. niet gewoon direct uitgeleverd aan Brazilië als men ons hierom vroeg? Hoewel op de meeste van deze vragen het sluitend antwoord zal moeten blijken uit details van het onderzoek, zijn een paar eerste beschouwingen op hun plaats.

De jongste decennia is de kwestie van seksuele uitbuiting van minderjarigen in al zijn vormen hoger en hoger op de internationale politieke agenda geplaatst. Niet alleen op niveau van bijvoorbeeld de VN en de EU werden belangrijke stappen gezet in de strijd tegen kindermisbruik, uiteraard hebben dramatische gebeurtenissen in België ervoor gezorgd dat in eigen land de strijd tegen deze fenomenen de hoogste prioriteit kent. Men zou dus redelijkerwijs kunnen verwachten dat wanneer Belgische autoriteiten nog maar een beetje lucht krijgen van een mogelijke zaak van kindermisbruik, het onmiddellijk 'alle hens aan dek' zou moeten zijn. Het excuus blijkt voorlopig te zijn dat Brazilië niet echt wou meewerken, maar zo gemakkelijk komt men er niet van af.

België sloot al in 1953 een uitleveringsverdrag met Brazilië, waarin beide landen zich verbinden tot uitlevering als de andere partij hierom vraagt. Echter, in dit verdrag wordt specifiek overeengekomen dat noch België noch Brazilië verplicht zou zijn om eigen onderdanen aan elkaar uit te leveren. Zoals vaak het geval is in dergelijke verdragen, wordt aan die uitzondering wel een bijkomende voorwaarde gesteld: als men zijn eigen onderdaan niet uitlevert, moet de 'opgeëiste' persoon wel in eigen land worden vervolgd en gevonnist.

Door een dergelijke voorwaarde in het verdrag op te nemen, doen beide partijen aan elkaar de belofte dat ondanks het feit dat men mogelijk niet zal uitleveren, het belang van het andere land toch altijd zal worden behartigd doordat men zelf een volledig onderzoek zal doen, ook naar de feiten die in het buitenland zijn gepleegd.

Daarnaast is het ook een algemeen wettelijk principe, buiten de context van internationale en bilaterale verdragen, dat België bevoegd is om gelijk wie te vervolgen voor seksueel misbruik van minderjarigen in al zijn vormen, zelfs indien deze feiten zijn gepleegd in het buitenland en zelfs indien de feiten gepleegd zijn door buitenlanders. Met dit soort 'universele bevoegdheid', die trouwens zo goed als onvoorwaardelijk is, beoogt België een voortrekkersland te zijn in de strijd tegen kindermisbruik in al zijn vormen, waaronder kinderporno.

Met andere woorden: Belgische autoriteiten konden onmiddellijk na de ontvangst van het uitleveringsverzoek een eigen onderzoek beginnen naar Mark V, op basis van zowel eigen als internationaal recht. Dat men enkele jaren stil zou hebben gezeten omdat de Braziliaanse autoriteiten niet reageerden op de vraag naar meer details over de zaak, vormt geen geldig excuus. België kon de zaak niet alleen zonder probleem overnemen, België moest dat ook doen op basis van het veelgebruikte principe in grensoverschrijdende zaken: 'ofwel leveren we uit, ofwel zoeken we het zelf uit'.

Niet alleen was er wettelijke ruimte voor snelle actie in deze zaak, de 'tools' voor internationale opsporing van kindermisbruik en zeker voor kinderpornografie zijn ook ten volle beschikbaar (zonder hiermee te willen beweren dat Belgische autoriteiten deze tools niet hebben benut). Zo is er de International Child Sexual Exploitation Image Database die door Interpol wordt beheerd. Landen die aangesloten zijn bij deze database, waaronder België, leveren hier gevonden kinderpornografisch materiaal voor aan om slachtoffers en/of daders te identificeren. Deze tool is van onmiskenbare waarde in grensoverschrijdende zaken zoals deze. Talrijke initiatieven zijn sinds het eind van de jaren '90 ontwikkeld in België, uiteraard onder invloed van de zaak-Dutroux, met als ultieme doel de snelle, efficiënte en succesvolle opsporing en vervolging van kindermisbruik in al zijn vormen.

Uiteraard moet onderzoek uitwijzen wat de reden is geweest voor het gebrek aan vooruitgang in deze zaak. Echter, op basis van wat vandaag bekend is, lijkt een periode van vijf jaar hallucinant. Niet alleen bestond de wettelijke ruimte en zelfs verplichting voor het snel overnemen door België van deze zaak, de 'gereedschapskist' voor opsporing en vervolging is in België in ruime mate voorhanden.

Het wordt afwachten op precieze details van het onderzoek en van de concrete omstandigheden waarin dit onderzoek is gevoerd, vooraleer we een antwoord zullen kunnen formuleren op de vraag: Hoe is het toch mogelijk?

mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...

Jouw mening?

De beste reacties verschijnen in de krant

Aan het laden...