06/06/09, 09u37
-
Het is de zoveelste paradox: de misnoegde kiezer, op zoek naar een duidelijker en radicaal beleid dat zo veel mogelijk zijn eigen grote gelijk moet weerspiegelen, verdeelt zijn stem en creëert zo een nooit eerder zo versnipperd politiek landschap, wat het nemen van duidelijke beleidsopties alleen maar moeilijker maakt
Het hoort tot de rijke politieke folklore die aan verkiezingen voorafgaan: het schooldebat. Dit jaar vroeg ik steevast aan de 18-jarigen die voor het eerst zouden stemmen of ze ook zouden gaan als ze er niet toe verplicht waren. Niet eens de helft zou de moeite nemen, en ook na afloop van het debat steeg dat percentage nauwelijks. Tweede vaststelling: alle aanwezige politici moesten zorgvuldig opletten dat ze elkaar niet van het podium duwden, wegens met heel veel.
Het eerste zegt veel over de matige relevantie die de kiezers nog aan de politiek toekennen. Ook al beloven alle politici alle mogelijke snoepjes, ook al praten ze zich de blaren op de tong om toch maar te bewijzen dat politiek belangrijk is en iedereen raakt, de respons blijft ijzig. Hooguit vindt men Bart De Wever grappig en Jean-Jacques De Gucht wel leuk voor een avondje stappen, maar hun politieke boodschap blijft hoog boven de hoofden hangen.
Hetzelfde maak je mee wanneer je met de politici de markten afloopt: de campagne liep voor geen meter, spontane discussies bleven uit, hooguit werden de foldertjes zorgvuldig twintig meter verder op straat gedumpt. Politici konden zich ditmaal enkel aan de warmte van hun eigen militanten koesteren, de rest van de samenleving bleef er ijzig bij.
Ongerust, onbehaaglijk en misnoegdDe politieke klasse is voor een stuk haar vermogen kwijt mensen te raken of te begeesteren. Dat heeft voor een stuk te maken met de feitelijke onbestuurbaarheid die dit land en haar federale regering al twee jaar in een houdgreep houdt. En vooral met het gegeven dat men daar voorlopig weinig van merkt: de pensioenen worden uitbetaald, de treinen rijden, door de stilvallende inflatie heeft men zelfs de indruk iets meer koopkracht dan vorig jaar te hebben. En zolang je zelf je job niet kwijt bent valt het met die crisis ook blijkbaar nog allemaal mee.
Dat zich in stilte een nieuw en indrukwekkend begrotingstekort opbouwt, dat ooit zal moeten afbetaald worden, dat we geen idee hebben hoe we de kosten van de verzorgingsstaat gaan kunnen blijven financieren met een steeds kleinere actieve bevolking, dat zijn verre onweerswolken die niet eens worden waargenomen. Hooguit uit zich een gevoel van niet eens zorgvuldig geformuleerd algemeen onbehagen, de wet van de 'culture of contentment'.
Mensen die nog alles te verwezenlijken hebben, zijn meer geneigd om zich samen te organiseren, een langetermijnperspectief te houden, en te geloven in de toekomst. Ze zijn, ook al is hun reële economische situatie niet florissant, hoopvol dat de toekomst beter wordt, en hebben geloof in een politieke elite die hun naar die toekomst zal leiden. Eenmaal ze echter het niveau van hun verwachting min of meer bereikt hebben, worden ze bang te verliezen wat ze opgebouwd hebben, verlaten ze de groep in ruil voor de eigen veilige cocon, die verdedigd moet worden tegen wie er een bedreiging voor vormt, of die nu ten zuiden van de taalgrens leeft of vanuit een ver land in onze steden is komen wonen.
Ook al zijn ze veel en veel rijker en welvarender dan hun ouders en grootouders, ook al genieten ze van één van de beste sociale zekerheidssystemen ter wereld, van één van de beste onderwijsstelsels, toch loopt men ongerust, onbehaaglijk en misnoegd rond. Ze verwijten de elite dat deze niet langer in staat is nieuwe hoop, nieuwe alternatieven te bieden. Sterker, dat ze niet eens meer in staat is het verworvene te beschermen. Alles wat we hebben is vanzelfsprekend, een verworven recht dat wij hebben opgebouwd; alles wat fout loopt is niet onze verantwoordelijkheid, maar uitsluitend op het conto van een falende overheid te schrijven.
Het is een mentaliteit waarin de maatschappelijke elite uitgespuwd wordt, en niet langer het vermogen heeft om een bredere massa te leiden.
Het is de zoveelste paradox: de misnoegde kiezer, op zoek naar een duidelijker en radicaal beleid dat zo veel mogelijk zijn eigen grote gelijk moet weerspiegelen, verdeelt zijn stem en creëert zo een nooit eerder zo versnipperd politiek landschap, wat het nemen van duidelijke beleidsopties alleen maar moeilijker maakt. Men krijgt zondag net het omgekeerde van waar men voor stemt : duidelijkheid en radicaliteit.
Politici dragen in deze zelf ook een moordende verantwoordelijkheid. Want ook al luidt één van de slogans: het gaat om uw job, niet om de mijne, de kiezer weet perfect dat het niet klopt. Politiek is stilaan een onmenselijk overlevingsgevecht geworden, waar om de haverklap naar de gunst van de kiezer moet worden gehengeld. Dat levert noodgedwongen een permanente verkiezingskoorts op, waarin men noch de tijd, noch de concentratie vindt om ook nog aan beleid toe te komen. Waarin het overleven en/of het resultaat van de eigen partij het nec plus ultra worden van ieder politiek handelen, waarin de partij zelf het doel van het politiek handelen wordt en niet langer het middel is om politiek te bedrijven.
Misschien zijn gescheiden verkiezingen voor het federale en het regionale niveau een goed idee voor landen met veel deelstaten, zoals Duitsland, maar in België werken ze niet. Ten eerste omdat geen hond weet waar de verschillende bestuursniveaus voor bevoegd zijn: in deze campagne werden naadloos regionale en federale bevoegdheden door elkaar gehaspeld, ook in de tv-debatten, terwijl de echte bevoegdheden van de Vlaamse regering vaak onderbelicht bleven. Ten tweede, omdat de logica erachter niet blijkt te kloppen. Het uit elkaar trekken van de verkiezingen had immers de bedoeling een andere politieke dynamiek te creëren op de regionale niveaus, daar andere coalities mogelijk te maken, te vermijden dat de regionale verkiezingen al te zeer in de schaduw van nationale verkiezingen zouden vallen.
Het omgekeerde is het geval: vanaf maandag zal blijken dat er wel degelijk een onlosmakelijk verband is tussen beide, of je de verkiezingen nu apart organiseert of niet. Wanneer in Wallonië hetzij de MR hetzij de PS uit de boot valt bij de regionale coalitievorming, dan kan het niet anders of dat zal ook zijn gevolgen hebben voor de regering Van Rompuy. Ofwel gaan we daar naar een regeringswissel, ofwel naar vervroegde verkiezingen in het najaar. Maar ook als dat niet gebeurt, zijn de volgende verkiezingen weer gepland voor 2011, wat de federale regering hooguit nog één jaar geeft om een begrotings- en relancebeleid op poten te zetten. Wel, niemand kan dat, op zo'n korte termijn.
Geen tijd om plooien glad te strijken
Het Belgische model is van 1830 tot nu een pacificatiemodel geweest. Ook al waren in het verleden de tegenstellingen veel groter, en leidden ze tot veel massaler maatschappelijk ongenoegen en straatprotesten dan nu, telkens werd toch uiteindelijk een oplossing in de vorm van een compromis bereikt. Democratie was een georganiseerd meningsverschil, dat zijn uitkomst vond in onderhandeling en een afweging van wederzijds gerespecteerde belangen. Of het nu ging om sociaal-economische, levensbeschouwelijke of communautaire breuklijnen, telkens was de politieke elite in staat een voor iedereen aanvaardbaar compromis uit te dokteren.
Maar zo'n compromissen vragen tijd en een redelijke termijn om bedacht en uitgevoerd te worden.
In een politieke arena waarin permanent dezelfde twintig topfiguren uit de Wetstraat het telkens weer tegen elkaar moeten aflappen, verdwijnt het wederzijdse respect om tot zo'n oplossingen te komen: de verzuring van de onderlinge relaties heeft nooit zo'n hoge PH-waarde bereikt. En voor de plooien gladgestreken kunnen worden, staan de volgende verkiezingen er weer aan te komen. Hoe meer ze door de kiezer gedwongen worden met hun eigen overleven bezig te zijn, hoe meer ze daar door diezelfde kiezer op afgerekend worden: want het wanhopig spartelen is weer een bewijs "dat die mannen in Brussel alleen met zichzelf bezig zijn" en iedere voeling met de samenleving verloren hebben. Dat permanente gekrakeel straalt dan weer af op de politiek als geheel, die zelden zo'n lage vertrouwenscijfers heeft gekregen, vormt een impuls voor radicaler stemgedrag, dat op zijn beurt weer de onbestuurbaarheid vergroot. Het is een vicieuze zelfvernietigende spiraal, die maar niet doorbroken geraakt.
Zondagavond zullen de tenoren elkaar in de ogen kijken, beseffen dat ze verworden zijn tot een stoet van dwergen, aan nog moeilijker coalitiegesprekken beginnen en al stilaan in het achterhoofd houden dat de volgende verkiezingen nog maar twee jaar verwijderd zijn.
Benieuwd hoe de schooldebatten dan zullen verlopen.
Yves Desmet
Politiek commentator