26/05/09, 06u06
John Banville denkt terug aan zijn jeugd en gaat na hoe Ierland een eeuw lang de ogen sloot voor kindermisbruik op katholieke scholen. Banville is een Iers schrijver. Zijn recentste boek The Sea won in 2005 de Booker Prize.
Meer dan een halve eeuw werden duizenden kinderen in Ierse katholieke instellingen vernederd, verkracht en gegeseld. Iedereen zweeg. Vorige week legde een lijvig onderzoeksrapport de vinger op de wonde (DM22/5). Toen hij de artikels over de bevindingen van de commissie in de kranten las, moest John Banville ineens terugdenken aan een klasgenoot 'en aan het pact van geheimhouding dat tussen ons was ontstaan'.
Iedereen was op de hoogte. Na een onderzoek dat negen jaar heeft aangesleept, maakte de Commission to Inquire Into Child Abuse vorige week haar verslag bekend. Het is een verslag geworden dat heel Ierland met afschuw vervult. De Ierse samenleving stelt zich de vraag die we de voorbije eeuw overal ter wereld al zo vaak hebben gehoord: hoe is dit ooit kunnen gebeuren?
Tussen 1914 en 2000, en dan vooral tussen 1930 en 1990, zijn honderdduizenden kinderen in Ierse overheidsinstellingen het slachtoffer geworden van systematische wreedheden. Had de gruwel dan niet voorkomen kunnen worden als genoeg weldenkende mensen hadden geweten wat er gaande was? Nee, dus. Iedereen wist namelijk van de praktijken.
Ik ben opgegroeid in de jaren vijftig in Wexford, een klein stadje aan de zuidoostkust van Ierland. Het was best een fijne plek om je jeugd door te brengen. Althans als je uit een "respectabel" gezin kwam - lees: als je niet arm was - en als je, zoals ik, verantwoordelijke en liefdevolle ouders had. Ik ging naar scholen die werden geleid door christelijke broeders en, later, door diocesane priesters. Je zorgde er wel voor dat je je les had geleerd, want zo ontsnapte je aan de strenge straffen die de leraars voorbehielden voor de "sufferds" van de klas.
Een van die sufferds kan ik me nog levendig voor de geest halen. Laat ik hem maar gewoon Duffy noemen - Sufferd. We moeten toen een jaar of negen, tien geweest zijn en de meeste leerlingen konden al lezen en schrijven. Maar Sufferd niet. Hij werd aan een bank apart gezet, waar hij urenlang het alfabet zat over te pennen en eenvoudige woordjes in zijn schrift kopieerde.
Slachtoffer en speeltjeAf en toe hield onze leraar Sufferd z'n werk aan een hoekje in de lucht. Hij liet het aan de hele klas zien en nodigde ons met een ondertoon van ironie in zijn stem uit om "Sufferd z'n vlekken" te bewonderen. Ik zal de blik in Sufferd z'n ogen nooit vergeten. In zijn blik stonden zowel schaamte en verdriet als opgekropte woede te lezen. Op weg naar huis stond Sufferd me vaak op te wachten en dan sloeg hij me tegen de grond. En waarom ook niet? Ik was een uitblinker op school, hij was de rode lantaarn. Ik was het lievelingetje van de meester, hij was het slachtoffer en het speeltje van de meester.
Ik heb mijn ouders nooit iets over Sufferd verteld. Ik heb gezwegen over de vernederingen die hem elke dag weer te beurt vielen en ik heb ze nooit verteld dat hij zijn woede geregeld op mij bekoelde als de school uit was. Ik heb ze ook nooit verteld dat sommige leraars ons sloegen met een leren riem, een wandelstok of zelfs met de blote vuisten. Je kwam thuis niet aanzetten met verhalen over school. En als we dat al hadden gedaan, zou er waarschijnlijk toch niet naar ons geluisterd zijn. We beleefden moeilijke tijden, er was weinig geld en de mensen moesten hard werken om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen. Wij, kinderen, moesten onze eigen problemen maar zien op te lossen. En vooral zwijgen.
Na verloop van tijd groeide er een verschrikkelijk soort intimiteit tussen Sufferd en mezelf, een heel flauw afkooksel van de band die zich soms ontwikkelt tussen de gefolterde en zijn folteraar. Ik kon me heel goed inleven in de logica van Sufferd z'n gedrag. Hij moest zich wreken voor de dagelijkse folteringen die hij onderging. Dichter W.H. Auden, die wijze oude uil, heeft dat ooit perfect verwoord:
What all schoolchildren learn
Those to whom evil is done
Do evil in return.
(Wat alle schoolkinderen leren, Wie kwaad wordt aangedaan, Zal ook zelf het kwaad hanteren)
Kwaad is hier misschien niet het meest geschikte woord. Het kwaad speelde zich ergens anders af, op plekken waar Sufferd uiteindelijk is beland, zoals de Letterfrack Industrial School in Connemara, een afgelegen en geïsoleerde plek waar, volgens het verslag van de commissie, "die lui die jongens fysiek en seksueel misbruikten ongestoord hun gang konden gaan omdat ze niet hoefden te vrezen dat ze betrapt en bestraft zouden worden" en waar geweld "in feite een communicatiemiddel was".
We proberen onszelf wijs te maken dat de daders als kind ooit zelf het slachtoffer van geweld zijn geweest. Dat zou hun daden nog enigszins kunnen verklaren. Maar uiteindelijk beslis je zelf wat je al dan niet gelooft. Net zoals onze ouders destijds hebben gedaan. Toen ik de artikels over de bevindingen van de commissie in de kranten las - het verslag zelf is namelijk een pil van meer dan tweeduizend pagina's - moest ik ineens terugdenken aan Sufferd en aan het pact van geheimhouding dat tussen ons was ontstaan. Het was de echo van die stilte die toen over heel Ierland weergalmde, net zoals de sneeuw in The Dead van James Joyce het hele land bedekte. Mondje dicht, lippen op mekaar, niks bekennen. Dat waren toen de onuitgesproken ordewoorden. Iedereen wist het, maar niemand die er iets van zei.
Ik heb heel veel reacties gehoord op de verschrikkelijke onthullingen, maar ik heb niemand horen vragen wat het in deze context betekent om het te weten. De mens heeft de opmerkelijke gave om verschillende tegenstrijdige houdingen naast mekaar aan te nemen. Fatsoenlijke mensen, op wie niks aan te merken is, kunnen iets weten en het tegelijkertijd ook niet weten. Denk maar aan Turkije en de Armeniërs in het begin van de twintigste eeuw, aan Duitsland en de Joden in de jaren veertig, of aan Bosnië en Rwanda in recentere tijden.
Tussen 1930 en het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw was Ierland een gesloten staat die werd geleid door een almachtige katholieke kerk, en dat met de stilzwijgende medewerking van politici en, een paar eerbare uitzonderingen niet te na gesproken, de hele bevolking. De doctrine van de erfzonde was ons van kindsbeen ingeprent. Van de protestanten hebben we dan weer de concepten van de uitverkorenen en de niet-uitverkorenen overgenomen. Als kinderen terechtkwamen in weeshuizen, nijverheidsscholen en heropvoedingsgestichten, zullen ze daar wel hebben thuisgehoord. Wat er achter die niet inneembare muren met ze gebeurde was dan ook onze zorg niet.
We wisten het, en we wisten het ook niet. Daar mogen wij ons vandaag om schamen.