Belgische film bestaat niet in België
Jan Goossens over de recente hoogconjunctuur van de cinema in ons land. Goossens is artistiek directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Om de twee weken schrijft hij een bijdrage voor De Gedachte. 'Als dat geen Belgisch surrealisme is: films worden in ons land enkel nog volwaardig 'Belgisch', in de zin dat ze in de beide landsdelen worden opgemerkt, wanneer ze in het buitenland belangrijke prijzen of onderscheidingen winnen'. Jan Goossens over Vlaamse film en Waalse cinema. Over Luikse, Brusselse en soms 'een tikje universele' film.
Je hoeft geen cinefiel te zijn om te zien dat het goed gaat met de cinema in België. Aan de ene kant van de taalgrens opende het Huis van de Vlaamse Film in Brussel, zorgde Erik Van Looy met 'Loft' alweer voor een echte kaskraker. Aan de andere kant wonnen de formidabele Brusselse actrice Yolande Moreau en de jonge Déborah François eind februari allebei een Franse César, net zoals de erg mooie Belgisch-Franse film 'Séraphine'. Regisseur Bouli Lanners maakte met 'Eldorado' onlangs een quasi-kaskraker en de internationale sterren Luc en Jean-Pierre Dardenne leveren met de regelmaat van de klok prachtfilms af, zoals recent 'Le Silence de Lorna'. Alleen: we weten het nog amper van elkaar.
Surrealisme In Vlaanderen staat alles in het teken van de 'Vlaamse film' en waren de drie Belgische Césars een klein item achteraan in het VRT-journaal, waarin men sinds lang nog eens over de 'Belgische film' durfde te spreken. Zelfs naar de films van de broers Dardenne, tweemaal winnaar van een Gouden Palm in Cannes, moet je in Vlaamse cinemazalen vaak tevergeefs zoeken.
Omgekeerd geldt meestal hetzelfde: geen Waal heeft van 'Loft' gehoord, terwijl er voor die film in Wallonië zeker een publiek is. De Walen zijn nog wel in staat om het over de 'Belgische cinema' te hebben, alleen bestaat die in de praktijk quasi integraal uit Franstalige films. Als dat geen Belgisch surrealisme is: films worden in ons land enkel nog volwaardig 'Belgisch', in de zin dat ze in de beide landsdelen worden opgemerkt, wanneer ze in het buitenland belangrijke prijzen of onderscheidingen winnen. Dat wil daarom nog niet zeggen dat ze 'bij de buren' worden bekeken, integendeel.
Of het nu om Vlaamse of Waalse films gaat, belangrijk is dat de artiesten ze kunnen maken. Dat aan Vlaamse kant het Vlaams Audiovisueel Fonds nu een fatsoenlijk huis heeft, is een tussentijdse kers op taart. Iedereen gelukkig dus? Niet helemaal. Je maakt films voor diverse publieken en ons land heeft die ook te bieden. Dat 'Loft' geen succes kan worden in Luik, is doodjammer, net zoals het een gemiste kans is dat de films van de broers Dardenne in Antwerpen of Gent niet tot 'onze cinema' behoren.
Het werk van de Luikse broers, de films van Bouli Lanners of de wat stilgevallen Jaco Van Dormael, of het aangrijpende 'Elève libre' van het jonge Brusselse talent Joachim Lafosse, het zijn allemaal duidelijk Belgische films. Niet alleen Belgisch: ook Luiks, of Brussels, of Waals, zelfs een tikje universeel in het geval van de broers Dardenne. Maar Franse films zijn het niet, ook al worden ze in Frankrijk erg geapprecieerd. Op dezelfde manier hebben Arno en Adamo meer met elkaar te maken dan met Joe Dassin of Jacques Dutronc. Het is moeilijk om precies te definiëren waarom, maar dat er Belgische cinema bestaat is op zijn minst een even zinvolle (of zinloze) uitspraak als de stelling dat de Vlaamse film een categorie op zich zou zijn.
Samenwerken
Ook in de podiumkunsten is het water soms diep tussen het Vlaamse en het Franstalige theater. Maar de laatste jaren zijn er steeds meer samenwerkingen en platformen waarop publieken kunnen ontdekken wat er in de andere gemeenschap aan interessants gebeurt. Het KunstenFestivaldesArts of Toernee General zijn Brusselse festivals die die mogelijkheid bieden. Onze Franstalige collega's doen op dat vlak trouwens erg hun best. Of het nu gaat om het Festival van Luik, het Palais des Beaux Arts in Charleroi of het kunstencentrum Le Manège in Mons, ze maken een pak ruimte voor Vlaamse theatermakers. Hetzelfde geldt voor de media. Wie wil volgen wat er in het hele Brusselse en Belgische cultuurleven aan de hand is, heeft het meeste kans om aan zijn trekken te komen in de cultuurkaternen van La Libre Belgique en Le Soir, waar tweetalige topjournalisten als Guy Duplat en Jean-Marie Wijnants hun artistieke passies niet laten vertroebelen door een communautaire bril.
Semantische discussies over Vlaamse, Waalse of Belgische kunsten zijn oninteressant. En dat ons land een verstandige staatshervorming in twee richtingen nodig heeft, klopt. Maar we gooien het kind met het badwater weg als meervoudige identiteiten, intense artistieke uitwisselingen en gemeenschappelijke culturele ruimtes steeds zeldzamer worden. Ik vind het een privilege dat films als 'Loft' én 'Elève libre' én 'Le Silence de Lorna' me duidelijk maken dat ik Vlaming én Brusselaar én Belg ben.