Keynesiaans beleid voor de kunsten

09/02/09, 07u38
Jan Goossens, artistiek leider van de KVS, pleit tegen een overmatig marktgestuurd cultuurbeleid.

Jan Goossens kijkt naar de verwoestende effecten van een doorgedreven marktdenken in de Amerikaanse cultuursector. Als investment bankers operahuizen beginnen te runnen, eindigen we met 'de behaagzieke museumprogrammatie' waar Gerard Mortier en Bernard Foccroulle al een hele carrière tegen vechten: altijd dezelfde 'opgefriste' stukken voor altijd hetzelfde, stilaan stokoude en spierwitte publiek. Een keynesiaans stimuluspakket kan veel betere resultaten opleveren.

We horen het niet graag, maar zelfs na acht jaar Bush lopen we op het oude continent nog wel eens achter op de VS. Niet getreurd, dat heeft zijn voordelen. Tenzij we ons als ezels aan dezelfde steen willen stoten, hoeven wij geen kans meer te geven aan experimenten die we ginder met brio zagen mislukken. Neem een cultuurbeleid dat steeds meer van de markt afhangt. Wie geregeld de plas oversteekt, weet dat het in vele theater- en operahuizen in de VS de dood in de pot is. Letterlijk ondertussen: het ene Amerikaanse operahuis na het andere sluit de deuren, want in crisistijden laten corporate sponsors de podiumsector vallen als een steen, alle tax shelters ten spijt. Als er al geld is, dan bepalen mecenassen aan de bestuurstafel direct of indirect hoe de programmatie eruitziet. En zoals een theaterdirecteur geen autobedrijf moet runnen, zo moet een investment banker geen invloed hebben op het repertoire van de San Francisco Opera. In de VS heeft hij die wel, met als resultaat de behaagzieke museumprogrammatie waar Gerard Mortier en Bernard Foccroulle al een hele carrière tegen vechten: altijd dezelfde 'opgefriste' stukken voor altijd hetzelfde, stilaan stokoude en spierwitte publiek. Kortom, in de meeste Amerikaanse kunsttempels is het behoudsgezindheid troef. Tot vandaag overleven alle baanbrekende Amerikaanse theatermakers dankzij hun Europese coproducenten. Het lijstje is lang: Robert Wilson, Peter Sellars, de Wooster Group en onlangs Nature Theater of Oklahoma.

Al gaan ze momenteel door de diepste economische crisis in decennia, in de VS snappen ze dat het zo niet verder kan. En dat deze crisis niet het moment is om weer te snijden, maar wel om te investeren. Tal van tenoren mengen zich in het debat, en niet van de minsten. Robert Redford pleitte tijdens zijn Sundance-filmfestival in Colorado op CNN luidop voor overheidsondersteuning voor de cultuursector. Muzieklegende Quincy Jones deed hetzelfde op de dag van Obama's inauguratie en startte een online-petitie voor "iets wat ieder beschaafd land bezit - een minister van Cultuur". Ondertussen tekenden 200.000 mensen. En, voor wie nog twijfelt of Obama 'change' brengt: vijf dagen voor zijn inauguratie verzamelde hij een overgangsteam voor kunst en cultuur op zijn hoofdkwartier dat duidelijke opdrachten meekreeg. En in het 'stimulus package' dat hij momenteel gestemd tracht te krijgen, staat 1 miljard dollar voor cultuur ingeschreven. De hoop lijkt niet ongerechtvaardigd dat Obama een voorbeeld neemt aan zijn voorganger Roosevelt, die tijdens de Depressie massa's New Deal-Dollars in de kunsten pompte, in de overtuiging dat - artistieke - creativiteit mee een uitweg uit de crisis bood.

Echt hoopgevend zou zijn dat politici in Vlaanderen overtuigd verdedigen dat de subsidies voor onze dynamische cultuursector met veel werkgelegenheid, ook in crisistijden minstens stabiel blijven. Niet dat er nergens moedige pleidooien weerklinken, maar er komen ook andere signalen. Drie liberale voormannen, Schueremans, Gatz en Jean-Jacques De Gucht, grepen de 'financiële en economische storm' aan om duidelijk te maken dat 'elke gesubsidieerde euro' moet worden bevraagd en 'de budgetten mogelijks zelfs zullen krimpen'.

Daarnaast viseren ze aspecten van het huidige beleid, zoals het participatiedecreet, die behoudens enkele uitwassen net voor broodnodige openingen in de sector zorgden. En er wordt geschermd met hervormingen, zoals het loskoppelen van de diverse onderdelen van artistieke productieprocessen (creatie, logistieke omkadering en management), terwijl men ons in vele buitenlanden, Nederland op kop, de zeer nauwe betrokkenheid tussen artiesten en hun levensnoodzakelijke overhead benijdt.

Debat moet en zinvolle hervormingen zijn welkom. Niemand in de sector beweert dat alles perfect verloopt. Als het over marktinbreng gaat, dan is een initiatief als Cultuurinvest de moeite waard. Maar gooi het kind niet met het badwater weg. Een dynamische cultuursector is essentieel voor een gezonde samenleving en zeker de podiumsector kan slechts in zeer geringe mate van de markt afhangen. Bovendien moet het debat in twee richtingen worden gevoerd. Misschien is wat meer markt mogelijk. Maar er zijn ook terreinen waar de markt gecorrigeerd moet worden. De recente actie onder de naam Press for More maakt nog eens duidelijk dat kunstrecensenten het in de commerciële media steeds lastiger krijgen. De Standaard-journalist Peter Vantyghem heeft maar voor een stukje gelijk wanneer hij schrijft dat "de cultuurjournalistiek leeft". Ja, er zijn nog steeds veel cultuurpagina's. Vooral grote media-evenementen krijgen daar ruime aandacht.

Maar of vandaag nog een weerbarstige, competente recensent met zeer toegankelijke pen als Wim Van Gansbeke gedurende vele decennia een steeds breder lezerspubliek zou kunnen opbouwen, is zeer twijfelachtig. Zoals alle kwaliteitsjournalistiek kost goede kunstjournalistiek tijd en geld. Biedt de markt echt die mogelijkheid? Het zou goed zijn ook daarover van politieke voormannen bedenkingen te horen. Als er in een handomdraai miljarden overheidseuro's naar vaak slecht geleide banken gaan, dan zou misschien ook de bedreigde (kunst)journalist aanspraak moeten kunnen maken op een vorm van overheidsondersteuning?
mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...

Jouw gedachte?

De beste gedachten verschijnen in de krant

Aan het laden...
<spring:message code='commonMessages.loading' />