Hendrik Vuye is hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit Hasselt en de Universiteit Namen.
In een striemend betoog maakten vier juridische experts brandhout van de plannen voor een Fortiscommissie (DM 4/2). Hoogleraar staatsrecht Hendrik Vuye deelt hun bezorgdheid maar niet hun besluit. Zijn vertrekpunt is het grondwetsartikel dat in ons politieke systeem de mogelijkheid van een parlementaire onderzoekscommissie vastlegt: artikel 56.
Artikel 56 van de grondwet is een bijzonder bondig artikel: "Elke kamer heeft het recht van onderzoek." Die beknoptheid heeft haar beperkingen. Het is niet de eerste keer dat de problematiek van de samenloop van parlementair en gerechtelijk onderzoek de gemoederen beroert. Volgende beknopte bloemlezing van de talrijke incidenten illustreert het moeilijke evenwicht.
In een advies van 24 januari 1989 stelt de Raad van State dat de bondigheid van artikel 56 erop wijst dat de grondwetgever de bedoeling had om aan de kamers "een zeer ruim en zelfs principieel onbeperkt recht van toezicht" toe te kennen. De Raad voegt eraan toe dat in een parlementaire democratie de volksvertegenwoordiging "de hoogste en ultieme hoedster is van het welzijn van de bevolking en aldus de laatste garantie voor het goed functioneren van het hele gezagsapparaat van de staat". Vanzelfsprekend moet ook het Parlement de scheiding der machten eerbiedigen, maar het komt "in de eerste plaats aan de wetgever toe om de juiste positiefrechtelijke draagwijdte te bepalen van het beginsel van de scheiding der machten". Prompt reageerden vier emeriti procureurs-generaal van het Hof van Cassatie. Zij zagen het even anders (let op de parallel met vandaag): de rechterlijke macht moet zichzelf controleren, dat vereist het beginsel van de scheiding der machten. De rechterlijke macht verdraagt geen pottenkijkers, klonk het al anno 1989.
Samenloop en vermenging
Enkele jaren later in 1993 was er de Transnuklearsaga. Die zaak handelde over fraude met nucleair afval. Voor een parlementaire onderzoekscommissie hadden beklaagden onder eed getuigd en verklaringen tegen zichzelf afgelegd. Het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie werd bij de stukken gevoegd van het gerechtelijk onderzoek. Alle beklaagden werden uiteindelijk vrijgesproken door het hof van beroep in Antwerpen vanwege schending van hun recht van verdediging: men kan niemand verplichten om tegen zichzelf te getuigen. Het Hof van Cassatie bevestigde die zienswijze in een arrest van 6 mei 1993. In die zaak was er echter niet alleen sprake van samenloop, maar wel van vermenging. Het probleem was net dat het verslag van de commissie bij het gerechtelijk dossier was gevoegd.
De experts aangesteld door de Fortiscommissie hebben vandaag ongetwijfeld gelijk als ze stellen dat de samenloop tussen een parlementair en een gerechtelijk onderzoek geen sinecure is. Hun bezorgdheid om het fundamentele beginsel van de scheiding der machten te eerbiedigen zal welhaast ieder jurist delen. Toch zijn hun conclusies te radicaal. De scheiding der machten is geen verzuiling der machten. Scheiding der machten betekent net dat door wederzijdse controle de staatsmachten elkaar in evenwicht houden.
Bovendien is de finaliteit van een parlementair en een gerechtelijk onderzoek wezenlijk verschillend. Een parlementair onderzoek is geen doel op zich, maar een instrument dat het de assemblee mogelijk maakt om haar wetgevende en controlerende taak uit te oefenen. Een onderzoekscommissie dient om het Parlement voor te lichten. Het Parlement mag bij de uitoefening van het onderzoeksrecht evident geen individuele strafrechtelijke of tuchtrechtelijke verantwoordelijkheden vaststellen. Dat is de taak van rechter en tuchtoverheid. Wanneer die bevoegdheidsafbakening wordt nageleefd, dan stelt samenloop van parlementair en gerechtelijk onderzoek geen probleem. Alleen zijn politici slechte schoenmakers, ze blijven vaak niet bij hun leest. Te vermijden is niet zozeer een samenloop, maar wel een vermenging.
De experts wijzen er terecht op dat het moeilijk is om magistraten te horen voor een onderzoekscommissie, daar zij zich kunnen beroepen op hun beroepsgeheim. Dat is juist, maar iedere magistraat oordeelt in eer en geweten of hij dat doet. De magistraat kan echter ook beslissen zich niet op zijn beroepsgeheim te beroepen, aldus artikel 458 van het strafwetboek. De onderzoekscommissie kan de magistraat dan bijvoorbeeld horen achter gesloten deuren.
Ook het bezwaar dat het vermoeden van onschuld wordt geschonden is reƫel, maar niet onoverkomelijk. Het is juist dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in een vaste rechtspraak, sinds het arrest in de zaak-Allenet de Ribemont tegen Frankrijk van 10 februari 1995, oordeelt dat niet alleen rechters wanneer ze geschillen beslechten, maar alle staatsorganen - en dus ook een parlementaire onderzoekscommissie - het vermoeden van onschuld moeten eerbiedigen. Wanneer de onderzoekscommissie echter in haar verslag geen individuele verantwoordelijkheden vaststelt, dan is er toch geen probleem?
Het laatste argument van de experts, namelijk dat het instellen van een onderzoek naar de werking van de rechterlijke orde tot de bevoegdheid behoort van de Hoge Raad voor de Justitie (art. 151 grondwet) is juist, maar dat sluit helemaal niet de bevoegdheid uit die het Parlement bezit op grond van artikel 56 van de grondwet. Ook hier is de finaliteit van beide onderzoeksbevoegdheden anders.
Fortisgate bewijst alvast dat het wel eens grondig misloopt in de magistratuur. Is het niet hoog tijd dat het Parlement zich buigt over de werking van het gerecht? Bewijst Fortisgate immers net niet dat de rechterlijke macht niet in staat is zelf de interne (kwaliteits-)controle terdege te vervullen? Waarom moest eerste voorzitter van het Hof van Cassatie Londers anders zo nodig een rapport richten aan de Kamervoorzitter? Na Dutroux werden de politionele diensten grondig herdacht. Laten we verhopen dat na Fortis de rechtsbedeling wordt herschreven.

© De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.