10/11/08, 07u25
Morgen is het negentig jaar geleden dat de Wapenstilstand een eind maakte aan de gruwel van de Eerste Wereldoorlog. Historicus Marc Hooghe gaat na waarom ons herdenken altijd zo halfslachtig is. Hij pleit voor een waarachtige herdenking, zonder politieke of economische motieven.
Voor de meesten onder ons is dit gewoon een lang weekend - niet veel meer dan dat. In het beste geval gaan we nog naar de Boekenbeurs of een of andere 11.11.11-activiteit, maar het 'herdenken' staat al lang niet meer centraal. Dat steekt schril af met de red poppies die je al een hele tijd in het Britse straatbeeld ziet, terwijl ook de Franse media volop la Grande Guerre aan het herdenken zijn. Je zou er warempel bij vergeten dat die red poppies wel degelijk ooit West-Vlaamse klaprozen waren. Dertig jaar geleden had je in de meeste Vlaamse gemeenten nog een 11 novemberherdenking, georganiseerd door de 'vaderlandslievende' verenigingen, zoals men het zo fraai uitdrukte. De meeste van die plechtigheden zijn intussen een stille dood gestorven, allicht bij gebrek aan georganiseerde vaderlandsliefde.
Daar zit meteen het hele probleem voor ons (on)vermogen om de geschiedenis passend te herdenken: elke verwijzing naar het verleden verzinkt in een nationalistisch conflict. Dat gebeurt natuurlijk ook in andere landen: overal ter wereld proberen politieke partijen en bewegingen de betekenis van historische feiten in hun eigen voordeel om te buigen. Maar meestal blijft er wel een kern van oprechte emotie over die niet ten onder gaat aan een politieke strijd.
Een sprekend voorbeeld hiervan is het Vietnammonument in Washington. Ondanks het intense culturele conflict over de oorlog straalt het sobere monument een serene sfeer uit, en zowel voor- als tegenstanders van de oorlog kunnen er terecht om deze sombere periode uit de Amerikaanse geschiedenis te herdenken. Men schat dat er jaarlijks een kleine vier miljoen mensen het Vietnammonument bezoeken.
In ons land daarentegen is er nauwelijks plaats voor een dergelijke serene herdenking. Al onmiddellijk in 1920 begonnen de Vlaams-nationalisten hun doden afzonderlijk te herdenken. Terwijl het herdenken van de gesneuvelden meestal een moment van eenheid en verbondenheid vormt, werden de herdenkingen aan de IJzer meteen een symbool voor blijvende verdeeldheid en voortdurende tegenstellingen. Dat werd er na 1945 niet beter op: terwijl bijna elk dorp in Frankrijk wel een 'avenue de la Libération' of een 'rue Jean Moulin' heeft, deden de Belgische gemeentebesturen hun best om deze zwarte episode simpelweg te vergeten. Het is een opmerkelijke stilte, die je normaal alleen ziet in landen die de oorlog hebben verloren, niet in landen die bevrijd werden van de onderdrukking.
Ook nu nog zien we het verleden vaak enkel in functie van een politiek doel: als minister Patrick Dewael terecht pleit voor meer geschiedenisonderricht in het onderwijs, dan heeft dat een politieke betekenis. De minister hoopt dat door een betere kennis van de holocaust en andere misdaden tegen de mensheid, toekomstige burgers dat soort fouten niet zullen herhalen. Als je merkt dat ook televisiekoks tegenwoordig geen enkel historisch besef meer hebben en vrolijk allerlei visgerechten gaan koppelen aan een massamoordenaar, dan kun je Dewael natuurlijk enkel gelijk geven. Maar het blijft een beetje cynisch dat de tienduizenden die in de Mechelse Dossinkazerne hun dood tegemoet gingen vooral herdacht worden omwille van politieke overwegingen, en niet alleen vanuit een authentieke verontwaardiging over hun dood, zonder enige instrumentele overwegingen.
Morele plichtPolitieke strijd over de betekenis van het verleden zal er altijd zijn, en dat hoeft op zich geen probleem te zijn. Het wordt erger als daardoor de meest elementaire menselijke functie van het herdenken volledig overwoekerd wordt. Elke samenleving ontwikkelt en gebruikt rituelen om de doden voor een stukje levend te houden. Een van de meest wraakroepende passages in de Trojaanse oorlog is de mishandeling van het dode lichaam van Hector. Maar omwille van alle nationalistische en politieke conflicten springen wij al evenmin eerbiedig om met diegenen die hier gesneuveld zijn.
Dat is des te schrijnender omdat juist de brutale Duitse aanval op het neutrale België in augustus 1914 een golf van internationale solidariteit op gang bracht. De verontwaardiging over de Duitse oorlogsmisdaden op Belgische bodem, onder meer in Aarschot, Leuven en Dinant, zorgde er voor dat duizenden Britten vrijwillig dienst namen in het leger, en velen onder hen overleefden het niet. Die internationale solidariteit hebben we met weinig dankbaarheid beantwoord, omdat we het blijkbaar te druk hebben met het uitvechten van onze eigen nationalistische conflicten, waardoor we de blik op onszelf gefixeerd hebben.
De Israëlische filosoof Avishai Margalit verdedigde in zijn boek Herinnering enkele jaren geleden de stelling dat er een morele plicht bestaat voor het in ere houden van een collectief geheugen. Volgens Margalit gaat het om een ultieme vorm van gerechtigheid en het in stand houden van een elementaire vorm van menselijke verbondenheid over de tijd heen. Die menselijkheid wordt echter pas mogelijk als we de slachtoffers van beide oorlogen kunnen herdenken voor wat ze waren: als gewone mensen die allicht tegen hun zin verzeild geraakt waren in een moordend conflict. Daarbij doet het er eigenlijk niet toe of ze Frans of Nederlands spraken. Het doet er al evenmin toe of ze uit Frankrijk, uit Senegal of Marokko afkomstig waren. Binnen de Vlaamse regering worden nu plannen gesmeed om vanaf 2014 de herdenking in te luiden van '100 jaar Groote Oorlog'. Daarbij lijken de mercantiele overwegingen de overhand te halen, en men heeft het in dit verband vooral over "kwaliteitsvol toerisme". Na de politieke recuperatie volgt nu dus een economische recuperatie. Met een oprecht herinneren, als elementaire menselijke opdracht, heeft het allemaal weinig te maken.