Sterft, gij oude vormen en gedachten
Jean-Marie Dedecker eist een eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden
Jean-Marie Dedecker is voorzitter van Lijst DedeckerAlhoewel het me verheugt dat sp.a. nu ook het eenheidsstatuut bepleit (DM 18/8), moet ik ontdekken dat politieke recuperatie ook een olympische discipline is. Op 30 september 2002 heb ik daarvoor al een wetsvoorstel ingediend, analoog aan dat van professor Blainpain in 1988. Paars deed niets en verschool zich achter "het herenakkoord". De oppositie kan wonderen doen voor sp.a.
België is het enige land in de Europese Unie waar nog een onderscheid gemaakt wordt tussen arbeiders en bedienden. Dat onderscheid is een achterhaalde discussie over het geslacht der engelen. De eersten kregen een arbeidsovereenkomst in 1900, de tweeden in 1922. De inhoud van de arbeid is compleet veranderd. Waarom zou iemand die een computergestuurde draaibank bedient een ander statuut moeten krijgen dan een muisklikker op een bureau? Dat is gefossiliseerde discriminatie die de arbeider herleidt tot een tweederangsburger. Wat is nog het verschil tussen intellectuele en manuele arbeid? De Berlijnse muur rond het arbeidersstatuut moet gesloopt en hervormd worden in een eenheidsstatuut.
Even rondneuzen in de historische archieven van de Senaat is zo verhelderend dat een klacht bij het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding het patronaat en het syndicaat zou doen blozen. We citeren letterlijk: "De wet van 1922 heeft aan de bediende zulk een voordelig statuut toegekend, in hoofdzaak met het doel om hen los te rukken van de arbeidersklasse, om het onderscheid te bestendigen tussen de werknemer met de hoed en de werknemer met de pet, en om te voorkomen dat de eerste zou aansluiten bij de vakbeweging."
Zelfs Theo Lefèvre riep het al op de kansel van de Rerum novarumviering in 1960. Zijn ACV heeft het een halve eeuw later nog altijd niet begrepen. Het zijn verwonderlijk genoeg de sociale partners die dwarsliggen. De werkgevers vrezen dat dit zou leiden tot een nivellering naar boven en dat in een eenheidsstatuut alle verworvenheden van de bedienden en de arbeiders de kar zullen overladen, waarbij enkel de beste stukken van beide statuten zouden worden bewaard. De formule-Claeys, die de opslagvergoedingen regelt, wordt door de gesyndicaliseerde arbeidsrechtbanken telkens geïnterpreteerd als de Sinterclaeyswet.
Opzegvergoedingen van bijvoorbeeld twee jaar doden de flexibiliteit voor de werknemer en de werkgever. Het gezond verstand ligt in het midden. Ze vrezen ook dat er getornd zal worden aan het systeem van tijdelijke economische werkloosheid. De kosten van de arbeider kunnen zo doorgeschoven worden naar de overheid door hem tijdelijk te laten stempelen bij een economische terugval, voor bedienden gaat dat niet. Dat is uniek in Europa en bijzonder gunstig voor de ondernemer.
De vakbonden reageren zoals altijd behoudsgezind en hebben koudwatervrees om hun machtsposities te moeten herzien. De scheiding tussen syndicale arbeiders- en bediendencentrales levert immers meer lucratieve postjes en extra beschermde vakbondsafgevaardigden op, evenals extra paritaire comités met elk hun kassa's en geplogenheden, en zitjes in de arbeidsrechtbanken. Dat verlamt de economie. De vakbonden profileren zich als de collectieve beschermers van die zwakke groep. Zij vrezen dat die macht afbrokkelt als ook die groep individueel gaat denken. Het is gemakkelijker voor de bonden als de arbeiders 'niemand' blijven. Als ze zwak beschermd blijven, kunnen de bonden zich opwerpen als de grote beschermers en blijven de arbeiders trouwe klanten. De dubbele benadering van de werknemers heeft tot gevolg gehad dat we de meest beschermde bedienden en de minst beschermde arbeiders in Europa hebben.
Een eenheidsstatuut creëren is echter een prachtige uitdaging voor de sociale partners om arbeid een nieuw elan te geven. In plaats van vast te klitten aan oude concepten zou men bijvoorbeeld een ontslagvergoeding als een morele schadevergoeding kunnen beschouwen voor het verlies van de dienstbetrekking.
Op die vergoeding dient dan geen sociale zekerheid, noch inkomstenbelasting te worden betaald. Door nettovergoedingen wordt de kost voor de werkgever verlaagd en de opbrengst voor de werknemer verhoogd. Zo kan men ook de ontslagtermijnen voor werknemers op een valabele termijn en dito niveau brengen, en winnen alle partijen. Op de ontslagvergoedingen bij Volkswagen en Opel pakte de overheid tot 63 procent belastingen en bijdragen. Het is toch immoreel dat de overheid nog poen moet pakken op de ellende van een ontslag! Met een concept uit de twintigste eeuw win je niet in de eenentwintigste. Je kunt niet concurreren in een internationale context en gebonden zijn door een puristische dorpsethiek.
Het gaat echter nog verder. De doorgroeimogelijkheden voor de 1.140.000 arbeiders zijn miniem. Amper 0,4 procent slaagt erin een bediendestatuut te krijgen. Dat heeft een nefaste invloed op de studiekeuze van jonge mensen. In Vlaanderen lijkt er een ingebakken minachting voor het technische en beroepsonderwijs te bestaan: de vakschool, zoals dat heet. Alsof het zo hoort dat de knapste koppen sowieso de klassieke humaniora volgen en dat de rest dan volgens het watervalprincipe druppelsgewijs in de beroepsscholen terechtkomt. Het resultaat is dat de Vlaamse arbeidsmarkt een tekort heeft aan geschoolde vaklui. Wie een loodgieter nodig heeft, kan net zo goed wachten op Godot.
Herwaardeer hun statuut. Binnen één generatie is dan de negatieve connotatie verdwenen en krijgt arbeid een nieuw elan. Sterft, gij oude vormen en gedachten! De arbeider verdient meer waardering dan met gebalde vuist de Internationale te zingen. Al wat zich progressief noemt in dit land is in wezen zo conservatief dat ze economische uitdagingen onder de werkvloer vegen.