20/08/08, 11u42
Lieven Tack vergelijkt voorspellende modellen Lieven Tack is professor economie aan het Europacollege en econoom bij de Europese Commissie. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.Terwijl Michael Phelps de records aan elkaar rijgt en de Chinezen gouden medailles blijven inslaan, staat de teller van het Belgische team nog steeds op nul. Bij iedereen groeit de vrees dat onze landgenoten, zoals in 1932 in Los Angeles, met het schaamrood op de wangen zullen moeten afdruipen.
Iedereen heeft het raden naar wat de kristallen bol op het vlak van medailles in petto heeft, maar afgaand op een aantal vooraanstaande economen komt daar stilaan verandering in. Sinds enkele jaren hebben economen complexe modellen ontwikkeld voor het voorspellen van de medaillekansen tijdens de Olympische Spelen. Toen academici erin slaagden om het aantal Amerikaanse medailles in Athene in 2004 exact te voorspellen, steeg de aandacht voor een zuiver wiskundige benadering van het medaillevraagstuk.
Uit nauwkeurige analyses blijkt dat een combinatie van demografische, economische en politieke factoren de beste schatting oplevert voor het aantal medailles dat een land tijdens de Olympische Spelen in de wacht kan slepen. Eerst en vooral speelt het bevolkingscijfer een rol. Dat valt niet te verwonderen aangezien de kans op een supertalent logischerwijs groter is bij landen die meer inwoners tellen.
Daarnaast is het nationale welvaartsniveau een significante factor. Landen met een hoger inkomensniveau of een groter bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking beschikken immers over meer mogelijkheden om de nationale sportsector te steunen.
Het bevolkingsaantal en het inkomensniveau laten toe om te verklaren hoe het komt dat twee totaal verschillende landen zoals Ethiopië en Zweden in Athene hetzelfde aantal metalen binnenhaalden; terwijl voor Ethiopië vooral de factor bevolking doorwoog, trok Zweden voordeel uit een aanzienlijk hoger welvaartsniveau.
Ten derde is ook de politieke structuur van het land bepalend voor medaillesucces. In veel Oost-Europese landen, bijvoorbeeld, zetten de restanten van de oud-communistische 'geplande' aanpak voor olympische sporten zich positief door in de finale rangschikking van de Spelen.
Andere niet te onderschatten factoren hebben betrekking op het aantal medailles gewonnen tijdens de vorige Olympische Spelen en het feit of het land in kwestie al dan niet gastland is. De juichkreten van het massaal aanwezige publiek van het organiserende land kunnen het verschil maken in de finale sprint. Maar ook de eventuele invloed van de vaak veel grotere supportersgroep van het gastland op de juryleden maakt deel uit van het thuisvoordeel. Bovendien heeft het gastland volledige controle op de sportfaciliteiten en kan het de sportinfrastructuur conform de noden en wensen van het nationale team ontwerpen.
Modellen voorspellen dat het thuiseffect China meer dan 80 medailles kan opleveren, terwijl het in Athene 'slechts' 63 medailles won. Ook België heeft in het verleden van de effecten van het thuisvoordeel kunnen profiteren. In 1920, toen Antwerpen instond voor de organisatie van de Spelen, heeft ons landje 36 medailles behaald; de hoogste Belgische score ooit.
Alle factoren samen maken van China de kanshebber bij uitstek om het grootste aantal medailles weg te kapen. Recente berekeningen van PricewaterhouseCoopers verwachten dat China en de Verenigde Staten van Amerika de olympische lijst van Peking zullen aanvoeren, met respectievelijk 88 en 87 medailles. Rusland zou de derde positie innemen, onmiddellijk gevolgd door Duitsland en Oostenrijk. Een ander econometrisch model, ontwikkeld door een professor aan het Colorado College, voorspelt 103 medailles voor de Verenigde Staten, 95 voor Rusland en 89 voor China. Interessant om weten is dat de universiteitsprofessor voor België - net als voor Oostenrijk en Turkije - elf medailles voorspelt. Een ander model ziet dan weer minder dan zes medailles weggelegd.
De komende dagen zullen soelaas bieden. Toch is een aantal interessante conclusies te trekken uit deze econometrische analyse van de olympische jackpot aan medailles. In tegenstelling tot de gangbare overtuiging toont de economische benadering aan dat het bevolkingscijfer lang niet voldoende is om het aantal nationale successen te bepalen. De kleinschaligheid van België rechtvaardigt met andere woorden geen terugschroeven van de olympische ambities.
Het voorbeeld van China en India werkt verhelderend. Hoewel beide landen zeer hoge bevolkingsaantallen hebben, zijn hun olympische prestaties zeer verschillend. Zo steekt de ondermaatse prestatie van India met 1 medaille in Athene schril af tegen de 63 medailles die China mee naar huis nam. Anderzijds bedraagt het Chinese aandeel in het totaal aantal uitgereikte medailles 6 procent, terwijl het land 21 procent van de wereldbevolking uitmaakt.
Tegelijkertijd toont een econometrische benadering aan dat er voor medaillewinst meer nodig is dan het opkrikken van de publieke en private investeringen in sporters en sportvoorzieningen. Meer zelfs, financiering van de sportsector verklaart nog niet de helft van de kans op een medaille. Het leeuwendeel wordt ingepikt door zuiver economische factoren, zoals het nationale welvaartsniveau, waar sporters en trainers geen vat op hebben.
Ten slotte is het frappant vast te stellen dat de modellen geen rekening houden met het aantal deelnemende atleten per land of hun sportieve kwaliteiten en toch een nauwkeurigheidsgraad van meer dan 90 procent behaalden voor de Spelen in Sydney en Athene. Twee Amerikaanse professoren voorspelden voor België in 1996 en 2000 respectievelijk vier en zeven medailles. Ons land streek in werkelijkheid respectievelijk zes en vijf metalen op.
Economen onderstrepen wel dat de sterkte van de modellen niet zozeer zit in de voorspellingskracht dan wel in het feit dat ze een referentiekader bieden voor het bepalen van het aantal medailles dat een land kan verwerven. De modellen lenen zich dus tot het evalueren van de werkelijke prestaties van een land. Ze zijn niet meteen geschikt om de meer dan 200 deelnemende landen onderling te vergelijken, laat staan om aan lucratieve weddenschappen deel te nemen.