20/06/08, 14u25
Johan Albrecht vraagt een duidelijk energiebeleid van de overheid
Johan Albrecht is econoom aan de UGent en verbonden aan de onafhankelijke denktank Itinera Institute.Brussel ontving dinsdag een gedisciplineerde en eerder berustende energiebetoging. Bepaalde actievoerders leken zelfs te twijfelen aan de zin van hun onderneming. Want blijkbaar krijgt niemand de olieprijzen onder controle. Ook de premier niet, en de Vlaamse minister-president evenmin. Maar fatalisme mag niet in het woordenboek van de overheid staan. Want geloof het of niet, bepaalde landen koesteren de ambitie om hun olieafhankelijkheid integraal te elimineren.
De stijging van de energieprijzen is geen recent fenomeen. Tussen 1999 en 2008 steeg de prijs van een vat ruwe olie van 10 naar 140 dollar. De sterke euro beschutte ons voor de ergste prijsschokken maar intussen kreunt ook de Europese economie onder het prijsjuk van het zwarte goud. Het aanbod van olie kan op korte en zelfs middellange termijn amper opgevoerd worden. Hierdoor klimt de prijs zolang de vraag naar olie blijft toenemen. Op lange termijn kan het aanbod van conventionele olie alleen maar dalen.
Ook in 2001 sijpelde de onzekerheid op de energiemarkt door naar de straat. In Europa werd actiegevoerd tegen de gevolgen van de stijgende energieprijzen. In enkele landen kregen de actievoerders beperkte tegemoetkomingen en elders verdween het protest na een tijdje vanzelf. Dat is geen verrassing want bij dit soort acties ontbreekt een duidelijke tegenstander. Europeanen kunnen toch moeilijk gaan betogen tegen de stijgende vraag naar olieproducten door de ontluikende middenklassen in India en China?
De betogingen in 2008 lijken op deze van 2001 maar er zijn toch belangrijke verschillen. Vanaf 2002 kende Europa een sterke economische groei met amper inflatie. De toename van de koopkracht maakt de verder stijgende energieprijzen min of meer verteerbaar. In 2008 liggen de zaken anders. De wereldeconomie dreigt sterk te vertragen door de huidige prijsexplosie. Vandaag piekert de consument ook over de prijzen van voeding en de algemene inflatie. En voor landen zoals België betekent een sterke groeivertraging ongetwijfeld een hoger begrotingstekort en op termijn hogere belastingen. Dit zijn niet bepaald opbeurende vooruitzichten om enige animo in betogingen tegen de energieprijzen te krijgen.
De overheid schaart zich graag aan de kant van de slachtoffers door te benadrukken dat geen enkele regering de internationale energieprijzen kan controleren. Klopt, maar moet de overheid zich ook niet bezinnen over het ondersteunen van het aanpassingsvermogen van onze economie? Uiteindelijk moet de Belgische economie zich aanpassen aan de hogere energieprijzen, en niet omgekeerd. Deze aanpassing vraagt een juist prijsmechanisme naast een investeringsbeleid. Op termijn dienen de hogere energiekosten in alle finale producten doorgerekend te worden. Het is zinloos om een pijnlijke realiteit te blijven ontkennen.
En toch ligt dit doorrekenen van de energiekosten in 2008 nog altijd moeilijk. In 2001 al vroeg de Belgische transportsector prijsformules waarbij een plotse toename van de brandstofprijzen doorgerekend kon worden aan de klanten met langetermijncontracten en vaste prijzen. Momenteel ijveren de Belgische transporteurs nog steeds voor een dergelijke wettelijke dieseltoeslag. Waarom duurt het toch zo lang om het juiste prijsmechanisme te laten spelen?
Even een kleine les tussendoor: juiste prijzen zorgen voor een snellere aanpassing van de economie. Deze aanpassing is noodzakelijk maar kan zeer pijnlijk uitvallen voor heel wat sectoren. Hogere consumptieprijzen kunnen resulteren in lagere verkopen, minder transportactiviteit en jobverliezen. De hoge prijzen dwingen met andere woorden alle marktspelers te zoeken naar kostenreducties en innovatieve oplossingen. Dit vraagt ondernemerschap maar ook financiële draagkracht. Investeren in ultrazuinige vrachtwagens en hogere capaciteitsfactoren kunnen soelaas bieden voor de transportbedrijven met genoeg eigen reserves of toegang tot vreemd vermogen. De Belgische transportsector werkt echter met lage winstmarges door de internationale concurrentie en de zeer hoge fiscale druk in België. En deze fiscale druk wordt bepaald door de overheid.
2008 wordt ongetwijfeld het jaar van de koopkracht. Niet alleen de uitkeringstrekkers maar ook de middenklasse hebben moeilijkheden met de energiefacturen en de oplopende inflatie. De problemen van de gezinnen zijn in essentie vergelijkbaar met die van de transporteurs en de landbouwers: hun aanpassingsvermogen is beperkt, want energiebesparende investeringen hebben een kostprijs.
Accijnsverlagingen of een lager btw-tarief - die worden gevraagd - kunnen in principe de prijs van energieproducten verminderen. Deze vermindering kan echter van zeer korte duur zijn, want een verdere stijging van de olieprijs of een sterkere dollar is niet uit te sluiten. De gezinnen en bedrijven dienen zich aan te passen aan de hogere prijzen en intussen wordt de overheid rijker door de toenemende opbrengsten van de energiefiscaliteit. Mocht de overheid nu opteren voor besparingen, dan kon de algemene fiscale druk verlaagd worden. Waarom zou de overheid zich als enige sector niet moeten aanpassen?
Intussen blijft het wachten op een duidelijk Belgische energiebeleid. B-H-V is allicht véél interessanter maar het kan ook anders. In 2005 kondigde de Zweedse regering de doelstelling aan om olieonafhankelijk te worden tegen 2020. Deze zeer ambitieuze doelstelling werd onderschreven door het Zweedse bedrijfsleven en andere maatschappelijke sectoren. Zweedse beleidsmakers anticipeerden juist en de huidige prijsexplosie verhoogt het draagvlak voor het fundamenteel heroriënteren van het energiesysteem. Er zijn geen garanties dat de Zweden slagen in hun opzet. Ze hebben wel een mobiliserende visie durven ontwikkelen, want elke keer de geschiedenis zichzelf herhaalt, stijgt de prijs.