Waarom ik van Coldplay hou

Bart Steenhaut keert het elitarisme in de popmuziek de rug toe

Bart Steenhaut is rockjournalist bij deze krant.

Weinig fenomenen waar ik me zo druk over kan maken als de hoge zuurtegraad in de rockjournalistiek. De nauwelijks in te tomen drang om te dwepen met alles wat onbekend, obscuur en dissonant is: tot daaraan toe. Maar kennelijk gaat die altijd gepaard met een dedain tegenover alles wat als groot en populair wordt beschouwd.

Vorige week laaide mijn irritatie hoog op toen ik in The Independent, en nadien ook in deze krant, een artikel van de Britse rockcriticus Andy Gill las waarin hij omstandig zijn haat voor Coldplay ventileert (DM 13/6). Dat mag, uiteraard. Ik ben niet het type dat vindt dat er over smaak niet te twisten valt. Maar het tenenkrullende elitarisme dat erin tentoon werd gespreid, gaf vooral aan dat hij ziek is in hetzelfde bedje waar ook nogal wat van zijn collega's tussen de lakens liggen: hij is de voeling met de smaak van het grote publiek kwijt.

Want waarom zou rockmuziek ergens tégen moeten zijn? Waarom kan een song alleen waarde hebben als er apathie uit spreekt, of een afkeer tegen alles en nog wat? Waarom zijn emoties alleen van tel als ze - ondersteund door rammelende, slecht klinkende gitaren - van de daken worden geschreeuwd? Als Coldplay de antithese van de Sex Pistols is - een stelling waar overigens iets voor te zeggen valt - illustreert dat vooral de manier waarop de tijdgeest veranderd is. De punks van vroeger waren nihilisten. Zwoeren bij de stelling dat er geen toekomst was en spuwden elkaar bij wijze van groet in het aangezicht. God Save the Queen? Ze zit er dertig jaar later nog steeds. Terwijl Johnny Rotten een parodie van zichzelf is geworden en net als alle groepen waar hij destijds op neerkeek van de ene reünietournee in de andere rolt. Rotten dook een paar jaar terug zelfs op in de Britse versie van Big Brother. No future? In zijn geval, een van de grootste anti-establishmentfiguren die de popmuziek ooit gekend heeft, kan het alvast kloppen. Dat Johnny Rotten nooit meer geshockeerd heeft dan toen hij publiekelijk zijn liefde voor ABBA kenbaar maakte, zegt veel over de punkperiode.

Dertig jaar na de punk leven we in een andere wereld. Wie vandaag een verschil wil maken is niet ergens tegen, maar ergens voor. Sinds Live Aid weten grote rockgroepen dat ze hun populariteit ook op een positieve manier kunnen aanwenden. Bands als U2, Simple Minds en Eurythmics hebben daar een baanbrekende rol in gespeeld. Geen enkele zanger die ooit een grotere politieke macht heeft gehad dan Bono. Maar het laatste U2-nummer waar een politiek engagement uit spreekt is 'Bullet the Blue Sky', een song die inmiddels meer dan twintig jaar oud is. Ook Coldplay is niet de groep die grote politieke statements in haar nummers stopt. Zanger Chris Martin schrijft niet over de oorlog in Irak en evenmin neemt hij de handschoen op tegen Bush of Sarkozy. Het engagement van de grote groepen van vandaag speelt zich naast het podium af. In het geval van Coldplay: ze zijn al jaren het gezicht van Make Trade Fair, een organisatie die zich inzet om boeren in derdewereldlanden een eerlijke prijs voor hun producten uit te betalen. Coldplay is, om kort te gaan, een groep die een verschil maakt.

En dat doet ze - niet schrikken - ook met haar muziek. Niet omdat Martin er een erezaak van maakt om zoveel mogelijk 'fucks' in een zin te stoppen. Maar omdat hij samen met de rest van de groep schoonheid schept. Over existentiële vragen schrijft en daarbij zijn diepste gevoelens niet schuwt. Hij schrijft over zijn leven, zijn twijfels, zijn zwakheden. Geen machopraat. Geen grootspraak. Martin is, zoals de Engelsen dat zo mooi kunnen zeggen, in touch with his feminine side. Dat blijft in een genre waar de gitaar een fallussymbool is en testosteron al vijftig jaar de belangrijkste brandstof vormt, als vloeken in de kerk. En net daarom wordt het dan wel heel makkelijk om de songs af te doen als klef en flauw.

In één ding heeft Gill wel gelijk: de muziek van Coldplay is een pijnstiller. Niet in de verdovende betekenis van het woord, maar letterlijk. Ze biedt troost en blijkt, gezien de volksverhuizing die concerten van de groep teweegbrengen, voor zeer veel mensen zeer herkenbaar. In andere disciplines wordt dat als een pluspunt beschouwd. Daar ben je een hele grote als je over de barrières van maatschappelijke klasse, religie of geaardheid heen een gevoelige snaar weet te raken. Maar in de popjournalistiek gelden andere regels. Natuurlijk is de eindeloze zoektocht naar alles wat nieuw en onbekend is ongemeen spannend. En neem het van me aan: in dit vak zijn er weinig dingen zo spannend als een fantastische cd van een klein, onbekend groepje te ontdekken. Daar schrijf je dan over. Omdat je wilt dat iederéén die band leert kennen.

Alleen lijkt geen enkele recensent er rekening mee te houden dat het ook echt zover kan komen. Want telkens als dat kleine geweldige groepje een grote geweldige groep wordt, keren de critici zich tegen hen. Alsof je niet tegelijk én groot én goed kunt zijn. Of populair en relevant. Precies dat soort elitarisme, dat soort hypocrisie ook, zorgt ervoor dat popjournalisten hun doel vaak voorbijschieten en de kloof tussen alles wat mainstream en alternatief is groter maken, in plaats van ze te dichten. Mij maakt het niet uit of Coldplay tien cd's verkoopt, of tien miljoen. Ik zal het hen, in geen van beide gevallen, kwalijk nemen.
19/06/08 12u18
mailIcon printIcon | | Meer bookmarks

deGedachte

De beste gedachten verschijnen in de krant

 

Lees ook

Alles over

Nuttige links

jouw lezersbrief in De Morgen?
stuur hem naar lezers@demorgen.be

http://the-acap.org/acap-enabled.php © De Persgroep Publishing. Alle rechten voorbehouden. Lees de gebruiksvoorwaarden.