30/01/12, 07u01
Communautair gekrakeel blaast Wetstraat steeds verder van werkelijkheid. Jan Goossens is artistiek directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel. Hij schrijft regelmatig bijdragen voor opinie.
-
-
In Brussel kan niemand het zich veroorloven te denken dat er een toekomst zonder anderstalige buren mogelijk is
Het is niet omdat we een federale regering hebben dat ons land van de communautaire koorts verlost is. Het valt op hoe die in vele debatten de geesten blijft vertroebelen en de vooroordelen versterken. Aan beide zijden van de taalgrens. Neem het onderzoek van UA-professor Magda Michielsens omtrent het RTBF-programma Mise au Point. Het zal wel dat er in de Franstalige media af en toe sprake is van een oprisping van Vlamingen-irritatie. Alleen: groot nieuws is dat niet en het valt evenmin te ontkennen dat 'onze' media last hebben van overdreven Franstaligen-ergernis. Verder kan je best beslagen ten ijs komen als je van plan bent Mise au Point te beschuldigen van het aanzetten tot haat en van quasi-racisme. Laat het schoentje nu net daar knellen. UA-professor Dave Sinardet sprak op de dag van publicatie in Knack de enige woorden die het onderzoek van zijn collega waard zijn: geen theoretisch kader, geen methodologie en intellectueel weinig eerlijk. Kortom, zo kun je eigenlijk gelijk wie van gelijk wat betichten.
Discussie afgelopen, zou je denken. Maar dat was buiten bepaalde Vlaamse media gerekend. Her en der werd zonder veel kritische afstand toch geprobeerd om er een volgende communautaire staatszaak van te maken. In de politiek opperde een enkeling zelfs dat het 'Centrum voor racismebestrijding' er zich moest mee moeien.
De Vlaamse goodwill ten aanzien van professor Michielsens contrasteerde met het rondje spitsroeden lopen dat minister Magnette te beurt viel toen hij het recent aandurfde enkele opmerkingen te maken bij de EU-aanpak van de financiële en economische crisis. Los van de vraag of Magnette een punt had, was een sereen inhoudelijk debat hierover in Vlaanderen moeilijk. Hoewel Europa niet het favoriete gespreksonderwerp van onze nationale politici is en de Europese Commissie zelden op veel bijval kan rekenen, moesten we er deze keer wel met vlag en wimpel achteraan lopen. Dat de kritiek op de Commissie van een Franstalige PS'er kwam was geen onbelangrijk detail. Hoezeer Magnette na zijn eerste uitspraken ook beklemtoonde, in smetteloos Nederlands, dat het hier niet ging om een communautair maar wel om een politiek en economisch debat, het maakte weinig uit. Dat er aan de andere kant van de taalgrens overtuigde Europese federalisten rondlopen, die ook weleens Euro-kritisch uit de hoek durven te komen zonder daarom oubollige Belgicis-ten te zijn, bleek voor velen in Vlaanderen ondenkbaar.
De afgelopen week toonde een intern PS-debat dan weer dat wij Vlamingen, of Olivier Maingain, niet het monopolie hebben op communautair gehakketak of institutionele scherpslijperij.
Na een spitse column in De Standaard van Le Soir-boegbeeld Béatrice Delvaux over het bestaan aan Franstalige zijde van een 'plan W' voor Waalse autonomie, gingen de poppen aan het dansen. Waals voorman Marcourt beaamde wat Delvaux had beweerd, en passant in de verf zettend dat Brussel niet echt in dat 'plan W' paste. Uiteraard kon Brussels icoon Philippe Moureaux zich niet onbetuigd laten en allicht tot zijn eigen stomme verbazing zag hij zich genoodzaakt te pleiten voor meer Brusselse samenwerking met Vlaanderen. Er waren interventies van Brussels minister-president Picqué en premier Di Rupo nodig om de gemoederen te bedaren. Op zich is zo'n debat niet per se onzinnig. Is de institutionele toekomst van ons land aan de gemeenschappen of de gewesten: het blijft een cruciale vraag waarop niet definitief is geantwoord. Maar het PS-debat werd gevoerd in termen van terugplooien en het afbouwen of verbreken van samenwerkingen. Alsof niet ieder gewest of iedere gemeenschap in dit land gedoemd is om met alle omliggende regio's samen te werken.
Gelukkig zette Brussels minister Vanhengel de puntjes op de i met zijn opmerking dat Brussel niet te kiezen heeft tussen Vlaanderen of Wallonië, maar beide nodig heeft. En dat omgekeerd noch Vlaanderen noch Wallonië veel voorstellen zonder Brussel.
Zoveel koortsig communautair gekrakeel op een paar weken tijd: zeker in Brussel kan je moeilijk anders dan er met grote ogen naar kijken en je afvragen wat het in godsnaam te maken heeft met de realiteit waarin de inwoners van deze stad iedere dag leven. Dat is er een waarin niemand het zich kan veroorloven te denken dat er een toekomst mogelijk is zonder de anderstalige buren, van waar ze ook komen. Iedere dag dient men weer gesprekken en samenwerkingen aan te gaan. Daarin moet ruimte zijn voor kritiek en correctie, maar die kunnen tegelijk enkel slagen als er van wederzijds vertrouwen, eerlijkheid en hoffelijkheid sprake is. Want dat is allicht wat in de akkefietjes van de voorbije weken nog het meest zorgen baart: dat je de indruk krijgt dat steeds meer mensen in dit land leven in parallelle, geconstrueerde en zelfbedienende ficties, die losstaan van elke concrete samenlevingsrealiteit, en waarin iedere vorm van objectieve en gefundeerde waarheid haar rechten steeds meer verliest. In de VS kan je al jaren zien tot welke groteske dovemansgesprekken dat tussen en binnen partijen leidt. Het resultaat is allerminst benijdenswaardig: Obama is al jaren een deels verlamde president. En of het nu Romney of Gingrich wordt die het in oktober tegen hem opneemt, de Republikeinen gooien vandaag vooral hun eigen ramen in. Ondertussen blijven de reële problemen van steeds meer gewone Amerikanen schandelijk onbeantwoord. Geef toe, noch voor de Brusselaars, noch voor de Vlamingen, noch voor de Walen van dit land is het een aantrekkelijk toekomstperspectief.