25/01/12, 07u27
dm column
Paul Scheffer is Nederlands publicist en hoogleraar Europese studies. Zijn column voor De Morgen verschijnt tweewekelijks op woensdag.
-
Godsdienstkritiek en godsdienstvrijheid horen bij elkaar
Na de bisschop en de imam was het wachten op de rabbijn, die verklaarde dat homoseksualiteit een ernstige ziekte is. Gelijke monniken, gelijke kappen. Een ongelukkige beeldspraak, maar in alle wereldgodsdiensten wemelt het van de gelovigen die vasthouden aan een letterlijke uitleg van de heilige boeken. En in die boeken wordt niet op een toeschietelijke manier gesproken over de mannenliefde.
Eerst verklaarde de Groningse bisschop Wim Eijk dat homoseksualiteit een 'neurotische ontwikkelingsstoornis' is. Toen kwam de Rotterdamse imam Khalil El-Moumni met de sluitende redenering dat de mensheid zou uitsterven als iedereen homo werd. Hij wist het zeker: zulke mensen zijn lager dan varkens en honden. En nu dan de opperrabbijn van Amsterdam, Aryeh Ralbag, die van mening is dat de homoseksuele medemens, godzijdank, kan worden genezen. De strenge vroomheid blijft dus voor onrust zorgen in samenlevingen die zichzelf als seculier zien. Dat de Noord-West-Europese landen op wereldschaal het verst van God zijn afgedreven is wel zeker. Nergens speelt godsdienst zo'n betrekkelijke rol als uitgerekend in onze contreien. En het is zonneklaar dat die secularisering vooral wordt uitgedaagd door een leerstellige omgang met seksualiteit. Hier botsen twee ideeën over gelijkwaardigheid. De ene benadering stelt neutraliteit voorop. Vrijheid van meningsuiting beschermt ook degenen die laatdunkende opvattingen hebben over bijvoorbeeld homoseksualiteit. Inderdaad, waarom zou iemand in een open samenleving niet van mening mogen zijn dat de liefde voor hetzelfde geslacht door en door slecht is?
De andere benadering is normatief van aard. Zeker, mensen mogen er discriminatoire opvattingen op na houden, maar een open samenleving kan niet duurzaam zijn zonder wederkerigheid. Een verdraagzame houding kan niet van één kant komen. Zo brengt het recht op godsdienstvrijheid de verantwoordelijkheid met zich mee om diezelfde vrijheid toe te staan en te verdedigen voor andersgelovigen en ongelovigen. Die norm kan nooit worden afgedwongen, maar wel aan mensen worden voorgehouden. Volgens de rechtsfilosofe Dorien Pessers gaat het over situaties waarin 'meer wordt gedaan dan waartoe men juridisch verplicht is en er meer wordt verwacht dan waartoe men juridisch gerechtigd is.' Een open samenleving vraagt echt om meer dan leven naar de wet alleen.
Anders dan de bescherming van meningsvrijheid biedt zo'n pleidooi voor wederkerigheid natuurlijk geen genoegdoening aan strenge gelovigen die nu juist de levensstijl van anderen tot de poorten van de hel willen vervolgen. Zulke stromingen willen helemaal niet midden in een moderne samenleving staan. De neutrale en de normatieve opvatting gaan strikt genomen niet samen. Hier stuiten we op de liberale paradox: de open samenleving is er ook voor degenen die een gesloten wereldbeeld aanhangen. Dat is alleen vol te houden als het om een kleine minderheid van zwarte kousen gaat. Een open samenleving leeft namelijk van een ruime meerderheid die weet dat de rechten die men voor zichzelf opeist ook aan anderen moeten worden gegund. Die wederkerigheid geldt ook voor ongelovigen die vaak de neiging hebben om het geloof te verbannen tot achter de voordeur. Te veel mensen verwarren de scheiding van staat en kerk met een scheiding van geloof en samenleving. Maar er is geen enkele reden waarom mensen zich in hun publieke handelen wel zouden mogen laten inspireren door seculiere en niet door religieuze opvattingen.
Meerderheden die openstaan voor geloof en ongeloof komen niet vanzelf tot stand. Godsdienstkritiek en godsdienstvrijheid horen bij elkaar. En juist in het onderhoud van die openheid schieten de meeste politieke bewegingen tekort. Kijk maar naar de christendemocraten: het hele vraagstuk van de orthodoxie komt in hun pleidooi voor het 'radicale midden' niet voor. Niet lang geleden kon ik met eigen ogen zien hoezeer een open samenleving ontwricht kan raken wanneer orthodoxie van een kleine tot een grotere minderheid wordt. Ik gaf een tijdje les aan de Hebrew University in Jeruzalem. De ultraorthodoxe gemeenschap in die stad was ooit een tamelijk marginale groep maar is inmiddels uitgegroeid tot een kwart van de joodse bevolking. En daarmee strekt hun dwingelandij zich meer en meer uit buiten de eigen kring: sommige wijken worden gedomineerd door zwarte jassen achter kinderwagens.
Tot wederkerigheid kan niemand worden verplicht. Mensen mogen anderen als immoreel brandmerken. Daaraan herkennen we de meeste orthodoxie: altijd respect eisen, en het nooit geven. Maar zulke vroomheid vraagt wel om tegenspraak, allereerst van vrijzinnigen in kerk, synagoge of moskee. Leven en laten leven vereist een inspanning, ook van overheden. Daaraan schort het momenteel zeer en daarom is er zoveel onzekerheid over religie in een open samenleving. Het 'radicale midden' ontkomt niet aan een antwoord op het radicale bidden.