06/01/12, 07u09
Openbaar vervoer heeft eerder investeringen nodig dan besparingen, stelt Guillaume Van der Stighelen. Van der Stighelen is ex-reclameman.
Een ogenblikje. Vooraleer de vakbonden er zich mee gaan moeien en het nog wat moeilijker maken om het openbaar vervoer geliefd te maken bij het grote publiek.
Staat u me toe, heren en dames van de Vlaamse overheid, een bedenking te plaatsen bij uw voornemen te besparen op De Lijn. Besparen op de verplaatsingsmogelijkheden van mensen die niet over een auto of een rijbewijs beschikken, het klinkt niet goed. Zeker niet in tijden van crisis. Zeker niet als je met wiskundige zekerheid kunt zeggen dat die groep tegen het einde van dit jaar groter wordt. Dat er een heleboel mensen zullen zijn die afscheid moeten nemen van hun dierbare koolstofblazende vriend.
"Het zijn slechte tijden, laten we besparen op openbaar vervoer." Dat staat al even ver van de werkelijkheid als: "Het wordt een koude winter, laten we besparen op de verwarming." Je voelt dat er iets mis mee is. Het eerste waar je aan denkt als de cash-out van het land groter wordt dan de cash-in, is de petroleumrekening. Vervang vijftig auto's door één bus. Het zou een beetje wennen zijn, die lichamelijke nabijheid van de medemens zonder de bescherming van getinte ramen tussenin. Maar goed, het is crisis, wat nog altijd beter is dan oorlog. Honger maakt een kleine tafel groot.
Op de radio hoorden we een van u vertellen dat wel één derde van de infrastructuurkosten naar openbaar vervoer gaan. En dat dat toch wel erg veel was. Slechts één derde? U moest zich schamen. U moest door de grond zakken van schuldgevoelens en zelfverwijt. Slechts één derde voor het vervoer dat werkers naar hun opdracht voert. Dat verbruikers brengt naar de plaatsen waar het product van de werkmens uitgestald en aangeprezen wordt. Dat jonge mensen na hun nachtelijke verkenningen van wat het leven zou kunnen bieden netjes thuisbrengt en de volgende dag weer naar school om te leren werken voor ons pensioen. Het vervoer waarop zoekende zielen elkaar ontmoeten. Waar huwelijken beginnen en eindigen. Waar bezoekers uit vreemde landen kunnen vragen aan mensen van hier waar de koffie goed is. Waar de Kammenstraat is. Het vervoer dat mij, afgedankt reclamewonder, met tram drie over de middenberm van de Bredabaan doet razen, terwijl de Ferrari's en Hummers uit Brasschaat staan aan te schuiven in de file. Het vervoer dat mij met een roltrap op de Groenplaats baart in een stad die om mijn komst niet heeft gevraagd maar toch zegt: zet u erbij.
Dat vervoer, beste Vlaamse overheid, u moet daar niet op besparen. Zie het als een investering.
Het is daar waar het gebeurt. Niet in die eenzame bedrijfswagen waarin de telefoon enkel dient om tussen echtelijke onenigheden door een snelle zakelijke deal te sluiten. Wel in die grote ruimte waar mensen tijd hebben om elkaar te bekijken en zich af te vragen: waar gaat het leven over?