Annelore Huygens −
26/12/11, 09u20
De wrongful life-vordering stuit volgens Annelore Huygens op de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht. Huygens doctoreert over 'het juridische statuut van het ongeboren kind'. Ze is verbonden aan de onderzoeksgroep Persoon&Vermogen van de Universiteit Antwerpen.
-
-
Artsen zouden hun patiënten volgens mij steeds moeten informeren over de mogelijkheid van een (late) zwangerschapsafbreking bij een therapeutische indicatie
Eind 2010 kende het Brusselse hof van beroep een ruime schadevergoeding toe aan een ernstig gehandicapt kind, omdat de geboorte ervan niet kon worden voorkomen door een (medische) fout (zogenaamde. wrongful life-vordering). Exact één jaar na datum lijkt de controverse over dit arrest overgewaaid. Hoewel er op beleidsmatig vlak weinig beweegt, is er wel een nieuwe uitspraak in deze materie, ditmaal van het hof van beroep te Gent (DM 23 en 24/12). In eerste instantie stond alleen de aansprakelijkheid van de behandelende gynaecoloog ter discussie. Deze had het afwijkend resultaat van een prenatale test niet opgemerkt en dus niet aan de ouders meegedeeld. Volgens de behandelende gynaecoloog kon evenwel ook aan twee ziekenhuisartsen een fout worden verweten. Op 33 weken zwangerschap hadden deze artsen de uiteindelijke diagnose gesteld, evenwel zonder de ouders in te lichten over de mogelijkheid van een therapeutische abortus.
Gedegen counselingBij een ernstige foetale afwijking kan na de termijn van 12 weken (of 14 weken amenorroe) nog een zwangerschapsafbreking plaatsvinden. Het is tot op vandaag betwist of een therapeutische zwangerschapsafbreking nog geoorloofd is na de levensvatbaarheidsgrens (rond 23 à 24 weken amenorroe). Tijdens de totstandkoming van de wet zei de wetgever inderdaad dat met de term 'abortus' de beëindiging van de zwangerschap voor de 24ste zwangerschapsweek werd bedoeld. Nochtans werd in de wet zelf geen enkele termijn bepaald. Omdat er geen misdrijf kan bestaan zonder dat de strafwet daarin voorziet, is de arts die een late zwangerschapsafbreking uitvoert op grond van een therapeutische indicatie niet strafbaar. Late zwangerschapsafbrekingen vinden in de praktijk trouwens zeker plaats. Elk ziekenhuis bepaalt hierover momenteel echter zijn eigen beleid. Nochtans zouden artsen hun patiënten volgens mij steeds moeten informeren over de mogelijkheid van een (late) zwangerschapsafbreking bij een therapeutische indicatie. Een gedegen counseling met aandacht voor de postnatale evolutie van het kind is erg belangrijk. Op een dergelijk ingrijpend moment in het leven van hun gezin moeten de ouders evenwel een totaalbeeld krijgen van de opties die zij hebben en (late) zwangerschapsafbreking is daar volgens de wet nu eenmaal één van.
Wrongful life-vorderingen zijn juridisch en ethisch controversieel. In Frankrijk, Duitsland en Engeland worden deze vorderingen niet toegekend. Vooral de beoordeling van de schade is problematisch. Traditioneel wordt deze bepaald door de actuele situatie te vergelijken met de hypothetische situatie waarin het slachtoffer zich zou hebben bevonden indien de fout niet was gebeurd. Voor het kind komt dit neer op een vergelijking tussen het gehandicapte bestaan en het niet-bestaan.
Het kind heeft er volgens mij geen belang bij om zijn eigen bestaan te betwisten. Hoewel hiertegen wordt aangevoerd dat het leven ook soms in andere gevallen 'wordt gewogen en te licht bevonden' (bijvoorbeeld euthanasie en levensbeëindiging bij pasgeborenen), wordt er in voornoemde gevallen wel steeds naar de beslissing gehandeld. De vergelijking gaat daarom niet op.
Het niet-bestaan kan voorts ook niet juridisch worden gewaardeerd: er ís geen oorspronkelijke toestand waarin het kind kan worden hersteld. Als alternatief vergoedt men dan het morele leed en de kosten die voortvloeien uit de handicap. Deze schadebegroting gaat meer uit van de vergelijking tussen het gehandicapte en het gezonde bestaan. Maar in deze gevallen zou het kind juist nooit gezond zijn geboren...
De wrongful life-vordering stuit volgens mij dan ook op de grenzen van het aansprakelijkheidsrecht. Ook van de nieuwe wet Medische Ongevallen moet op dit vlak weinig heil worden verwacht. Op grond van deze wet is het eveneens onduidelijk of het kind vergoedbare schade lijdt, nu dezelfde regels voor de schadebegroting worden gehanteerd.
Hoewel de rechtspraak positief tegenover wrongful life-aanspraken staat, kan niet worden ontkend dat wel zeer creatief met de regels van het aansprakelijkheidsrecht wordt omgesprongen. Er lijkt met andere woorden veeleer aan beleid te worden gedaan nu het (volgens de rechter) onrechtvaardig zou zijn om het eigenlijke slachtoffer van de medische fout in de kou te laten staan. Af te wachten valt of het Hof van Cassatie zich evenmin door de juridische (en ethische) bezwaren zal laten overtuigen. In Frankrijk vormde de toewijzing van de wrongful life-vordering door het Franse Hof van Cassatie alvast de aanleiding voor een wetswijziging in deze materie. Het leed van kinderen (met een aangeboren aandoening) die geboren zijn 'dankzij' een medische fout, is niet meer vergoedbaar op grond van het aansprakelijkheidsrecht, maar valt ten laste van de nationale solidariteit.