Adam Hochschild −
10/12/11, 11u13
Adam Hochschild portretteert presidentskandidaat Newt Gingrich als wereldvreemd en pedant historicus. Hochschild is auteur van De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo. Deze bijdrage verscheen al in The New York Times.
-
-
Gingrich' punt is niet dat een systeem waarbij het ene land het andere exploiteert immoreel is, wél dat de Belgen er niet in geslaagd zijn een klasse van Congolezen voort te brengen die de economie efficiënt kon doen draaien
Geen kans laat Newt Gingrich onbenut om te vermelden dat hij historicus is. Zijn speeches zijn gelardeerd met verwijzingen naar duistere stukjes Amerikaanse geschiedenis, hij praat honderduit over de periode dat hij nog doceerde aan West Georgia College, en verklaarde dat de meer dan 1,6 miljoen dollar die hij verdiende bij Freddie Mac niet het gevolg was van zijn werk als lobbyist - god verhoede - maar als historicus. En vorig jaar haalde hij het nieuws omdat hij had gezegd dat president Barack Obama "Keniaans, antikoloniaal gedrag" vertoonde.
Gingrich zou onze eerste president met een doctoraat zijn sinds Woodrow Wilson. Zegt zijn werk als historicus iets over hem? Of, in dat geval, iets over de reden waarom hij, ondanks bepaalde gebeurtenissen in 1776, 'antikoloniaal' beschouwt als iets negatiefs? Om die vragen te beantwoorden is zijn proefschrift uit 1971 voor Tulane University in New Orleans een goed vertrekpunt: 'Belgian Education Policy in the Congo 1945-1960' ('Het Belgische onderwijsbeleid in Congo 1945-1960').
Het is een bizar document - niet om de redenen waarop Gingrich' vijanden hopen, want de dissertatie bulkt van racisme noch lofzang op het kolonialisme. Bij aanvang stelt hij de vraag: "Grepen de koloniale machten op een pijnlijke doch positieve wijze in om de traditionele samenlevingen te ontwrichten en bereidden ze aldus de weg voor een snellere modernisering? En als dat het geval was, was de prijs van de koloniale exploitatie dan te hoog?"
Pertinente vragen, alleen beantwoordde hij ze niet. In de plaats daarvan benadert hij zijn onderwerp op hoogst pedante wijze. De focus van het werkstuk ligt op stedelijke en plattelandsscholen, kerk- en staatsscholen, zwarte en blanke scholen, protestantse en katholieke scholen, onderwijs voor mannen en vrouwen. Het staat vol voetnoten, statistische gegevens en citaten van eminente autoriteiten. De auteur die naar voor komt uit de tekst is niet de vuurspuwende, wild om zich heen slaande partijsoldaat die Gingrich volgens zijn criticasters was tijdens zijn periode als voorzitter van het Huis, en evenmin de diepzinnige, het gewoel overstijgende denker die presidentskandidaat Gingrich pretendeert te zijn. Hij komt over als wereldvreemde dossiervreter.
Een deel van die wereldvreemdheid zit in het gebrek aan menselijke details. Hoe zag een Congolese school eruit in de koloniale tijd? Wat stond er in de leerboeken? Hoe behandelden de leerkrachten de leerlingen? De lezer komt het niet te weten, omdat Gingrich er nooit geweest is - hoewel hij wél naar België ging. Misschien kon hij zich geen reis naar Afrika veroorloven. Hij citeert uit gesprekken met één Amerikaan en zeven Belgen - geen enkele Congolees, ook al woonden er toen honderden in Europa en de Verenigde Staten.
In de plaats daarvan onderzocht hij of het onderwijsbeleid in Congo de spanningen in het Belgische politieke leven weerspiegelde - tussen katholieken en vrijzinnigen, en tussen de Franstalige en Vlaamse helft van de bevolking. Bij ontstentenis van Congolese stemmen en levens is de dissertatie zo droog als een muf koekje.
Ondanks die beperkingen is Gingrich klaar en duidelijk over het kolonialisme. "België bestuurde Congo als een winstgevend bedrijf", schrijft hij. "Dat doel kon alleen bereikt worden omdat de inheemse bevolking passief was." Hij merkt op dat de 'beschavingsijver' waarop de Belgen zich beriepen vaak "commercieel gemotiveerd was. Zo kregen autochtone Congolezen medische zorgen omdat ze zo harder konden werken. Ze kregen genoeg onderwijs om efficiëntere werknemers te zijn."
Hij verwijst naar de "paternalistische" aanpak van een mijnbouwbedrijf en de koloniale regering, en naar de "Oom Tomachtige" beroeps- en technische opleiding van zwarten, die nochtans "geavanceerd" was voor die tijd. Secundair onderwijs voor meisjes was "verschrikkelijk", voor jongens ook "redelijk ellendig". De financiering van de scholen was "jammerlijk ontoereikend" en het was "ziekelijk onrechtvaardig" dat de onderwijsuitgaven voor kinderen van blanke kolonialen bijna tien keer hoger lagen dan die voor zwarte kinderen. Hij spot met de hoogmoed van de Belgen, die twee universiteiten oprichtten tijdens de laatste jaren van het koloniale bewind, met een overweldigende meerderheid blanke studenten.
Gingrich gaat verder dan onderwijs, en etaleert sluw politiek inzicht in zijn beschrijving van de manier waarop het koloniale systeem werkte. De macht was in handen van een 'triumviraat': een volledig blanke ambtenarij, een machtig kartel van bedrijven en de katholieke kerk. De eerste wilde macht, de tweede winst en de derde bekeringen. Weerspiegelde die schrandere observatie een tot dusver onbekend gebleven radicale fase in de jeugd van Newt?
Helaas. Zijn punt is niet dat er in moreel opzicht iets schort aan een systeem waarbij het ene land het andere exploiteert, wel dat de Belgen er niet in geslaagd zijn een klasse van Congolezen voort te brengen die de economie efficiënt kon doen draaien - in wiens belang, vraagt hij zich niet af. "De Belgen krijgen heel slechte punten voor de inspanningen die ze deden om een politieke elite te vormen, en de chaos na de onafhankelijkheid is grotendeels het gevolg van die Belgische tekortkoming."
Hmmm. Als u denkt dat dat al te antikoloniaal klinkt, breng dan vooral Fox News op de hoogte. Maar de ruimere vraag is: is deze dissertatie het werk van een origineel, creatief historicus? Nee.
Het proefschrift van Woodrow Wilson stelde boudweg dat de founding fathers vaak in de fout gingen, en pleitte voor iets als het Britse parlementaire systeem voor dit land. Het werd snel uitgegeven als boek, en leverde een paar decennia lang discussiestof. Zelfs geleerden die het niet eens waren met Wilson hadden respect voor hem, en voor de openheid waarmee hij bereid was zijn ideeën te herzien. Gingrich zal misschien verkozen worden tot president, maar de kans lijkt heel klein dat hij zoals Wilson na zijn termijn in het Witte Huis verkozen zal worden tot voorzitter van de American Historical Association.