Marc Didden −
27/11/11, 12u44
dm column
ls ik de Vlaamse media zou moeten geloven, dan is de Brusselse metro werkelijk een van de gevaarlijkste plekken ter wereld en zijn de favela's van Rio de Janeiro of de buurten waar de druglords van Mexico City zich ophouden in feite Plopsaland, vergeleken met het hart van Kuregem of Molenbeek.
-
Als ik ze eens boos aankijk, die hang- jongeren met hun irritante mp3- spelers en hun geduw en getrek, dan houden ze meestal snel op
-
-
Voor de fans, en dit volledig terzijde: Alexander De Croo ziet er in het echt even onnozel uit als op televisie
Ik durf te zeggen dat ik daar tenminste aan twijfel, ook al omdat ik bijna dagelijks gebruik maak van de hoofdstedelijke ondergrondse en dus ook wel eens moltreinsgewijs door het gevreesde Molenbeek raas.
'Graaf Van Vlaanderen', 'Zwarte Vijvers', 'Beekkant', zegt een zwoele stem, telkens wanneer we onder die bewuste plekken halt houden. En behalve dat er daar wel eens wat gesluierde dames met iets te breed uitgevallen buggy's en heren met een handdoek op hun kop in- en uitstappen, heb ik daar weinig last van.
Hangjongeren, ja, ze werken evenveel op mijn zenuwen als op de uwe, en die irritante en geluidlekkende mp3-spelers met slechte Franse rap erop mogen van mij zo de brandstapel op. En al het geduw en getrek dat daar ook altijd bij schijnt te horen kan ik al evenmin verdragen, maar wanneer ik die jongelui eens extra boos aankijk, houdt dat gedoe altijd ook snel weer op.
Kattenkwaad is het meestal, en vandaar ook het meest merkbaar op woensdagmiddagen. Bij gebrek aan bellen om aan te trekken of kikkers om op te blazen wil de urbane schooljeugd zich tegenwoordig wel eens vermaken door bijvoorbeeld net wanneer het geluidssignaal weerklinkt dat het vertrek van zo'n metrostel aankondigt, nog even aan de deursloten te morrelen, met het gevolg dat de trein dan een poos ter plekke blijft staan - zoals ik laatst in station Ossegem meemaakte.
Kut natuurlijk, zeker als dat, zoals afgelopen woensdag, vier keer na elkaar gebeurt.
Kut ook omdat er nergens dichtbij of in de verte ook maar een bediende van de MIVB te zien was. Wat ik enigszins kan vergoelijken omdat die mensen als ze zich wél laten zien wel eens gemolesteerd worden.
Toch is het verbijsterend dat een immens premetrostation als dat aan de Beurs vaak totaal onbemand is. Toen ik er vorig jaar op een zondagochtend op het perron richting Noord een jongetje zag staan huilen, begreep ik snel dat het ventje, dat van Zuid-Amerikaanse origine bleek te zijn, per ongeluk uit een tramstel was gestapt, terwijl zijn mama en zijn zusje nog aan boord gebleven waren.
Omdat mijn Zuid-Amerikaans niet echt goed is, verliep de communicatie niet echt makkelijk. Toch heb ik die kleine reiziger duidelijk kunnen maken dat ik hem snel aan bevoegd personeel zou overdragen en dat was ik ook vast van plan, alleen was het verbazend en verontrustend dat er helemaal niemand aanwezig was in dat station met de afmetingen van een volwassen voetbalstadion.
Maar toch zou ik niet willen beweren dat het metrosysteem van Brussel onveiliger is dan dat van Zelzate of Zichen-Zussen-Bolder.
En die heroïnedealers heb ik eerlijk gezegd nog nooit gezien, al zullen ze er wel zijn maar ik heb er nog nooit last van gehad. Maar dat komt omdat ik er wellicht niet uitzie als een doorsnee-junk.
Waar ik wel last van heb, is van al die zatlappen die zich tegenwoordig op het eens zo schilderachtige Sint-Katelijne ophouden en daar liters slechte witte wijn of slappe mojito's staan te zwelgen die ze betrekken bij de plaatselijke neringdoenden. Door al die drukte werd ik laatst op de hoek van de Melsenstraat zo goed als omvergereden door een zwarte limousine van Duitse makelij waaruit ik even later Alexander De Croo zag stappen, vlak voor het Hoofdkwartier van de Blauwen.
Voor de fans, en dit volledig terzijde: hij ziet er in het echt even onnozel uit als op tv.
Hoe meer de Vlaamse media vervelende dingen melden over Brussel, hoe meer ik van die stad ga houden. En dan vooral van dorpen als Elsene, Sint-Gillis of de Marollen.
Nu die vervelende serie over laatstgenoemde volkswijk weer op tv loopt, voelde ik vorige zaterdag nog eens een onweerstaanbare drang om daar zelf de temperatuur te gaan opnemen. Nog maar net had ik het café betreden dat officieel La Clef d'Or heet, maar toch vooral Chez Tony, of ik had al prijs: er zat een autochtone blueszanger met elektrisch gedreven gitaar een droevig lied te zingen over een man die op één en dezelfde dag een zware btw-boete krijgt én moet vaststellen dat zijn vrouw er met een ander vandoor is. De ik-persoon overweegt daarop even om zich in het kanaal naar Charleroi te gooien maar beslist dan maar zich aan de geestrijke drank te begeven, met als gevolg dat hij nog voor hij het weet helemaal 'Scheilzat' is, tegelijk de titel van de song waarover ik als gewezen muziekkenner alleen nog wil vermelden dat het refrein ("Scheilzat! Scheilzat! Scheilzat!") naar mijn smaak iets te veel het woord 'Scheilzat!' bevat.
La Clef d'Or is wis en waarachtig een wonderlijke plek. Je hoort er door de lucht bestellingen brullen als "Et un boke mè choco pour le Turc", en iemand die ik eens hoorde vragen of zijn omelet met spek alstublieft goed gebakken kon zijn, kreeg van de dienster te horen: "Ga goet ga dat aake en da spek eite lek as kik aa da geif!"
De tafelconversaties zijn er van een even hoog niveau.
Vorige week nog was ik getuige van een gesprek van een eerder merkwaardig vriendentrio, dat bestond uit een wat verlopen Belg, een onrustige Chinees en een maghrebijn met, ik zweer het, een scheve molkleurige fez op het hoofd. De Belg vroeg aan de Noord-Afrikaan: "Van woe zaade ga?" De fezman begreep niet wat de ander bedoelde en antwoordde niet. De Belg weer: "Zaade ga nen Algérien, nen Tunisien of ne Marocain?" Fezman zei nog altijd niets. Er viel even een ongemakkelijk stilte die doorbroken werd door de Chinees, die antwoordde: "Ziede da nie? Hèm es van Matongé. T'es ne neiger."
Algemeen gelach. Ook in mijn vuistje.
Misschien waren het wel allemaal drugsdealers? Misschien waren ze betaald door de Toeristische Dienst van de Stad Brussel om voor couleur locale te zorgen?
Misschien ben ik wel gek dat ik zo van deze stad hou?
Maar waarom zou ik niet?
Een stad wordt gemaakt door mensen en de mensen van Brussel zijn alvast geweldig.
Laatst liep ik op een kouwelijke morgen een wat gore kroeg binnen, ergens in de schaduw van het Zuidstation.
Ik twijfelde even luidop of ik een décaféiné dan wel een echte koffie zou bestellen.
"Denk nog maar wat na", zei de Portugese waardin, "maar ik breng u ondertussen toch al een bordje groentesoep." Ze rekende daar niets voor aan
Gebeurt volgens mij zelden in Zelzate.
Verder kijk ik vooral uit naar de apen die ik al enkele dagen zie schitteren op een mooi zeil iets te hoog aan de gevel van de Beursschouwburg. Ze kondigen een festival aan dat er binnen zeer kort zal plaatsvinden en dat Baroque Bodies gaat heten: toneel, exposities, artistiek verantwoorde porno, spoken word en nog veel meer, allemaal in de naam en de geest van de dichter en libertijn John Wilmot, die u ongetwijfeld allemaal kent als de 2nd Earl of Rochester, bijgenaamd 'the monkey'.
Tien jaar geleden zat ik in de New Yorkse Monkey Bar een Bloody Mary te drinken met Pol Dehert, de bezieler van dit project. Hij zei dat hij het ooit ging doen.
En kijk: hij heeft het gedaan!
Niet in New York, niet in Zelzate, maar in Brussel, waar apen thuis zijn.
Hommage! Fromage!
Marc Didden