19/11/11, 10u41
Het zijn cruciale tijden voor de sociaaleconomische toekomst van Europa en haar lidstaten. Tim Reeskens en Bart Meuleman waarschuwen: sterk snoeien in de sociale uitgaven kan onverwachte gevolgen hebben. Reeskens is onderzoeker aan het Centrum voor Sociologisch Onderzoek van de KU Leuven. Meuleman is docent sociologie aan de KU Leuven. Hun studie kan worden geraadpleegd op http://soc.kuleuven.be/ceso.
-
-
Op langere termijn dreigt de Europese besparingskoorts het mechanisme van de horizontale solidariteit, waarbij zij die het goed hebben bijdragen voor zij die het minder goed hebben, volledig onderuit te halen
Nu verschillende Europese overheden hun begroting proberen te redden, blijft de sociale zekerheid niet buiten schot. Terwijl formateur Di Rupo nog op zoek is naar een compromis rond de begroting, hebben onze buurlanden al gesnoeid in het onderwijs (verhoging van de inschrijvingsgelden), pensioenregelingen (verhoging van de pensioenleeftijd), werkloosheidsuitkeringen (de beperking in de tijd) en ziektekosten (beperking van de uitgaven). Dergelijke besparingen op sociale uitgaven laten zich doorgaans onmiddellijk voelen bij de bevolking. De welvaartsstaat weet door haar herverdelende functie het armoederisico zowat te halveren. Wie grote happen uit het budget van de sociale zekerheid wegneemt, tast onvermijdelijk de materiële welstand van grote groepen mensen aan. Maar naast deze materiële gevolgen kunnen bezuinigingen ook gevolgen hebben voor het draagvlak dat bij de bevolking voor de welvaartsstaat bestaat.
Meer overheidsinmengingOnderzoek dat we recent uitvoerden in samenwerking met de Universiteit van Tilburg, en dat binnenkort verschijnt in Journal of European Social Policy, bevestigt de stelling van Rik Coolsaet, gisteren in deze krant, dat het draagvlak voor solidariteit veel groter is dan velen vermoeden (DM 18/11). De overgrote meerderheid van de Europeanen, en Belgen zijn hierin niet anders, wil meer overheidsinmenging om inkomensverschillen weg te werken of zijn voor een sociaal model waarbij iedereen op gelijke voet wordt behandeld. In deze studie, uitgevoerd in 2008 op het moment dat Lehman Brothers overkop ging, werd aan 40.000 personen uit 24 landen gevraagd om zich uit te spreken over de gevolgen van de welvaartsstaat. Een eerste opvallende bevinding is dat Europeanen vooral oog hebben voor de positieve gevolgen van de welvaartsstaat. Een meerderheid onder hen vindt bijvoorbeeld dat de welvaartsstaat armoede helpt te voorkomen (56 procent) en het eenvoudiger maakt om gezin en werk te combineren (53 procent). Negatieve gevolgen zijn beduidend minder prominent aanwezig in de publieke opinie. Slechts een minderheid is van oordeel dat de welvaartsstaat de economie te zwaar belast (36 procent) of mensen lui maakt (39 procent). Dat alles wijst op een duidelijk draagvlak voor een sterke sociale zekerheid.
Regionale verschillenUiteraard zijn er een aantal verschillen tussen de Europese landen. België en Nederland springen er (samen met de Scandinavische landen, Griekenland en Cyprus) uit, als landen waarin mensen nog sterker dan gemiddeld overtuigd zijn van de deugden van sociale zekerheid. Anderzijds zijn het vooral de Oost- en Zuid-Europese landen, maar ook Groot-Brittannië en Frankrijk, waar men bezorgd is over mogelijke economische en morele neveneffecten van sociale zekerheid.
De verklaring voor deze internationale verschillen moet gezocht worden in zowel institutionele als culturele kenmerken van landen. Uit de studie blijkt dat vooral de omvang van de welvaartsstaat samenhangt met hoe men de gevolgen van de welvaartsstaat inschat. In landen die meer genereuze sociale voorzieningen hebben, zijn burgers zich opvallend sterker bewust van de positieve gevolgen van sociale zekerheid. Tegelijkertijd zijn individuen in omvangrijke welvaartsstaten ook wat gevoeliger voor mogelijke negatieve gevolgen.
Wanneer men woont in een relatief omvangrijke welvaartsstaat, zoals België, dan heeft men de indruk dat de sociale diensten en uitkeringen bijdragen tot een meer gelijke samenleving, maar ook dat deze meer egalitaire samenleving een kostprijs heeft. Maar de generositeit van de welvaartsstaat heeft een grotere impact op de 'positieve' dan op de 'negatieve'gevolgen. Met andere woorden: sterke welvaartsstaten genieten een breder draagvlak voor herverdeling.
Enige voorzichtigheid bij de interpretatie van deze resultaten is wel op zijn plaats, aangezien de vastgestelde samenhang tussen genereuze sociale voorzieningen en draagvlak niet noodzakelijk causaliteit impliceert. Maar in het licht van de huidige economische malaise roepen deze resultaten toch bedenkingen op. Sterke welvaartsstaten hebben, bij het uitbreken van de crisis, de verpaupering in eerste instantie kunnen tegengaan. Door nu sterk te snoeien in sociale uitgaven riskeren ze niet enkel verarming in de hand te werken en ongelijkheid te creëren, waarbij de middenklasse uitdunt. Ze dreigen bijkomend de balans tussen positieve en negatieve percepties te doen overhellen in de richting van deze laatste. Het risico bestaat dat de bevolking eerder aandacht gaat besteden aan het kostenplaatje van de welvaartsstaat, en de positieve sociale gevolgen uit het oog verliest.
Dergelijk afkalvend draagvlak kan een vicieuze cirkel van sociale afbraak in gang zetten. Op langere termijn dreigt de Europese besparingskoorts het mechanisme van de horizontale solidariteit, waarbij zij die het goed hebben bijdragen voor zij die het minder goed hebben, volledig onderuit te halen. Met deze gedachte voor ogen is de vooruitgang in de regeringsonderhandelingen, ondanks de druk van Europa en de internationale markten, dan ook perfect te begrijpen. De implicaties van de keuzes waar Di Rupo voor gesteld wordt dreigen het sociale model, waar verschillende politieke partijen de afgelopen decennia hard voor gevochten hebben, danig op de proef te stellen.