De Nederlandse schrijver sprak de lezing 'Het utopiesyndroom' op 24 mei 2011 uit in het kader van een lezingenreeks aan de filosofische faculteit van de Universiteit Gent. Dit is een ingekorte versie. Arnon Grunberg legt uit waarom Guantánamo een onvermijdelijke uitwas is van de macht.
De macht zegt: er is een ingang voor ons allen, althans voor degenen die zich aan mijn wetten houden. De personen die daar geen zin in hebben, kunnen zich bij een zij-ingang melden. Om een van de meest beruchte zij-ingangen te noemen: Guantánamo Bay
Een van de meest fundamentele geloofsartikelen van de democratie is dat wij allen gelijk zijn voor de wet. Onder meer Guantánamo Bay leert dat er enkelingen zijn voor wie gelijkheid niet geldt. En dat wij het zijn die dat bepalen.
Elke maatschappij zal zich teweer moeten stellen tegen groepen mensen, of die nu van binnen- of buitenaf komen, die de instituten die de maatschappij als heilig beschouwt, de instituten die de status quo helpen handhaven, willen ontheiligen.
De ideologie van alle macht kan in een zin worden samengevat: er is geen leefbaar alternatief voor mij. Het onvermijdelijke, dat ben ik. In dat opzicht doet de macht zich voor als een soort van noodlot, of beter gezegd als de temmer ervan: het noodlot is de leeuw, de macht is de dompteur.
Maar anders dan het goddelijke noodlot en het noodlot dat de natuur is ontzagwekkend in zijn nauwelijks te bevatten onverschilligheid, iets wat goed tot uiting komt in het woord 'natuurgeweld' zal de menselijke macht de gruwelijke aspecten die per definitie aan het noodlot kleven, proberen te legitimeren door middel van verklaringen. In een democratie zijn de machthebbers zelfs verplicht uit te leggen waarom het noodlot in hun handen minder gruwelijk zal zijn dan wanneer het in andere handen zou vallen. Dat is het democratische spel, ook wel genaamd het debat. En zij die de dogma's van dit spel hebben onderschreven mogen daaraan meedoen, waarmee nog niet gezegd is dat er naar hen zal worden geluisterd. Het debat zelf zal veelal een poging zijn om wat reeds besloten is van legitimiteit te voorzien.
Ook een dictator kan zich gedwongen voelen zijn pogingen het noodlot te reguleren toe te lichten. Toen in april van dit jaar Syrische tanks de stad Deraa binnentrokken en op demonstrerende burgers schoten, verklaarde een legercommandant dat dit op verzoek van de burgers van Deraa was gebeurd. Voor wie straffeloos vrijwel onbegrensde macht over een ander uit kan oefenen, bestaat er geen absurdisme.
Het absurdisme kijkt van laag naar omhoog. Misschien is het daarom niet verwonderlijk dat het ons niet meer zoveel zegt. Wij zijn het omhoog moeten kijken ontwend, wij zijn volledig ingesteld op de gedachte dat alles zich op gelijk niveau bevindt of op zijn minst zou moeten bevinden.
De burger geeft niet alleen een gedeelte van zijn vrijheid op en betaalt niet alleen belasting om daarvoor veiligheid en bepaalde diensten, van brandweermannen tot geasfalteerde wegen, te ontvangen, de burger onderwerpt zich aan de macht in ruil voor de illusie van een gemeenschappelijk noodlot. Niets is ellendiger dan als eenling in diepe eenzaamheid een onbekend noodlot tegemoet te strompelen.
De macht, en dat is zijn belangrijkste gift aan zijn onderdanen, belooft aan deze toestand een eind te maken. De machthebber zegt: "Ik tem natuur en burger en vanaf nu marcheren wij gezamenlijk en vol vertrouwen een gemeenschappelijk noodlot tegemoet". Of hij zegt: "Wij huppelen vol vertrouwen onze gezamenlijke toekomst tegemoet". Want de macht spreekt de taal van de frivoliteit inmiddels vloeiend.
Deze belofte van een gemeenschappelijk noodlot, deze verheffing uit de diepe eenzaamheid, is de harde en misschien onverwoestbare kern van het utopische denken.
In Kafka's bekende verhaal Voor de wet wordt beschreven hoe een man bij een wachter komt die voor een poort staat. Deze man verzoekt toegang tot de wet, die zich vermoedelijk achter die poort bevindt. Hij wacht een leven lang en vlak voor zijn sterven brult de wachter tegen de man en let op dat brullen, dat is geen onbelangrijk detail: "Niemand anders kon hier toegelaten worden, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg en sluit hem."
Dat is de eenling die zijn noodlot strompelend tegemoet gaat en op het moment van zijn sterven dat noodlot, of misschien wel het gebrek eraan, toegebruld krijgt. Omdat het hem aan elke gemeenschappelijkheid ontbreekt, omdat hij door een poort moet gaan die alleen voor hem bestemd is, is hij niets en kan de laagste wachter hem straffeloos vernederen.
Op de wachter is Giorgio Agambens definitie van 'soeverein' bij uitstek van toepassing: "Het punt waarop geweld en recht niet te onderscheiden zijn, de grens waarop het geweld overgaat in recht en het recht in geweld." Het geweld dat deze eenling wordt aangedaan is meteen ook het recht dat over hem wordt uitgesproken. De toegang tot de wet die hij verzoekt is niet om de wet te kennen, maar om door die wet opgenomen te worden, om, met andere woorden, beschermd te worden.
Een van de meest fundamentele geloofsartikelen van de democratie is dat wij allen gelijk zijn voor de wet. De macht, en daarmee het utopische denken, zegt: er is een ingang voor ons allen, althans voor degenen die zich aan mijn wetten en regels houden. De personen die daar geen zin in hebben kunnen zich bij een zij-ingang melden.
Om een van de meest beruchte zij-ingangen uit de hedendaagse geschiedenis te noemen: Guantánamo Bay, de ingang voor eenlingen.
Dankzij WikiLeaks weten we dat een Afghaanse schaapherder door samenloop van omstandigheden werd aangezien voor een Al Qaida-strijder en naar Guantánamo Bay werd gebracht. De schaapherder kon net als de man uit Kafka's verhaal geen toegang krijgen tot de wet, omdat wie eenmaal officieel tot eenling verklaard is eenling moet blijven, of hij nu schuldig is of niet. In het beste geval, zoals bijvoorbeeld in het geval van de schaapherder, kan hij na enkele jaren opgesloten te zijn geweest terug worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Hij mag doen alsof hij nooit voor een poort heeft gestaan die alleen voor hem bestemd was. Dat is de enige restitutie waar hij recht op heeft.
En Guantánamo Bay is nog de meest bekende van de poorten voor eenlingen. Er zijn talloze poorten voor eenlingen waarvan wij weinig tot niets weten en het vermoeden is gerechtvaardigd dat de wachters daar meer doen dan alleen schreeuwen.
Steeds weer wordt ons verteld dat de zij-ingangen, deze ingangen tot de wet voor speciale gevallen, noodzakelijk zijn om de hoofdingang, de ingang voor ons allen, te beschermen.
Dit is niet de plaats om na te gaan of deze bewering waar is. Wel vermoed ik dat de uitkomst complexer zal uitvallen dan menigeen lief is. Nu wil ik slechts wijzen op een bittere ironie. Dat een democratische samenleving zichzelf meent te moeten beschermen door haar belangrijkste principes met voeten te treden. En deze bittere ironie is meer dan alleen maar ironie, in deze ironie toont zich de macht die bezig is zichzelf te ondermijnen en al het werkelijke geloof in wat zij moest zijn, wat zij voorwendt te zijn, heeft verloren.
Een belangrijke belofte van alle macht, hoe die macht ook tot stand is gekomen, is dat zij het noodlot, dat per definitie op een goddelijke maat is toegesneden, zal vermaken tot menselijke maat. Als het noodlot een te wijde broek is, dan is de macht de kleermaker die de broek kleiner maakt. Als de broek versleten is dan is het ook de macht die een lapje zal naaien op de vale plekken.
Vaak blijkt dat de macht deze kleermakerstaak niet kan of wil uitvoeren, dat de bescheidenheid die de kleermaker nu eenmaal eigen is de machthebbers niet aantrekkelijk voorkomt. In dergelijke gevallen zou op de gebouwen waar de vertegenwoordigers van de macht huizen geschreven moeten staan: het goddelijk casino, heropend onder nieuw management.
Het is niet per definitie onethisch als stervelingen voor goden spelen, het ligt eraan op welke manier zij hun rol invullen. Van de goden kennen zij alleen de uitspattingen, het goddelijke is voor hen, en daarmee ook voor ons, slechts een grenzeloze decadentie die niemand meer in twijfel kan trekken. Voor deze managers die zich goden wanen, is de apocalyps alleen al zinvol om het bacchanaal dat eraan voorafgaat te rechtvaardigen. Op hen is een variant van Agambens uitspraak van toepassing: zij zijn geprivilegieerd omdat zij gewonnen hebben en zij hebben gewonnen omdat zij geprivilegieerd zijn.
Waar de macht het goddelijk casino wil voortzetten vernietigt zij het fundament van de utopie: de gemeenschappelijkheid.

© 2013 De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.